28 april 2026
Om de menselijkheid van de cultuur
Wie de naam Jan Amos Comenius voor het eerst hoort, denkt wellicht aan een wat gestoffeerde Tsjechische pedagoog die lang geleden enthousiast over schoolmethodes schreef. Dat beeld klopt, maar het dekt nauwelijks waar de man echt voor stond. Comenius (1592-1670) was filosoof, vredesdenker, utopist en iemand die in het Europa van de Dertigjarige Oorlog met een bijna koppige volhardendheid bleef geloven dat kennis, onderwijs en samenwerking de mensheid uit haar zelfverwoestende drift konden verlossen.
Emeritus hoogleraar politieke filosofie Henk Woldring en Comeniologe Els Ruijsendaal schreven samen bij Damon een compact maar gedegen boek over deze figuur: Om de menselijkheid van de cultuur. Het streven naar cultuurvernieuwing bij Comenius, in relatie met rozenkruisers en vrijmetselaars. Het boek telt slechts 124 pagina's maar biedt, naar mijn aanvoelen, aanzienlijk meer dan zijn beknopte formaat doet vermoeden.
Het is opgebouwd uit vier hoofdstukken met elk een eigen invalshoek. Het eerste plaatst Comenius als medegrondlegger van het vroegmoderne Europa en gaat in op zijn cultuurethiek, zijn opvattingen over religieuze verscheidenheid en eenheid, zijn verwantschap met Erasmus en zijn visie op onderwijs als vormend instrument. Het tweede verdiept zijn filosofische grondslagen: het leven in twee werelden, de kritiek op het baconiaanse wetenschapsconcept, de fenomenologie van Husserl als modern contrast en zijn pansofie als kunstwerk. Het derde betrekt de rozenkruisers bij het verhaal: de roep van de Fama, het leven van Christiaan Rozenkruis, de Belijdenis, alchemie, gnostiek en de onvermijdelijke vraag of Comenius zelf een rozenkruiser was. Het vierde hoofdstuk behandelt Comenius en de vrijmetselaars: symbolen en logehandelingen, rituelen, de universele taal, het heliocentrische wereldbeeld en een gedachtenexperiment over wat Comenius in een loge werkelijk gedaan zou hebben.
Centraal in Comenius' denken staat zijn pansofie, zijn levenslange zoektocht naar een allesomvattende wijsheid die alle wetenschappen, alle levensbeschouwingen en alle volken met elkaar zou kunnen verbinden. Het klinkt grandioos, misschien zelfs naief, maar wie het in zijn historische context plaatst, begrijpt waarom juist een man die oorlog, ballingschap en de verbranding van zijn bibliotheek had overleefd, aan dit ideaal bleef vasthouden. Comenius zag hoe Europese geleerden, theologen en politici met hun gecultiveerde kennis en fijnzinnige geschillen er toch niet in slaagden om op eigen bodem iets beters dan langdurig bloedvergieten tot stand te brengen. Zijn oproep was eenvoudig en radicaal tegelijk: wie de samenleving wil verbeteren, moet haar onderwijs, haar wetenschap en haar omgang met verscheidenheid grondig herzien, niet om iedereen over dezelfde leest te schoeien, maar om een gedeeld verlangen naar gerechtigheid en vrede mogelijk te maken.
Als vrijzinnig lezer vind ik in dit project iets fundamenteel sympathieks en tegelijk iets dat mij weerstand geeft. Het sympathieke zit in Comenius' weigering om kerkelijke of staatkundige machtsstructuren als norm voor de menselijkheid te aanvaarden. Hij was geen volgeling van Rome, geen calvinist die de genade voorbehoudt aan de uitverkorenen, geen statist die de kerk beschouwt als verlengstuk van het gezag. Hij was hussiet, en die achtergrond gaf hem een traditie van tolerantie mee die voor zijn tijd uitzonderlijk was. De Boheemse Confessie van 1575 had al een vorm van confessionele coexistentie bepleit die elders in Europa nog decennia op zich zou laten wachten. Comenius was, zo beschouwd, in zekere zin een vrijzinnige avant la lettre, een denker die religieuze verscheidenheid als een gegeven beschouwde dat beheer vraagt, geen uitroeiing.
