6 februari 2026
Vlaamse vergezichten
In ‘Vlaamse vergezichten’ onderzoekt Erwin Mortier de culturele en literaire geschiedenis van Vlaanderen aan de hand van plaatsen, teksten en figuren die verbonden zijn met zijn eigen afkomst. Het boek bestaat uit een reeks essays waarin literatuurgeschiedenis, familiale herinnering en reflectie over taal en landschap met elkaar worden verweven. Mortier situeert zijn verkenning nadrukkelijk in en rond het Land van Nevele en Gent, de regio waarin hij in 1965 werd geboren.
Aan het begin van het boek richt Mortier zich rechtstreeks tot de lezer. Hij omschrijft zijn project als een “spiegelbeeld in ruimte en tijd” en als een “literaire collage”, waarin hij zijn eerste leeswereld verkent. Het boek wil inzicht bieden in de ideeën die eerdere generaties hebben gevormd, maar die volgens Mortier ook beklemmend en zelfs verwondend hebben gewerkt. Tegelijk presenteert hij deze essays als een terugblik op zijn land van herkomst en als een boodschap gericht op de toekomst, voorbij de grenzen van zijn eigen bestaan.
Een belangrijk uitgangspunt vormt de ontdekking dat Jozef Lodewijk Tessely, een voorvader langs moederszijde, in 1864 secretaris was van een literaire vereniging in Nevele. Mortier gebruikt deze figuur om terug te keren naar de vroege Vlaamse taalbeweging. Over Tessely schrijft hij dat deze de liefde voor de eigen taal zag als een hefboom tot volwaardig burgerschap en als een instrument van intellectuele, sociale en politieke emancipatie binnen België.
Mortier roept deze vroege retorica-cultuur niet abstract op, maar via een uitgesproken scenische beschrijving. In het openingsessay evoceert hij een zomeravond in 1864, wanneer in Nevele een optocht door de hoofdstraat trekt ter ere van een retorica-wedstrijd:
“Op een zomeravond in 1864 schrok een deftig gezelschap in een herenhuis te Nevele bij Gent op door straatrumoer. (…) Een optocht trok door de hoofdstraat voorbij. (…) Vaandels wapperden, erepenningen rinkelden, trofeeën weerkaatsten het vlammenspel van toortsen.” (p. 13)
Het moment culmineert in de toespraak van de secretaris en medestichter van de vereniging, Jozef Tessely, die Mortier typeert als “een blakende flamingant”:
“Ja, mijne heren en vrienden, geliefde taalbroeders, in weerwil van al de folteringen die men ons doet onderstaan, zullen wij voortgaan in het vereren en beminnen onze moedertaal: ‘In Vlaanderen Vlaams! Leve Vlaanderen!’” (p. 14))
In deze scène wordt zichtbaar hoe taal tegelijk inzet, ritueel en collectieve bezieling is. Mortier maakt hier voelbaar wat elders in het boek analytisch wordt uitgewerkt: de emancipatorische kracht van taal, maar ook de neiging tot retorische oververhitting die ermee gepaard kan gaan.
In deze scène wordt zichtbaar hoe taal tegelijk inzet, ritueel en collectieve bezieling is. Mortier maakt hier voelbaar wat elders in het boek analytisch wordt uitgewerkt: de emancipatorische kracht van taal, maar ook de neiging tot retorische oververhitting die ermee gepaard kan gaan.
Deze historische evocatie verbindt Mortier met zijn eigen familiale context. Hij beschrijft hoe aan moederskant veel verzwegen werd en hoe die cultuur van zwijgen zijn verhouding tot taal heeft bepaald. Schrijven verschijnt hier als een manier om om te gaan met die spanning tussen spreken en zwijgen, tussen overlevering en afstand. De fascinatie voor woorden krijgt betekenis tegen de achtergrond van wat niet werd uitgesproken.
In meerdere essays onderzoekt Mortier de invloed van het katholicisme op het Vlaamse culturele leven. Hij bespreekt de teloorgang van de negentiende-eeuwse retorica-genootschappen en stelt dat zij werden vervangen door stichtelijke verenigingen en vrijetijdsclubs die volgens hem hebben bijgedragen aan een bewuste verschraling van het culturele landschap, nog voor dat landschap ten volle tot ontwikkeling was gekomen.
