9 februari 2026
Venus en Minerva. De passies en het denken in het oeuvre van Markies de Sade
De Markies de Sade blijft een moeilijke figuur voor wie vrijheid en rede ernstig neemt. Niet alleen vanwege de expliciete scènes die zijn werk doorkruisen, maar vooral omdat zijn teksten een vorm van denken tonen waarin morele normen hun bindende kracht verliezen zonder te worden vervangen. Ze presenteren geen alternatief moreel kader en bieden geen correctie. Wie Sade leest, wordt geconfronteerd met de consequenties van een wereldbeeld waarin geen hogere instantie meer functioneert.
In Venus en Minerva benadert Koenraad Verrycken Sade niet als provocateur of literair curiosum, maar als auteur bij wie verlangen en denken structureel met elkaar verbonden zijn. Zijn uitgangspunt is dat Sades teksten niet alleen choqueren, maar ook redeneren, en dat die redeneringen een eigen samenhang vertonen. Erotiek en filosofie verschijnen niet als tegengestelden, maar als twee zijden van dezelfde beweging.
Deze benadering wordt in de inleiding ingebed in een lange traditie van denken over eros. Verrycken vertrekt bij Hesiodus, voor wie Eros een oerkracht is die goden en mensen uit hun rationele identiteit losrukt. In Plato’s Symposium krijgt deze kracht een nieuwe betekenis: eros wordt er een opstijgend proces dat van lichamelijke begeerte voert naar het schouwen van het Schone. Verlangen wordt er geordend, gezuiverd en vergeestelijkt.
Ook in de moderne tijd blijft deze idee van zelfoverstijging werkzaam. Bij Casanova verandert de onverzadigbare erotiek in reflectie over het eigen Ik. Verlangen wordt zelfonderzoek. Tegen deze achtergrond positioneert Verrycken Sade: niet als breuk met deze traditie, maar als haar radicalisering. Bij Sade mondt de zelfoverstijging van eros niet uit in kennis of zelfinzicht, maar in wreedheid, geweld en systematische perversie. Zoals Verrycken het kernachtig formuleert: “In Sades ‘filosofie’ transformeert de eros zich tot ‘sadisme’ en meer.” (Inleiding, p. 11)
Vanuit deze genealogie ontwikkelt Verrycken zijn interpretatiekader. Hij leest Sades oeuvre langs twee polen: Venus en Minerva. Venus staat voor drift, lichamelijkheid en genot; Minerva voor reflectie, argumentatie en theorie. Deze tweedeling fungeert niet als verklarend schema, maar als instrument om verschuivingen binnen het oeuvre zichtbaar te maken. Wat doorgaans als praktische en theoretische filosofie wordt onderscheiden, raakt bij Sade steeds nauwer verweven.
Deze structuur wordt in de inleiding uitgewerkt in vier centrale stellingen.
Ten eerste verdedigt Verrycken de these dat Sade als filosoof gelezen moet worden, niet alleen in zijn betogende passages, maar ook in zijn narratieve structuren. De vaak als pornografisch weggezette verhalen bevatten volgens hem een eigen filosofische logica. Ze vormen geen bijproduct van het denken, maar maken er integraal deel van uit.
Ten tweede stelt hij dat Sades denken tegelijk een filosofie van de erotische passies én een theoretisch radicaal materialisme is. Eros en natuurdeterminisme versterken elkaar. De mens verschijnt bij Sade immers als dienaar van Venus én van Minerva: van wellust én van inzicht.
Ten derde ontwikkelt hij de idee van een hiërarchie binnen zowel Venus als Minerva. Net zoals bij Plato verschillende niveaus van eros bestaan, onderscheidt Sade volgens Verrycken gradaties van begeerte en van inzicht. Sterkere naturen worden voortgedreven naar extremere vormen van genot en radicalere vormen van denken.
Ten vierde beschouwt hij La Nouvelle Justine – Histoire de Juliette als de voltooiing van deze ontwikkeling. In dit werk versmelten erotiek, antropologie en natuurfilosofie tot één samenhangend systeem. De spanning tussen praxis en theorie bereikt hier haar meest uitgewerkte vorm.
Deze vier stellingen worden verbonden door het motief van Venus en Minerva, dat bij Sade samenvalt met de dualiteit tussen verhaal en betoog, tussen orgie en dissertatie. In die dubbele structuur ziet Verrycken de sleutel tot Sades denken.
Binnen deze lezing wordt Sade gesitueerd tegen de achtergrond van het achttiende-eeuwse materialisme, met name bij La Mettrie en d’Holbach. Waar bij deze denkers genot nog rationeel wordt gereguleerd, voert Sade hun uitgangspunten consequent door. Als de mens volledig door natuurwetten wordt bepaald en geen hogere norm erkent, vervalt elke externe begrenzing. Het materialisme krijgt zo een uitgesproken erotisch en gewelddadig karakter.
