Laurens ten Kate
Benny Madalijns
Non-fictie
  • 28 keer bekeken
  • minuten leestijd
  • Reacties

Waardering

16 februari 2026 Wereldtijd. Essay over de vraag van de vreemdeling
Dit boek is geschreven door Laurens ten Kate, een Nederlandse filosoof en godsdienstwetenschapper die al geruime tijd pleit voor een hedendaagse, niet-dogmatische vrijzinnigheid. Religie verschijnt bij hem niet als systeem van waarheden, maar als een existentieel register dat — na zijn metafysische ontmanteling — opnieuw filosofisch productief kan worden gemaakt. Die inzet is bepalend voor dit boek en loopt niet samen met mijn eigen denkpistes.
Als atheïst beschouw ik religie helemaal niet als een noodzakelijk register om de menselijke conditie te denken, maar als een historisch vocabulaire dat filosofisch perfect kan worden losgelaten — een overtuiging die ik deel met denkers als Richard Dawkins, voor wie religie geen diepte toevoegt maar verklarende helderheid eerder vertroebelt. Dat verschil in uitgangspunt bepaalt dan ook mijn lectuur van Wereldtijd.
Wat de titel precies betekent, wordt pas gaandeweg de lectuur duidelijk. De ondertitel is daarentegen meteen expliciet: het boek handelt over ‘de vreemdeling’, of nauwkeuriger — zoals Ten Kate zelf benadrukt — over ‘de vraag van de vreemdeling’. Al in de openingspagina’s formuleert hij het probleem scherp: “Ieder verlangt naar verbondenheid: je hoort bij je familie, gemeenschap, volk of natie. Maar er is dan ook altijd iemand die er níet bij hoort: de vreemdeling.” (p. 9–10) Het vertrekpunt is de migratie- en vluchtelingenproblematiek die onze wereld en onze tijd onder druk zet. 
Volgens Ten Kate is die problematiek urgent, maar niet fundamenteel nieuw. De impact van de vreemdeling op ons wereldverstaan reikt verder terug. Dat inzicht draagt het boek, dat zich expliciet presenteert als een deconstructie. Een vreemdeling is voor Ten Kate niet louter iemand die buiten onze identiteit valt. Zijn verschijnen doet dat wel, maar breekt tegelijk binnen in die identiteit en ontmaskert haar als constructie. De vreemdeling is ons vreemd, maar hij is vooral onze gelijke — niet omdat hij op ons lijkt, maar omdat ook wij vreemdelingen zijn. Wij zijn allen vreemdelingen.
Om dat te begrijpen grijpt Ten Kate terug naar wat de invloedrijke Duitse psychiater en existentialistisch filosoof Karl Jaspers, die kritisch stond tegenover dogmatische religie en theologie, maar wel openstond voor het transcendentale, de ‘axiale tijd’ noemde: de eeuwen rond het midden van het eerste millennium vóór onze jaartelling. 
In die periode (Jaspers leefde van 1883 tot 1969) voltrokken zich in uiteenlopende culturen gelijktijdige omwentelingen die de mens losmaakten uit zijn vanzelfsprekende inbedding in stam, natuur en goden. De mens leerde zichzelf verstaan als individu tegenover een wereld. ‘Wereld’ werd object, een universum waartegenover men zich geplaatst weet. Dat zelfverstaan is structureel dat van een vreemdeling.
Die scheiding betekent echter geen louter verlies. Zij vormt de voorwaarde voor een band. Ten Kate spreekt hier van een bond of separation: een verhouding waarin mensen juist als vreemdelingen met elkaar verbonden zijn. Vanuit dit perspectief leest hij ook onze huidige omgang met migranten en vluchtelingen. Niet zij vormen het probleem, maar onze onwil om in hen te herkennen wat wij zelf zijn. De vreemdeling, zo schrijft Ten Kate, “laat zich niet wegsturen en blijft aandringen: ga met mij een band aan, ook al hebben we helemaal geen band.” (pp. 10–11) In die aandrang ligt de kern van zijn betoog.
Volgens Ten Kate kan deze confrontatie niet worden begrepen binnen een louter ethisch kader. De vreemdeling stelt ons niet alleen voor morele plichten, maar breekt gewelddadig binnen in onze identiteit. Dat geweld kan niet worden geneutraliseerd zonder iets wezenlijks te verliezen. Daarom introduceert hij een religieus register. Niet als terugkeer naar geloof of metafysica, maar als een manier om het ‘heilige’ karakter van dit verschijnen te denken. Dat dit geen losse terminologie is, blijkt wanneer hij expliciet stelt: “De vraag van de vreemdeling kan niet worden beantwoord binnen het kader van regels en procedures alleen; zij raakt aan wat traditioneel ‘heilig’ werd genoemd.” (p. 42)
Hier wordt het verschil in uitgangspunt tussen auteur en lezer scherp zichtbaar. Waar Ten Kate volhoudt dat deze openheid slechts adequaat kan worden gedacht in termen van heiligheid en religie, blijft voor mij de vraag open of dit register noodzakelijk is, dan wel een krachtige maar niet onproblematische metaforiek vormt. Die vraag loopt mee door de rest van het boek.
