Florian Jacobs
Benny Madalijns
Non-fictie
  • 1034 keer bekeken
  • minuten leestijd
  • Reacties

Waardering

18 mei 2023 Blijven is nergens. Het Europa van Rilke.
Florian Jacobs studeerde filosofie en literatuurwetenschap aan de Universiteit van Amsterdam en is als filosoof werkzaam bij de Leusdense Internationale School voor Wijsbegeerte. In 'Blijven is nergens' ontpopt hij zich als een bijzonder enthousiasmerende gids doorheen het leven en het werk van Rainer Maria Rilke (1875-1926). De titel van het boek is ontleend aan een citaat van de dichter dat aangeeft hoe wezenlijk het onderweg zijn voor hem was. (p. 228)
Ergens aan het begin van de jaren 1980 bladerde ik in de iconische boekhandel Scheltema op het Rokin in Amsterdam in een vertaling van Rilkes Duineser Elegien uit 1978. Op bladzijde 115 viel mijn oog op slag op de woorden ‘kosmische metaforen’, en om de betoverende naklank van die twee woorden kocht ik het boek meteen. Als ik de brieven mag geloven van zijn mecenas en hartsvriendin Marie von Thurn und Taxis, kwam de eerste zin van die elegieën ‘Wie, als ik riep, zou mij dan horen uit de reien der engelen?’ hem zomaar aanwaaien toen hij werd overvallen door een ongekende vlaag van inspiratie terwijl hij bij haar logeerde in het sprookjesachtige Castello di Duino, ongeveer twintig kilometer ten noordwesten van Triëst. In Duino, schrijft Jacobs, voltooit Rilke in slechts vijfentwintig dagen niet alleen de Elegieën, maar ook schrijft hij alle Sonnetten aan Orpheus – zijn andere meesterwerk. (p. 215)
We kunnen gerust spreken van de wonderbaarlijkste maand uit Rilkes schrijversleven. Alsof een bovenwereldse stem hem een magistrale woordenstroom had toegeroepen in het geloei van een niet te bedwingen innerlijke storm: Wie, als ik riep, zou mij dan horen uit de reien der engelen? En stel eens, één nam mij plotseling aan het hart: ich verginge von seinem stärkeren Dasein [Rilke, de eerste elegie van Duino, p. 218].
Rilke krijgt deze voorwaar bezielende ingevingen in 1912, het jaar waarin de oceaanstomer Titanic tegen de ijsberg vaart, L’après-midi d’un faune van Claude Debussy en Pierrot Lunaire van Arnold Schönberg in première gaan, het verhaal Tarzan van de apen voor het eerst wordt gepubliceerd in het pulp-tijdschrift All-Story Magazine en het bolsjewistische partijblad Pravda voor het eerst verschijnt. De seculariserende westerse samenleving heeft sinds de metaforische dood van God, zoals de Duitse filosoof Nietzsche hem omschrijft, in die dagen duidelijk behoefte aan nieuwe mythologieën en het is aan nieuwerwetse zieners en kunstenaars om die alsnog te creëren. Om aan dat inzicht tegemoet te komen, poogt de rusteloze passant Rilke via zijn gedichten evenzeer de wereld te herscheppen. Volgens hem moet de mens zich eindeloos aanpassen aan een voortdurend veranderende wereld. Juist de verandering maakt haar waardevol. Jacobs’ boek biedt ons een bijzonder interessante kijk op de wereld waarin zijn oeuvre tot stand kwam: het Europa van een dikke honderd jaar geleden.