Een centrale plaats neemt Cyriel Verschaeve in. Mortier beschrijft hoe diens geschriften een prominente plaats innamen in de boekenkast van zijn grootouders en citeert uitvoerig uit zijn werk. Verschaeve fungeert hier als voorbeeld van de verstrengeling van katholieke moraal, flamingantisme en sympathie voor het nationaalsocialisme. Mortier laat geen twijfel bestaan over zijn afwijzing van deze ideologische combinatie en van de taal waarin zij werd uitgedrukt.
Die ideologische confrontatie blijft bij Mortier niet beperkt tot het culturele veld. In zijn essaybundel keert hij ook terug naar een pijnlijke vaststelling binnen zijn eigen familiegeschiedenis. Hij vermeldt hoe een latere verwant — in scherp contrast met de negentiende-eeuwse taalemancipatie van Jozef Tessely — tijdens het interbellum of de oorlogsjaren maar al te graag meegetrokken werd in de Vlaams-nationalistische sympathie voor Hitler-Duitsland. Deze constatering wordt niet uitgesponnen, maar werkt in het boek zowaar als een morele breuklijn: zij dwingt Mortier om de Vlaamse taalstrijd niet alleen als emancipatorisch project te lezen, maar ook als een traditie die vatbaar bleek voor autoritaire en destructieve verleiding. De persoonlijke betrokkenheid verleent zijn kritische houding tegenover nationalisme hier extra scherpte en geloofwaardigheid.
Daartegenover bespreekt hij figuren als Cyriel Buysse, die volgens Mortier maar al te goed begreep dat sociale en politieke emancipatie in Vlaanderen vaak gepaard ging met intellectuele beperkingen, onder meer door de dominante rol van kerk en christendemocratie.
Deze benadering maakt duidelijk dat Vlaamse vergezichten weinig bevestiging biedt voor een Vlaams-nationalistische lezing. Mortier stelt zich expliciet kritisch op tegenover nationalisme en katholicisme, die volgens hem het gevoels- en geestesleven in Vlaanderen totaal en doelbewust hebben vertroebeld. Ook waar hij de inzet voor taalemancipatie erkent, koppelt hij die los van ideologische vereenvoudiging.
Het landschap speelt in Vlaamse vergezichten een structurerende rol. Mortier noemt zichzelf een “topofiel” en besteedt veel aandacht aan het Leielandschap en aan de schrijvers en kunstenaars die zich daar vestigden. Karel van de Woestijne krijgt ruime aandacht, vooral vanwege zijn natuurbeschrijvingen en zijn plaats binnen de Vlaamse literatuur van het begin van de twintigste eeuw.
Mortier koppelt deze landschappelijke beschouwingen doelbewust aan sociale en taalkundige tegenstellingen: de verhouding tussen een verfranste burgerij en een volkstalige bevolking, en de strijd voor erkenning van het Nederlands als cultuur- en onderwijstaal, onder meer aan de Gentse universiteit. Naast Nederlandstalige auteurs bespreekt hij ook Franstalige schrijvers met Gentse wortels, zoals Franz Hellens en Suzanne Lilar, die hij opneemt in een bredere, meertalige literaire context.
Het boek sluit af met een essay over Oostende tijdens de Belle Époque en de breuk die het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog betekende. Mortier beschrijft de stad als ontmoetingsplaats van een internationale elite en verweeft deze beschrijving met verwijzingen naar figuren als Stefan Zweig en James Ensor. De oorlog markeert hier het einde van een cultureel en maatschappelijk tijdperk.
Ik heb Vlaamse vergezichten met aandacht en genoegen gelezen.
Het is een inhoudelijk breed en zorgvuldig opgebouwd boek, grondig gedocumenteerd en stevig verankerd in de Vlaamse literaire geschiedenis. De veelheid aan stemmen, de uitvoerige citaten en de zorg waarmee Mortier landschap, taal en literatuur met elkaar verbindt, maken van deze essays een erudiet en gelaagd geheel. De stijl is precies, soms ironisch, soms scherp, en nooit vrijblijvend. De lectuur vraagt concentratie, maar ze loont: dit is een boek dat de lezer binnenleidt in een zorgvuldig opgebouwde reflectie over taal, cultuur en afkomst. Juist door die combinatie van belezenheid, historische diepgang en persoonlijke betrokkenheid heb ik dit boek als bijzonder overtuigend ervaren.
Ik geef het graag vier sterren mee.
Benny Madalijns