Kwintessens
Geschreven door Patrick De Reyck
  • 139 keer bekeken
  • minuten leestijd
  • Reacties

19 juni 2026 Wat is gender? Wat is identiteit? En waarom het ertoe doet
Tijdens een VN-forum in maart 2026 blokkeerde de Europese Unie een voorstel van de Verenigde Staten om het begrip ‘gender’ expliciet in biologische termen te definiëren. België, dat namens de Unie sprak, diende een zogenaamde ‘no action motion’ in – een procedurele motie om een stemming over een voorstel te verhinderen – om de Amerikaanse resolutie tegen te houden.
Opmerkelijk is dat de Europese Unie zelf evenmin vertrekt van een scherp afgebakende definitie, maar ‘gender’ hanteert als een open juridisch begrip dat bewust ruimer blijft dan biologische sekse.
Wat op het eerste gezicht een diplomatiek incident lijkt, legt een fundamenteler probleem bloot: zelfs op het hoogste internationale niveau bestaat geen consensus over wat het begrip precies betekent. Zolang die begripsmatige onduidelijkheid blijft bestaan, rusten ook de juridische en maatschappelijke claims die erop steunen op een wankele basis. Bovendien kregen in de aanloop naar Pride Month in juni zowel die controverse als de onderliggende onduidelijkheid maatschappelijk meer zichtbaarheid.
_Gender als containerbegrip
Het debat over gender en identiteit wordt fel gevoerd, maar zelden op basis van heldere begrippen. Dat is geen detail, maar precies het kernprobleem.
Vandaag fungeert ‘gender’ vaak als een containerbegrip. Het verwijst tegelijk naar gedrag, voorkeuren en interesses, sociale verwachtingen, rollen en innerlijke beleving. Dat lijkt inclusief, maar is conceptueel en epistemisch problematisch. Een begrip dat naar alles verwijst, verliest zijn analytische functie, waardoor consistente analyse, rationele beleidsvorming en wetgeving moeilijk worden, zeker wanneer subjectieve invulling het doorslaggevende criterium wordt. Objectieve toetsbaarheid maakt dan plaats voor een normatieve invulling zonder voldoende empirische grond. Wie onderzoek en beleid wil baseren op begrippen die niet duidelijk zijn ingevuld en afgebakend – en soms bewust vaag worden gehouden – vervangt analyse door overtuiging en strategie.
Toch is een werkbare, pragmatische en epistemisch verantwoorde[1] benadering mogelijk. Gender kan begrepen worden als de manier waarop onderliggende biopsychologische predisposities[2] vorm krijgen in relatief stabiele disposities die ervaring, voorkeuren, interesses, persoonlijkheidskenmerken, sociale interactie en gedragspatronen mee structureren. Die disposities hangen statistisch samen met sekse, terwijl cultuur en omgeving hun concrete uitdrukking moduleren en op langere termijn mee richting kunnen geven aan welke gedrags- en voorkeurspatronen onder meer worden versterkt of bestendigd. Er is variatie, maar die is niet willekeurig. Ze volgt herkenbare patronen, zonder dat individuele uitkomsten vastliggen. Het is perfect mogelijk om variatie en complexiteit te erkennen zonder daarom elk structureel kader los te laten. Mensen verschillen en die verschillen komen, afhankelijk van cultuur en context, op uiteenlopende manieren tot uiting.
Gender is niet wezenlijk een vrij te kiezen label, maar de uitdrukking van een complex samenspel van factoren. Wie het begrip volledig losmaakt van onderliggende structuren – bijvoorbeeld uit angst voor biologisch determinisme – maakt het inhoudelijk leeg en epistemisch moeilijk hanteerbaar.
De uitdaging is daarom om een evenwicht te vinden. Enerzijds moeten we ruimte laten voor variatie, individuele trajecten en humanistische waarden, zoals zelfbeschikking. Anderzijds moeten we erkennen dat die variatie niet willekeurig is en dat begrippen voldoende duidelijk en afgebakend moeten blijven om richting te kunnen geven aan analyse, beleid en wetgeving.
_Gender en identiteit
De onduidelijkheid wordt groter wanneer gender gekoppeld wordt aan identiteit. Wat vandaag vaak als ‘genderidentiteit’ wordt benoemd, lijkt eerder een vorm van subjectieve genderidentificatie: zelfrapportage van genderbeleving.