Met Émile Benveniste wijst Ten Kate erop dat het heilige van oudsher verbonden is met wat buiten de gemeenschap staat. De heilige is de indringer. In die zin is de vreemdeling structureel heilig: zijn verschijnen deconstrueert onze eigenheid. Dat geldt niet in morele zin, maar in formele zin. Ook waar de vreemdeling gewelddadig, kwaadaardig of misdadig is, blijft zijn verschijnen een epifanie die ons wereldverstaan ontwricht.
Hier raakt het boek aan zijn scherpste inzet. Samenlevingen moeten zich beschermen tegen feitelijk geweld, maar het verschijnen van de vreemdeling is als zodanig nooit geweldloos. Tegen dát geweld mogen wij ons niet beschermen. Integendeel: wij moeten het toelaten. Rond die onmogelijke eis cirkelt Wereldtijd.
Ten Kate articuleert die eis onder meer in dialoog met Emmanuel Levinas. Voor Levinas verschijnt de waarheid in het gelaat van de ander. Elke poging om de ander te begrijpen, lijft hem in in de ‘économie du Même’ en miskent zijn radicale andersheid. De ander breekt gewelddadig binnen in mijn wereld en ruïneert haar. Dat geweld moet onvoorwaardelijk worden toegelaten. Alleen zo opent zich een waarheid die niet in het zijn ligt, maar in het autrement qu’être. In die zin is de verhouding tot de ander religieus te noemen.
Tegelijk beroept Ten Kate zich nadrukkelijk op Georges Bataille, en precies daar ontstaat een spanning die het boek voortdurend aandrijft. Ook bij Bataille is het heilige gewelddadig, maar hier staat het niet voor waarheid of onvoorwaardelijkheid. Het sacrale stelt de dood aanwezig binnen het leven en moet juist worden afgegrensd om het profane te beschermen. Waar Levinas het geweld van de ander onvoorwaardelijk binnenlaat, tracht Bataille het geweld van het heilige te bezweren.
Het heilige is echter iets anders dan de hemel. Het breekt in, verwart en beangstigt, en fascineert tegelijkertijd. Zo heeft Rudolf Otto het een eeuw geleden al gezegd in zijn boek Das Heilige. ‘Sacraal’, dat andere woord voor heilig, komt van het Latijnse secare, ‘snijden’, ‘kerven’, zo laat Benveniste zien. Het heilige schokt en doet pijn. Bataille schreef er aan het begin van de jaren vijftig van de vorige eeuw een prachtige tekst over. ‘Het heilige in de twintigste eeuw’, aanvankelijk een lezing voor de Franse radio. Hij gaat zover dat hij het heilige een vorm van geweld noemt, dat overigens helemaal geen letterlijk, lichamelijk geweld hoeft te zijn. Het zit, zegt hij, in onze verbeelding, onze dromen, in onze poëzie. ‘Wat de zin voor het heilige beweegt, is de ontzetting; (…) Maar juist dan worden we gegrepen door een soort roes, geestdrift of triomf: iets waarvan het geweld van de poëzie een idee kan geven. (p. 62)
Die twee registers laten zich moeilijk verzoenen. Toch zet Ten Kate ze naast elkaar zonder hun onderlinge incompatibiliteit expliciet te maken. Het boek lijkt tegelijk te pleiten voor een onvoorwaardelijke openstelling voor het geweld van de vreemdeling én voor een denken dat dat geweld als sacrale kracht begrijpt die om afgrenzing vraagt. Deze spanning wordt niet opgeheven, maar houdt het betoog gaande.
Daarin ligt de filosofische betekenis van Wereldtijd. Ten Kate weigert het risico van het kwaad uit zijn denken te bannen en laat zien dat een louter ethische benadering van de vreemdeling tekortschiet. Dat hij daarbij inzet op een hernomen vrijzinnige religiositeit - een religie na haar eigen ontmanteling - markeert zijn positie. Of dat register noodzakelijk is, blijft voor mij een open vraag. Maar dat het boek die vraag onontwijkbaar stelt, staat vast.
Het boek nodigt uit om het onmogelijke te denken: een wereld die stoelt op universeel vreemdelingschap. Niet als verzoening, maar als blijvende ontwrichting. Dat maakt het boek tot een indringende bijdrage aan het hedendaagse filosofische debat over migratie, geweld en wereldvorming.

Benny Madalijns
Laurens ten Kate
Benny Madalijns
Non-fictie
Benny Madalijns is van opleiding Leraar Beeldende Kunsten en Doctor in de Letteren en Wijsbegeerte (PhD, VUB). Hij is schrijver van amper te publiceren verhalen over denken & doen en schilder-collagist van zo maar wat bedenkingen van geest & gemoed. (Foto: Jean Cosyn - VUB)
_Benny Madalijns -
Meer van Benny Madalijns

_Van zelfde auteur

_Nieuwste recensies

Bekijk alle nieuwe recensies