18 maart 2026
Alleenspraak
Bonaventura, geboren als Giovanni di Fidanza (ca. 1217-1274), was een Italiaanse franciscaan, theoloog en filosoof die in de dertiende eeuw uitgroeide tot een van de invloedrijkste stemmen binnen de christelijke traditie. Hij studeerde filosofie en theologie aan de Sorbonne, trad toe tot de franciscaner bedelorde en doceerde daarna aan diezelfde universiteit.
In 1257 werd hij verkozen tot generaal-overste van de franciscanen, een functie die hem bracht tot het schrijven van zijn meest invloedrijke spirituele geschriften. Een jaar voor zijn dood werd hij nog benoemd tot kardinaal-bisschop van Albano en werkte hij mee aan de voorbereiding van het Tweede Concilie van Lyon, waar hij in 1274 overleed. In 1482 heilig verklaard, in 1588 tot kerkleraar verheven met de eretitel doctor seraphicus, 'serafijnse leraar'. Niet weinig voor één ondermaanse zonderling, toch.
Goed, maar wat heeft een atheïst aan zo iemand, vragen jullie zich misschien af. Terechte vraag. Waarom lees ik dit soort boeken, en waarom kan ik ze ook anderen aanbevelen?
Het antwoord ligt niet in het geloof maar in de vragen die Bonaventura stelt. Een mens kan niet gedachteloos leven. Hij moet zijn verlangens onderzoeken, zijn keuzes overwegen en zich afvragen waarop hij zijn leven richt. Die opdracht geldt ook zonder geloof. Met die bril lees ik de Alleenspraak, en met diezelfde bril stel ik het boek met graagte aan jullie voor.
Binnen zijn omvangrijke oeuvre nemen zijn mystieke geschriften een eigen plaats in. Daarin richt hij zich niet in de eerste plaats tot academici, maar tot lezers die hun innerlijke leven willen onderzoeken. Werken als De reis van de geest naar God, De drievoudige weg en De levensboom beschrijven de weg van de ziel naar God als een proces van zuivering en verdieping.
Ook de Alleenspraak, in het Latijn het Soliloquium, staat in die traditie. Het is het eerste van die reeks mystieke geschriften, en naar eigen zeggen van Bonaventura ook het meest toegankelijke: “Een traktaat voor eenvoudigere lezers, geschreven in eenvoudige taal”, zo omschreef hij zijn bedoeling zelf bij de aanvang van het werk.
Deze Nederlandse editie is vertaald en ingeleid door Nicoline Roskam, classicus en kenner van middeleeuws Latijn. Dankzij haar vertaling wordt een tekst uit de dertiende eeuw leesbaar zonder zijn historische eigenheid te verliezen. De inleiding plaatst Bonaventura in zijn tijd en maakt duidelijk wat voor tekst dit is: geen theoretisch traktaat, maar een oefening in zelfonderzoek.
De literaire vorm van de Alleenspraak heeft een rijke voorgeschiedenis. Augustinus schreef zijn Soliloquia rond 386/387 na Christus als innerlijke dialogen tussen de ziel en de rede, met een sterk filosofische inslag. Hugo van St.-Victor schreef in de twaalfde eeuw een alleenspraak over Gods bruidsprijs voor de ziel, een dialoog tussen mens en ziel die Bonaventura aantoonbaar kende en waarbij hij aansloot. Bonaventura's invulling van de vorm is echter zijn eigen.
Daarin zit ook een opvallend verschil met Augustinus. Waar bij Augustinus de beweging verloopt van God naar de ziel, van kennis van God naar kennis van zichzelf, keert Bonaventura die volgorde om. Bij hem begint de weg bij de mens zelf, in het eigen binnenste, om van daaruit op te klimmen naar God. Eerst naar binnen, dan omhoog.
Het is een weg van binnenuit, en precies daarin schuilt iets wat ook de niet-religieuze lezer kan herkennen: de overtuiging dat zelfkennis niet van buitenaf wordt opgelegd maar in zichzelf moet worden bevochten.