Dat klinkt logisch en empathisch, maar het is volgens mij problematisch. Dit omdat dergelijke zelfrapportage vaak beïnvloed wordt door culturele en semantische kaders die een modieuze, performatieve en wezenlijk instabiele vorm van zelfdefiniëring stimuleren, en vooral omdat identiteit ontstaat en groeit uit de samenhang tussen hoe we onszelf ervaren, hoe we onszelf begrijpen en hoe we ons leven doorheen de tijd narratief en autobiografisch vormgeven. Binnen dat geheel vormt gender – zelf al het resultaat van een complex samenspel van factoren – een belangrijk aspect, onlosmakelijk verweven met andere dimensies van het zelf: een samenhangend geheel waarin die verschillende dimensies, ook biologische, wederzijds op elkaar aangrijpen.
Zelfrapportage geeft daarbij toegang tot hoe iemand zichzelf benoemt of ervaart – bijvoorbeeld: ‘ik voel een genderidentiteit’ – maar verwijst niet noodzakelijk naar een afzonderlijke identiteitsstructuur, met andere woorden naar een causale, psychologische, autobiografische en conceptuele structuur waarop die ervaring berust. Bovendien lijkt genderidentiteit diffuser dan veel andere identiteitsvormen, zoals nationale, religieuze of politieke identiteit, en verschuift het begrip sneller tussen verschillende verklaringsniveaus. Zo balanceert het voortdurend tussen neurologische, fenomenologische en sociale betekenissen, tussen juridische en subjectieve definities, en tussen performativiteit en essentialisering. Het is dan ook niet verrassend dat de notie genderidentiteit incoherent wordt gebruikt in academische teksten, activistische contexten en beleidsdocumenten.
Kan men wel zinvol spreken van genderidentiteit? Of beperkt men zich beter tot de notie genderbeleving, of eenvoudigweg tot gender? ‘Genderidentiteit’ laat zich weliswaar eenvoudig fenomenologisch beschrijven: het begrip verwijst naar een relatief stabiele configuratie waarin iemand zichzelf belichaamd, gesitueerd en relationeel ervaart in de wereld met betrekking tot gender. Maar precies die fenomenologische beschrijving kan ook een schijn van afgrensbaarheid en zelfstandigheid oproepen die moeilijk vol te houden is. Daarom is het antwoord op de vraag ‘Wat is uw genderidentiteit?’ minder eenvoudig dan het lijkt. Veel mensen zouden wellicht niet kunnen expliciteren waarom ze hun antwoord geven. Ze zouden antwoorden: ‘Dat ben ik gewoon’. En wat daarin tot uitdrukking komt, is gender, en meestal zal dat man of vrouw zijn. Niet zonder reden, gezien de structurele coherentie tussen gender en sekse. Het onderscheid tussen beide is epistemisch van aard, niet ontologisch[3]; een persoonlijke conclusie weliswaar, zonder aanspraak op originaliteit, maar dat is stof voor een ander essay.
Toch lijkt men vaak uit te gaan van een ander mensbeeld: dat identiteit bestaat uit losse onderdelen die men afzonderlijk kan kiezen en combineren – een genderidentiteit hier, een culturele identiteit daar. Dat model is aantrekkelijk, omdat het vrijheid en flexibiliteit suggereert. Het doet echter weinig recht aan hoe identiteit in werkelijkheid functioneert. En het draagt een gevaar in zich.
_Essentialisme, constructivisme en reïficatie
Sommige lezers zullen het voorgaande afdoen als semantische haarkloverij. Maar is dat wel zo? Zodra gender als identiteit wordt opgevat, dreigt het begrip te verschuiven van iets wat men ervaart en benoemt naar iets wat wezenlijk is. Bovendien draagt het begrip identiteit, vanuit zijn genealogische ontwikkeling binnen de westerse denktraditie, een hardnekkige connotatie van essentie en dus van een bepalende innerlijke vaste kern met zich mee, ook al wordt dit tegengesproken door hedendaagse inzichten over identiteitsvorming.
Vanuit een taalfilosofisch perspectief[4] schuilt het gevaar vooral in de neiging van identiteitsbegrippen om performatief te functioneren. In de traditie van John L. Austin (1911–1960)[5] beschrijven performatieve uitspraken niet louter een werkelijkheid; ze helpen haar te veranderen of zelfs tot stand te brengen. Zodra gender als identiteit wordt benoemd, ontstaat het risico dat een dynamische en moeilijk afgrensbare ervaring gaandeweg wordt gestabiliseerd tot een sociaal en institutioneel verankerde werkelijkheid, die vervolgens normatief en ontologisch gaat functioneren.