Geboren in Praag, tot bloei gekomen in Parijs en schrijvend in zowel het Duits als het Frans, is Rilke overigens een van de meest Europese schrijvers. (p. 13)
Rilkes poëzie laat je de wereld opvatten als een waardevolle plek waar alles met elkaar verbonden is. Schuilt hierin dan niet de kracht van ware poëzie: je anders laten kijken naar de wereld? Filosofie onderzoekt de wereld zoals die is, poëzie onderzoekt de wereld zoals we die ervaren. Beelden en metaforen zijn krachtiger in het begeleiden van de mens dan welke argumentatie dan ook. Rilke zet ons aan het denken over onze plaats in de wereld. Hij is bij uitstek een schrijver die zijn lezers steeds herinnert aan wie ze zouden willen zijn, of alleen al aan het gegeven dat ze iemand willen zijn. Hij attendeert ons doorlopend op een wereld die groter is dan onze alledaagse omgeving: Aarde! Onzichtbaar! Wat, als niet verandering, is je dringende opdracht? (Negende elegie, p. 23)
Rilke is zeer zeker een van de meest gelezen Duitstalige dichters. Er zijn poëzieliefhebbers die zijn werk nog hoger inschatten dan het allerhoogste. Ze omschrijven hem graag als de lyrische dichter-filosoof van de verstilling. Rilke beschrijft meermaals de plaats van de dichter tussen de mensen: de dichter is een zingende tovenaar die iets onbeheersbaars, dat wat buiten onze macht ligt, verandert in een gezang dat iedereen aangaat. (p. 220)
Volgens Jacobs steekt Rilkes meesterwerk De elegieën van Duino de grootste filosofische werken naar de kroon. Maar hij wijst er ons tevens op dat Rilke boven alles een zwerver was, die graag en veel doorheen Europa reisde. Wie Rilke zegt, zegt dus niet alleen concentratie en toewijding, maar ook rusteloosheid. Hij was een rusteloze ziel, letterlijk en figuurlijk. Een vaste standplaats had hij nauwelijks, zijn hele leven lang is hij door Europa getrokken, met als belangrijkste stopplaatsen de kunstenaarskolonie Worpswede, waar hij met zijn echtgenote woonde, Parijs, waar hij secretaris van Auguste Rodin was, en Duino, waar hij zijn beroemde elegieën schreef. Als hij een lange tijd niet kon reizen verstomde hij volledig; zoals tijdens de Eerste Wereldoorlog toen hij Duitsland niet uit mocht.
Om Rilke beter te begrijpen volgt Jacobs hem op zijn reizen. In dit literair-filosofische reisverslag bezoekt hij de plekken die voor Rilke van belang waren en bereist hij vastberaden de landschappen die in zijn geschriften voorkomen. Zoals de nomade trekt van pleisterplaats naar pleisterplaats, zo reist Rilke van doordacht en doordicht landschap naar het volgende. Sommige landschappen ervaart hij als onuitputtelijk; daarheen keert hij vaker terug. (p.17)
Jacobs’ biografie is uitstekend gedocumenteerd, zeer onderhoudend en betrekt tal van biografisch geduide gedichten in het verhaal. Dat laatste is mijns inziens zeer instructief, want zo leren we zijn gedichten kennen vanuit zijn levensverhaal, vandaag de dag een opmerkelijke tekortkoming in nogal wat al te absolute biografieën. Door hem na te reizen leert hij ons Rilke kennen als een onaffe, ploeterende, proberende en altijd (her)beginnende zoeker. Iemand voor wie worden steevast ook veranderen omvat. Net zoals reizen met zich meebrengt dat je ergens anders uitkomt. Op die manier worden we als lezer deelgenoot aan een ontzettend fascinerende reis: de vanuit de waarneming aangestuurde transformatie van het stoffelijke naar het immateriële. En omgekeerd. Enkel en alleen door aandachtig te kijken en nog eens kijken kunnen we uiteindelijk tot een zuiver en authentiek zien komen. Enkel zo kon Rilke de tumultueuze tijd waarin hij leefde en werkte maximaal observeren en analyseren. Een wereld en een dichtkunst in beweging: van werkelijkheid naar mogelijkheid, van verwelking naar bloei, van realiteit naar ideaal. (p. 23)