Maar Woldring en Ruijsendaal verhullen niet dat Comenius zijn hele project stevig verankert in een christelijk normatief kader. Zijn pansofie is uiteindelijk geen neutrale of seculiere wijsheid, maar een christelijk-humanistische synthese, waarin de navolging van Christus en de theologale deugden geloof, hoop en liefde het richtsnoer blijven vormen. Hij was er diep van overtuigd dat wetenschap en onderwijs zonder dit religieuze fundament moreel stuurloos raken.
Voor mij als vrijzinnig humanist is dat een punt waarop ik van hem moet verschillen: het humanistisch project staat naar mijn overtuiging op eigen benen, ethiek heeft geen bovenzinnelijke steun nodig en de menselijke rede is op zichzelf een voldoende basis voor een waardige samenleving. Dat neemt niet weg dat Comenius' waarschuwing tegen een wetenschap die zichzelf tot de enige maatstaf verheft, zijn pleidooi voor een niet-reductionistische benadering van de werkelijkheid, vandaag misschien meer resonantie verdient dan ooit.
Verhelderend en historisch goed gedocumenteerd zijn de hoofdstukken over rozenkruisers en vrijmetselaars. Bij de rozenkruisers vind ik de verwantschap met Comenius overtuigend: het gedeelde verlangen naar een vernieuwde, geestelijk verdiepte wetenschap en een broederschap die boven confessionele grenzen uitstijgt, zijn reëel. De vergelijking met Johann Valentin Andreae, vermeend auteur van de rozenkruismanifesten en een figuur die Comenius hartstochtelijk bewonderde, is bijzonder verhelderend. Andreae werkte van bovenaf, vanuit een geestelijk verheven broederschap die de elite van geleerden en theologen zou moeten vormen en leiden. Comenius werkte van onderop, met zijn Didactica Omnia, onderwijs voor allen, niet alleen voor de bevoorrechten. Dat is een wezenlijk onderscheid dat Woldring terecht in de verf zet.
Hij citeert in dit hoofdstuk de interne regels die de rozenkruisbroederschap zichzelf stelde en die haar eigenaardig concrete, zelfs sobere karakter tonen. De tekst spreekt voor zich:
Intussen formuleerde de broederschap, om haar echte samenhang te handhaven, een reglement waarin de leden het volgende met elkaar overeenkwamen: 1) Geen van de broeders zou een ander beroep uitoefenen dan het genezen van zieken en zij zouden dit kosteloos doen. 2) Niemand zou andere kleding dragen dan in het land van verblijf de gewoonte was. 3) De broeders zouden zich eenmaal per jaar vervoegen bij het huis van hun broederschap, dan wel de reden van hun eventuele afwezigheid laten weten. 4) Elke broeder zou uitkijken naar iemand die hem te zijner tijd zou kunnen opvolgen. 5) De afkorting R.C. (Rosae Crucis) zou hun zegel, wachtwoord en kenmerk zijn. 6) De broederschap zou honderd jaar geheim blijven.
(pp. 68-69)
Bij de vrijmetselaars is de kwestie een ietsje delicater. Nogal wat vrijmetselaars hebben Comenius door de eeuwen heen geëerd als geestelijke grondlegger, maar de zogeheten Krause-lijn, die een directe ideologische verbinding veronderstelde tussen zijn geschriften en de constitutieve teksten van de Engelse vrijmetselarij van 1717, blijkt bij archiefonderzoek niet aantoonbaar.
Een bijkomende nuance die Woldring hier slechts terloops aanraakt maar die voor een volledig begrip onontbeerlijk is, betreft het onderscheid tussen de Angelsaksische en de Latijnse vrijmetselarij.