Dat ziet men paradoxaal gebeuren in een aantal hedendaagse anti-essentialistische benaderingen – vooral binnen bepaalde poststructuralistische en radicaal constructivistische tradities – die zich expliciet verzetten tegen het idee dat begrippen in het algemeen, inclusief waarheid, werkelijkheid en kennis, zouden verwijzen naar stabiele onderliggende structuren of inherente kenmerken. In hun meest radicale vorm mondt dit uit in een vorm van epistemologisch relativisme, of zelfs nihilisme, waarin waarheid, kennis, maar ook identiteit en gender hun onderscheidende betekenis en geldigheid dreigen te verliezen.Tegelijk ziet men in de praktijk en in activistische contexten vaak het omgekeerde gebeuren. Wie het discours volgt, merkt een duidelijke interne spanning: wat theoretisch als fluïde, contextafhankelijk en geconstrueerd wordt voorgesteld, zoals genderidentiteit, krijgt in de praktijk een vaste en normatief rigide invulling, alsof het een stabiele en ondubbelzinnige entiteit betreft.
Hier treedt een bekend mechanisme op: wat oorspronkelijk als sociale en discursieve constructies werd opgevat, wordt gaandeweg behandeld alsof het een op zichzelf bestaande entiteit is – een vorm van reïficatie die men onder meer aantreft in bepaalde vormen van queerfeminisme, intersectionalisme en critical race theory[6]. De notie identiteit speelt hierin een cruciale rol.
Het denken over gender en identiteit vraagt niet alleen meer nuance, maar vooral meer conceptuele helderheid en epistemische verantwoordelijkheid. 
_Verwijzingen
[1]In overeenstemming met betrouwbare kennis en rationele argumentatie.
[2]Biopsychologische predisposities verwijzen hier naar neurobiologische structuren die aan de basis liggen van psychologische disposities.
[3]Het onderscheid dient om de werkelijkheid te begrijpen, beschrijven of classificeren, zonder te impliceren dat het verwijst naar een afzonderlijke werkelijkheid.
[4]Binnen de taalfilosofie onderzoekt men niet alleen hoe taal betekenis draagt, maar ook hoe taal handelingen verricht en sociale werkelijkheid mee vormgeeft.
[5]Austin, J. L. How to Do Things with Words (1962): klassieke uitwerking van performatieve taalhandelingen binnen de speech act theory
[6]Aanvankelijk richtte CRT zich vooral op juridische analyse en burgerrechten, maar later verbond de stroming zich steeds sterker met intersectionalisme, feministische standpunttheorie en queer theory. Daardoor verschoof de aandacht geleidelijk van louter structurele ongelijkheid naar bredere vragen over identiteit, taal, ervaring en positionaliteit. Critici menen dat deze evolutie soms leidt tot een epistemologisch model waarin identiteit een te centrale rol krijgt in het beoordelen van waarheid en legitimiteit. 
_Aanvullende literatuur
  • Searle, John R. Speech Acts: An Essay in the Philosophy of Language (1969): systematische verdere uitwerking van Austins theorie van taalhandelingen.
  • Piaget, Jean. The Construction of Reality in the Child (1937): klassieke formulering van het epistemologisch constructivisme, waarin kennis wordt opgevat als een actieve constructie door het subject.
  • Berger, Peter L. & Luckmann, Thomas. The Social Construction of Reality (1966): invloedrijk werk binnen het sociaalconstructivisme over over de sociale constructie van maatschappelijke werkelijkheid en instituties.
  • von Glasersfeld, Ernst. Radical Constructivism: A Way of Knowing and Learning (1995): systematische uitwerking van het radicaal constructivisme, waarin kennis wordt opgevat als een cognitieve constructie gericht op viabiliteit, eerder dan op directe correspondentie met een objectieve werkelijkheid.
Kwintessens
Patrick De Reyck is een gepensioneerde leerkracht wiskunde en wetenschappen, met als opleidingen fysica en wijsbegeerte.
_Patrick De Reyck -
Meer van Patrick De Reyck

_Recent nieuws

Bekijk alle nieuwe berichten

_Populair nieuws

Bekijk meer populair nieuws