Die verschuiving heeft directe gevolgen voor de verhouding tussen theorie en praxis. Atheïsme en determinisme blijven bij Sade niet beperkt tot abstracte posities, maar worden omgezet in leefregels, opvoedingsmodellen en sociale structuren. Amoralisme en hedonisme verschijnen niet als persoonlijke afwijkingen, maar als logische consequenties van het wereldbeeld. Theorie rechtvaardigt handelen; handelen bevestigt de theorie.
In dat verband krijgt ook de didactische structuur van Sades teksten gewicht. De libertijn verschijnt niet alleen als figuur van excess, maar ook als opvoeder. Verlangen wordt aangeleerd, gecultiveerd en gereproduceerd. Wat met enige voorzichtigheid een school van losbandigheid kan worden genoemd, functioneert als pedagogische ruimte waarin lichamen, rede en macht met elkaar worden verweven.
Kenmerkend voor Verryckens methode is zijn nadruk op directe tekstlezing. Hij baseert zich in de eerste plaats op Sades werken zelf en laat de secundaire literatuur grotendeels buiten beschouwing. Daarbij werkt hij met eigen vertalingen. Deze keuze versterkt de precisie van zijn interpretatie.
De kracht van Venus en Minerva ligt in de consequente uitwerking van deze aanpak. Verrycken vermijdt zowel morele verontwaardiging als esthetische verleiding. Hij reconstrueert de interne logica van de teksten zonder ze te verzachten of te legitimeren. Sade verschijnt niet als monster, maar evenmin als vrijheidsicoon. Hij verschijnt als denker die zijn uitgangspunten zonder terughoudendheid doordenkt.
Tegelijk roept deze coherente lezing een probleem op. Door Sade als auteur van een steeds duidelijker filosofisch project te presenteren, bestaat het risico dat het ontwrichtende karakter van zijn schrijven gedeeltelijk wordt afgevlakt. Andere interpretaties benadrukken juist hoe Sade elk systeem tot het punt van implosie drijft. Waar die lezingen de destructieve kracht van het oeuvre beklemtonen, legt Verrycken de nadruk op samenhang.
Deze spanning wordt in het boek niet ontkend. Venus en Minerva presenteert zijn interpretatie niet als sluitend, maar als een weloverwogen voorstel.
De inleiding werpt bovendien licht op de late ontwikkeling van Sades denken, met name op het verloren gegane Les Journées de Florbelle ou la Nature dévoilée. Hier wilde Sade expliciet de eenheid van praktijk en theorie tot programma maken. Naast de beschrijving van excessen moest een systematisch natuurdiscours verschijnen. Venus en Minerva zouden er definitief naast elkaar staan.
Dit perspectief versterkt Verryckens centrale these dat in Sades late werk het denken even belangrijk wordt als de passies. De fakkel van Minerva gaat er even fel branden als die van Venus. Totale wellust vraagt om totale theorie.
De slotpassage van de inleiding maakt duidelijk dat dit boek ook een existentieel project is. Verrycken situeert zijn fascinatie voor Sade in een leeservaring uit zijn jeugd en presenteert zijn studie als filosofisch essay. Het is geen louter academisch werk, maar het resultaat van een langdurige intellectuele confrontatie.
In een vrijzinnig-humanistische context ligt de waarde van deze studie precies in die houding. Het boek biedt geen verzoenende antwoorden. Het laat zien wat er gebeurt wanneer een materialistisch denken zonder morele rem wordt doorgevoerd. Sade verschijnt niet als voorbeeld, maar als gevalsstudie. Een zin uit La Philosophie dans le boudoir vat deze inzet wellicht perfect samen: « La nature n’a créé les hommes que pour qu’ils jouissent de tout sur la terre. » — Markies de Sade, La Philosophie dans le boudoir (1795), in: Œuvres complètes, ed. Michel Delon, Paris, Gallimard, Bibliothèque de la Pléiade, t. III, p. 87.
Verryckens boek maakt duidelijk wat er ons te wachten staat wanneer men deze zin niet als provocatie leest, maar als filosofisch uitgangspunt.
Neen, dit is voorwaar geen boek dat de lezer geruststelt. Het vraagt om aandacht, concentratie en morele weerbaarheid. Maar het beloont die inspanning met een zeldzaam consequente analyse van een auteur die zich niet laat temmen. Het toont dat Sade niet alleen schokt, maar denkt — en dat dit denken ons nog altijd confronteert met vragen die wij liever ontwijken.
Benny Madalijns