Rilke leerde dat méér dan zien, naar eigen zeggen, van de Franse kunstenaars Rodin en Cézanne. Dat zien voorbij het kijken kreeg in de eerste plaats zijn weerslag in zijn enige roman: De aantekeningen van Malte Laurids Brigge. Nadat hij het boek - met de beroemde openingszin: hierheen komen de mensen dus naar toe om te leven, ik zou eerder denken dat men hier zou sterven – in januari 1910 in Parijs heeft voltooid gaat hij dadelijk en nog rustelozer op zoek naar nieuwe landschappen die hem op nieuwe ideeën kunnen brengen. Hij trekt van stad naar stad, van land naar land. Leipzig, Jena, Berlijn weer Leipzig, Weimar, weer Berlijn, Rome enzoverder enzovoort. Het hele voorjaar van 1910 akkert Rilke door Europa en overal verblijft hij hooguit enkele weken. (p. 196)
Treffend is een citaat van de Oostenrijkse schrijver Stefan Zweig. Zweig en Rilke hadden elkaar in Parijs ontmoet in 1909 en in de jaren daarna zouden ze mekaar meermaals treffen in de Franse hoofdstad. Over die ontmoetingen schreef Zweig, die Rilke uitermate bewonderde, later in zijn autobiografie De wereld van gisteren: Maandag 17 maart 1913. [...] Rilke, die uit Ronda komt, is helemaal bruin geworden, jongensachtig is ook zijn manier van lachen, zijn mooie beweeglijkheid. [...] Later gaan we nog naar mijn hotel, Rilke doet een verhaal over het bekende schilderij in Palermo, een dodendans, Verhaeren zet zijn theorieën uiteen over het ontstaan van de Franse schilderkunst. Het is werkelijk een genot deze mensen bij je te hebben, goed en geniaal als ze zijn; onvergetelijke uren die overal aan het leven raken. Wat kan ik goed meevoelen met Rilke als hij zegt dat hij zich elke keer bij terugkomst in Parijs afvraagt waarom hij eigenlijk op reis gaat, terwijl hier toch alles te vinden is! [...] Het mooiste was met Rilke in Parijs te gaan wandelen, want dat betekende dat je ook het meest onbeduidende als met plotseling geopende ogen in zijn betekenis zag; hij nam elke kleinigheid waar. (p. 123)
Wie met Rilke door Parijs wandelt, ziet dan wel (ver voorbij het kijken) naar ogenschijnlijk onbeduidende details, zoals Zweig schreef, maar laat de overbekende highlights duidelijk links liggen. Rilke selecteerde blijkbaar streng en eigenzinnig. In het niet noemen van iconische plekken was hij kennelijk een kei. Zo komen we de Eiffeltoren nergens tegen in zijn brieven, net zomin als, bijvoorbeeld, de toren van Pisa en de stadsmuren van Lucca, terwijl hij die plaatsen wel degelijk bezocht vanuit Viareggio. Zou hij zich dermate geërgerd hebben aan het gedrag van nogal wat Parijsbezoekers dat hij bewust niet schreef over de plekken die iedere toerist wel zou noemen? (p. 114)
Dat soort (over)gevoeligheden leidde geregeld tot onvrede en allerlei ongemakken. Naar het voorbeeld van zijn romanpersonage Malte Laurids Brigge, een jonge Deen, de laatste telg uit een adellijk geslacht, die in de eerste jaren van de twintigste eeuw heel eenzaam en armoedig in Parijs woonde, toont Rilke zich in zijn correspondentie vaak als een regelrechte zeurpiet, die worstelde met het leven en de alledaagse omgang met anderen. Het aantekeningendagboek van Brigge blijkt in existentiële vertwijfeling ver vooruit op andere boeken, die pas na de Tweede Wereldoorlog zouden verschijnen. Malte begraaft zich in zijn aantekeningen op zijn Parijse zolderkamer zoals Franz Kafka’s Josef K. zich begraaft in zijn voorstellingen van het proces dat hem wordt aangedaan. En net als Josef K. is ook Malte aan het eind van het boek geen stap dichter bij een uitweg. In Maltes dagboek vol herinneringen, uitweidingen en citaten verwerkte Rilke absoluut veel autobiografisch materiaal. Rilke beschreef de ellende van de kleine man in de grote stad en dook regelmatig in zijn eigen verleden. (p. 188)