De Angelsaksische of reguliere vrijmetselarij, met de United Grand Lodge of England als hoedster van de tradities, vereist geloof in een Opperwezen en houdt politieke en religieuze discussies buiten de loge. De Latijnse of niet-reguliere vrijmetselarij, die in Belgie en Frankrijk domineert en waartoe ook het Grootoosten van Belgie behoort, is adogmatisch: ze staat open voor atheisten en agnosten, en beschouwt de vrije discussie over maatschappelijke en filosofische vragen als kern van haar opdracht. Die kloof is niet bijkomstig. Ze bepaalt mee hoezeer een denker als Comenius, met zijn expliciet christelijke kosmologie, al dan niet als inspiratiebron kan gelden voor een specifieke strekking. Woldring had die tweedeling iets scherper mogen articuleren.
Hij stelt in zijn gedachtenexperiment de vraag of Comenius zich in een loge thuis zou hebben gevoeld. Zijn antwoord is genuanceerd en mijns inziens correct: Comenius zou door de vrijmetselaarse principes van universele broederschap en geestelijke verbetering zijn aangesproken, maar zijn streng persoonlijke geloofsovertuiging en zijn diepgewortelde hussitische spiritualiteit zouden hem in de loge vroeg of laat tot een enigszins ongemakkelijke gast hebben gemaakt. De brede menselijkheid die de vrijmetselarij nastreeft, veronderstelt nu eenmaal dat men zijn eigen zekerheid op gepaste afstand houdt. Precies dat laat Woldring de vrijmetselarij zelf verwoorden in een passage die haar wezen misschien beknopter samenvat dan enige historische uiteenzetting zou kunnen:
De vrijmetselaarsloge is geen instantie om zich te verzetten tegen de katholieke of de protestantse kerk, of een andere religieuze organisatie. Vrijmetselarij is een ethisch project, dat werkt met bepaalde symbolen. Een ethisch project is geen systeem van regels, het gaat om een spirituele levenshouding. Deze houding heeft als uitgangspunt de waarde van het menszijn, de waarde die in de mens besloten ligt, de waarde van humaniteit. Het realiseren van het menszijn wordt in maatschappelijke relaties nagestreefd, maar nooit helemaal bereikt. Het nastreven ervan is een voortdurende opdracht, met tegenslagen en teleurstellingen. Daarom zal de vrijmetselaar in al zijn activiteiten en ondanks zijn teleurstellingen zeggen: 'En toch...'.
(p. 94)
Ik heb na het lezen van deze teksten twee kanttekeningen. De uitleg van vrijmetselaarssymbolen in het vierde hoofdstuk is boeiend, maar wordt op momenten wat inventariserend, een reeks beschrijvingen die informeert zonder echt te raken. En de vraag naar Comenius' eurocentrische cultuuropvatting, zijn onwrikbare overtuiging dat Europa de beschaving aan de rest van de wereld te bieden had, en hoe die zich verhoudt tot zijn oprechte streven naar menselijkheid, had naar mijn aanvoelen scherper en langer uitgewerkt mogen worden. Woldring wijst er op, maar laat het er ook snel bij. Dat is een gemis, want juist die spanning raakt aan iets wat ook voor de hedendaagse vrijzinnige beweging actueel is: de verleiding van het eigen beschavingsideaal als universele maatstaf.
Tot slot nog dit. Comenius past mijns inziens niet in een denominationeel hokje: niet in dat van de kerken van zijn tijd, niet in dat van de rozenkruisers, niet in dat van de vrijmetselaars en ook niet in dat van een gesloten christelijk humanisme. Hij bleef een onafhankelijke geest die zijn idealen najoeg tot op hoge leeftijd, ook toen Europa zijn vredesinitiatieven negeerde en de Franse koning met kanonnen deed wat diplomaten met woorden niet klaarspeelden. Dat zijn idealen een diep christelijke grondkleur hadden, vervreemdt mij als vrijzinnige niet van hem. Het dwingt me alleen tot de eerlijkheid dat ik zijn project bewonder zonder het volledig te kunnen onderschrijven, en dat ook dat een vorm van respect is.
Afijn. Waarop wachten jullie om dit bijzonder interessante boek alsnog te lezen?
Benny Madalijns