Het boek bestaat uit vier geestelijke oefeningen, en de hoofdstuktitels zijn op zichzelf al veelzeggend. In de eerste oefening moet de ziel “de straal van haar contemplatie kaatsen in de richting van haar innerlijk om te zien hoe zij van nature gevormd, door zonde misvormd en uit genade hervormd is.” In de tweede oefening keert die straal zich naar het uiterlijke “om te ontdekken hoe wankel wereldse rijkdom, hoe veranderlijk wereldse verhevenheid en hoe armzalig wereldse grootsheid is.”
De derde oefening richt de blik naar het lagere: “de dood absoluut onvermijdelijk, het Laatste Oordeel ontzagwekkend rechtvaardig en de hellestraf ondraaglijk streng.” En de vierde oefening wendt de contemplatie naar het hogere, “om de twaalf hemelse vreugden te zien.”
Die architectuur is bewust symmetrisch: vier richtingen, vier oefeningen, vier zijden van wat Bonaventura 'het gelukzalige kruis' noemt, waaraan de devote ziel door voortdurende overdenking moet hangen, samen met Christus.
In de eerste oefening staat de mens stil bij zichzelf: zijn oorsprong, zijn waardigheid, maar ook zijn tekort. Het voorwoord opent met een aansporing die de toon van het gehele werk zet: de devote ziel moet “haar geestelijke knieën buigen voor de troon van de meest gelukzalige en ondoorgrondelijke Drievuldigheid” en vragen om sterkende kracht, richtinggevende wijsheid en troostende tederheid. Wie het theologische idioom terzijde legt, hoort daarin iets wat ook de niet-gelovige lezer kent: de erkenning dat een mens er niet in slaagt zichzelf alleen te dragen.
De toon van die eerste oefening laat zich goed illustreren aan de hand van dit fragment:
“Welnu, als door aanraking met het licht van de waarheid, ziel, jouw waardigheid, waarop je tot nog toe geen acht geslagen hebt, jou helder voor ogen staat, en als de zonde waarmee je jouw Schepper ontstemd hebt jou duidelijk is, dan heb je ook begrepen hoe edel je van nature gevormd bent. Verwerf dan nu inzicht in hoe lelijk je door zonde misvormd bent.” (p. 33)
Hier spreekt Bonaventura de taal van de schuld, en wie zonder religieuze bagage leest, voelt toch de zweep. De zonde, de Schepper, de misvorming: het vocabulaire van het tekort is alomtegenwoordig. Schrap de theologie en er blijft een indringende vraag over: wie ben ik werkelijk, en hoe ver ben ik daarvan afgedwaald?
Dat woord 'ziel' vraagt vandaag om enige toelichting. Voor Bonaventura is de ziel het innerlijke centrum van de mens, datgene wat kan kennen, verlangen, kiezen en zich richten op wat het als hoogste goed beschouwt. Wie het begrip theologisch niet deelt, kan het lezen als aanduiding van het innerlijke zelf: het geheel van bewustzijn, morele gevoeligheid en identiteit waarin iemand zichzelf ervaart en oriënteert.
Vanuit die betekenis vraagt Bonaventura de lezer zich niet te verschuilen achter verklaringen of vergoelijkingen, maar eerlijk te kijken naar zijn innerlijke toestand. Het eerste hoofdstuk citeert daartoe Bernardus van Clairvaux: “Veel mensen weten veel, maar kennen zichzelf niet. Ze kijken naar anderen, maar veronachtzamen zichzelf; ze zoeken God in uiterlijkheden en veronachtzamen hun innerlijk, terwijl God daarmee juist inniger verbonden is.”
En dan volgt het devies dat de kern van de gehele Alleenspraak samenvat: “Zo zal ik door zelfkennis tot Godskennis komen.” Voor wie het woord God hier wil vervangen door iets anders, door het goede leven, door morele helderheid, door innerlijke rust, blijft de gedachte even dwingend.