Met dit wetenswaardige en aantrekkelijke boek schreef Jacobs een originele en begeesterende mix van reisverhaal, biografie, inleiding en interpretatie, die je meeneemt door het Europa van Rilke en konsoorten. Het aardige is dat de schrijver alsnog een geloofwaardige afstand houdt van de door hem zo bewonderde dichter. Hij twijfelt er nergens aan om er ons op te wijzen dat Rilke zo nu en dan wel erg dramatisch en moeilijk uit de hoek kon komen. Dat zorgt voor een prettige, lichte verteltoon, die zich evenwel nergens afzet van de grandeur, de pracht en de schoonheid van Rilkes werken. Rilke rijgt werkelijk pareltjes van beschrijvingen aaneen. Hij streeft onophoudelijk naar een voltalligheid waaraan niets ontbreekt. (p. 189)
Naar mijn aanvoelen beseft Florian Jacobs maar al te goed dat (vooruit)zieners als Rilke in de raadselachtige samenleving - die hen vaak als oerbedreigend overkomt en zich aan de controle van het individu lijkt te onttrekken – blijvend op zoek waren naar een manier om zichzelf en de wereld in oneindigheid van identiteit uit te drukken. De filosoof componeert in zijn boek een schrijver die blijft geloven in het ware menselijke, de menselijke waarheid die diep verscholen ligt in vereenzaamde personages. Zodra we Maltes nee tegen de wereld afwijzen, hebben we ons een ja tegen de wereld eigen gemaakt, schrijft hij. Want wie ja wil zeggen tegen de wereld, moet er zich in onderdompelen en er zich niet van afkeren. Gebeurlijk via de omweg van de dubbele negatie. (p. 191)
Afijn. Zoals hij in zijn testament had vastgelegd wordt Rilke begraven in Raron, een gemeente in het Zwitserse kanton Wallis. Op een ijskoude 2 januari 1927 verzamelen enkele vrienden en bekenden zich om hem naar zijn laatste rsutplaats te begeleiden. Het graf van Rilke is net zo weinig alledaags als de dichter was: hij ligt er moederziel alleen, onder een klein, vreemd aandoend kruis met zijn initialen erop en een aantal frisse bloemen. Het geheel ademt een eigenzinnigheid uit die we maar al te goed van hem kennen. Hij lijkt zijn eigen nagedachtenis tot in de puntjes te hebben uitgedacht. Tot zover Rilke, tot zover deze ‘unieke, volkloze, dakloze, merkwaardige mens’, zoals de Oostenrijkse schrijver Hugo Von Hofmannsthal hem een paar dagen na de begrafenis noemt. Op het einde van zijn leven had hij geen volk gevonden, maar wel een huis. (p. 361)
Geen idee welk boek je mee moet nemen op je volgende vakantie? Wel, Blijven is nergens is een prima boek dat fijnproevers als jullie zeker dienen te lezen. Mogelijk in één van Rilkes, in dit boek bijzonder knap en smaakvol beschreven, tijdelijke verblijfplaatsen. Het wordt er alvast volop genieten, want lezers maken nu eenmaal een boek. Ook op reis.

Benny Madalijns
Florian Jacobs
Benny Madalijns
Non-fictie
Madalijns is van opleiding Leraar Beeldende Kunsten en doctor in de Archeologie & Kunstwetenschappen. Hij is schrijver van amper te publiceren verhalen over denken & doen, zoals het boek 'Ondanks alles / Malgré tout' (ASP). En schilder & collagist van zo maar wat bedenkingen van geest & gemoed. Hij is ondervoorzitter bestuursorgaan Instelling Morele Dienstverlening Vlaams-Brabant. (Foto: Jean Cosyn - VUB)
_Benny Madalijns -
Meer van Benny Madalijns

_Van zelfde auteur

_Nieuwste recensies

Bekijk alle nieuwe recensies