In de tweede oefening verschuift de aandacht naar de verhouding tot de wereld. Wat betekenen rijkdom, eer, macht en genot voor het innerlijke leven? Bonaventura wijst op hun vergankelijkheid en vraagt onderscheid te maken tussen wat tijdelijk is en wat blijvend.
De derde en vierde oefeningen bouwen hierop voort. Bonaventura spreekt over het ordenen van verlangens en het richten van de ziel op God als hoogste doel. Zijn intentie is helder: de mens moet zich zuiveren en zich uiteindelijk verenigen met God. Dat doel wordt niet afgezwakt of symbolisch gemaakt. Het boek wil begeleiden in die richting.
De vierde oefening, die de blik wendt naar de hemelse vreugden, spreekt een eigen taal. Dit fragment geeft de toon ervan weer:
“Dus, wanneer je wordt beproefd door verleidingen, in het nauw gedreven door vervolgingen, overvallen door allerlei rampspoed in deze wereld, verplaats je dan in gedachte naar de hemel en besef dat al deze ellende niets anders is dan stof tot hemelse vreugde. De gedachte aan hemelse beloning vermindert, volgens Gregorius, de kracht van zweepslagen, want als wij ons realiseren welke grote gaven wij in de hemel mogen verwachten, dan verliest alles wat we op aarde bezitten voor ons zijn waarde.” (p. 87)
Voor wie niet in een hiernamaals gelooft, klinkt dit vrij ongemakkelijk. De redenering is in wezen deze: wat jullie hier op aarde overkomt, doet er niet toe, want de echte beloning wacht later. Voor de doorgewinterde levensgenieter, voor wie een goed glas wijn, een mooie zonsondergang of een lang tafelgesprek met vrienden het summum van het bestaan vormt, klinkt dit als een wel erg hoge prijs.
Al dat aardse moois inruilen voor een belofte, hoe hemels ook, vraagt een sprong van het geloof die niet iedereen wil of kan maken. Het blijft toch wat wrang om te lezen dat zweepslagen draaglijker worden als je maar lang genoeg aan de hemel denkt. Maar we zijn anno 2026, en Bonaventura schreef dit in de dertiende eeuw, voor mensen voor wie de hemel geen belofte was maar een absolute zekerheid. Wie rekening houdt met dat welbepaalde tijdscharnier, leest deze zinnen natuurlijk met andere ogen.
Afijn. De vertaling van dit meditatieve werk is helder en precies. De ernst van het origineel blijft voelbaar. Dat is essentieel bij een werk dat niet vluchtig gelezen wil worden maar aandacht vraagt.
De Latijnse tekst van de Alleenspraak is overgeleverd in ruim 250 middeleeuwse manuscripten, overwegend uit de veertiende en vijftiende eeuw, waarvan het overgrote deel zich in het Duitse taalgebied bevindt. De eerste gedrukte editie verscheen in 1484 in Keulen, en vóór het jaar 1500 volgden nog minstens zes andere edities. Die verspreiding zegt iets over de levenskracht van dit werk: het heeft telkens opnieuw lezers gevonden die in de Alleenspraak iets herkenden wat hen aanging.
De Alleenspraak is geschreven vanuit het christelijke geloof van de dertiende eeuw en draagt dat kader ontegensprekelijk mee. Tegelijk blijft het een intrigerend onderzoek van het toenmalige innerlijke leven. De waarde van deze uitgave ligt daarin dat zij die ernst opnieuw tot leven wekt. Ze herinnert eraan dat een mens zijn eigen leven niet zomaar en gedachteloos mag leven, maar telkens opnieuw moet doordenken wie hij is en waarop hij het richt. Dat leven.
Benny Madalijns
Oorsponkelijke titel: Soliloquium
Vertaald en ingeleid door Nicoline Roskam