Mil De Kooning, Stephanie Van de Voorde, Ellen Van Impe
Benny Madalijns
Non-fictie
  • 19 keer bekeken
  • minuten leestijd
  • Reacties

Waardering

17 juni 2026 Willy Van Der Meeren. VUB: From Static to Dynamic
Willy Van Der Meeren had een hekel aan het woord architectuur en een nog grotere aan het woord design. Hij sprak liever over bouwkunst: de kunst om met eenvoudige materialen als triplex, golfplaten, staal en beton maximale resultaten te bereiken voor wie niet kon betalen wat kwaliteit gewoonlijk kost. Dat sociale credo liep als een rode draad door zijn hele loopbaan, van zijn meubelcollectie voor ‘Tubax’ in Vilvoorde (1950-1954) via zijn sociale hoogbouw ‘Ieder zijn Huis’ in Evere tot zijn ‘studentenkoten’ op de VUB-campus. Dat hij vandaag vooral voor die laatste wordt herdacht, is de paradox van zijn nalatenschap.
From Static to Dynamic, samengesteld door Mil De Kooning, Stephanie Van de Voorde en Ellen Van Impe, vertelt dat verhaal in zijn volle breedte: Van Der Meeren als bouwer, als docent aan de VUB, als ontwerper van meubels die nu in musea staan terwijl hij ze voor iedereen toegankelijk had willen zien, en als architect die mee vorm gaf aan de campus. Het boek telt zestig korte hoofdstukken, telkens opgesteld in het Nederlands, Frans en Engels, wat het voor een breed publiek toegankelijk maakt. Het is overigens de tweede publicatie in een reeks van drie over de VUB-campus, na het Braem-boek uit 2025.
Van Der Meeren (Lebbeke, 1923 - Jette, 2002) studeerde aan La Cambre bij de modernisten Louis-Herman De Koninck en Victor Bourgeois, van wie hij naar eigen zeggen respectievelijk het métier en de filosofie van het bouwen leerde. Vanaf 1970 doceerde hij aan de VUB en ontwierp er de prefab-studentenkoten die in 1973 in een duizelingwekkend tempo werden opgetrokken, negen modules per dag, de kraan zette ze neer terwijl de toespraken nog bezig waren. Het Nieuwsblad kopte destijds droog: “Blokkers in blokken”.
De modules waren gebaseerd op het Zwitserse Stucky-prefabsysteem, maar Van Der Meeren had het grondig omgewerkt. Twee type A-modules op elkaar gaven een bijna kubisch volume; per verdieping deelden vier kamers een keuken en een badkamer, de lichte invulwanden gevuld met zand als akoestische isolatie. Vijf wooneenheden, elk in een opvallende kleur (geel, blauw, rood en grijs), verbonden door slingerende paden en kleine cul-de-sacs: het werd niet voor niets jarenlang het ‘Club Med’ van de campus genoemd. Van Der Meeren vertaalde de lessen van Mei '68 in steen en beton: een inplanting die gemeenschap bevorderde en sociale controle van buitenaf bemoeilijkte.
Ik woonde er zelf tijdens het academiejaar 1976-77, bovenaan in een gele module, type A, krek tegenover de middellijn van het voetbalveld. De universiteit bestond toen zes jaar en de campus droeg dat jonge, ruwe, zoekende karakter nog zichtbaar met zich mee. De koten pasten in dat geheel alsof het niet anders kon, wat achteraf gezien de sterkste test is voor een architectuuridee: dat je je een campus zonder hen niet meer kunt voorstellen.
De koten zouden er decennialang blijven staan, tot verval en verouderde bouwvoorschriften de sloop onafwendbaar maakten, zo leek het. De onderzoeksgroep Architectural Engineering van de VUB, onder leiding van Niels De Temmerman en Waldo Galle, zag in de modulaire structuur precies wat Van Der Meeren er had ingelegd: aanpasbaarheid. "Neem die wanden weg en je kunt gewoon opnieuw beginnen", was Galles samenvatting. 
Twaalf voormalige studentenkamers werden door MAKER architecten omgebouwd tot het WVDM Living Lab, op basis van het zogeheten kit-of-parts-principe: omkeerbare componenten, herbruikbare materialen, een bouwschil die meebeweegt met veranderende noden. Inmiddels zijn 56 bijkomende kamers gerenoveerd volgens dezelfde strategie, en in januari 2026 won het project de Henry van de Velde Environment Silver Award, uitgereikt in Bozar.
De drie auteurs vullen elkaar mijns inziens goed aan. De Kooning, hoogleraar architectuur aan de Universiteit Gent en decennialang de voornaamste kenner van Van Der Meerens oeuvre, levert de architectuurhistorische diepgang. Van de Voorde, hoofddocent Architectural Engineering aan de VUB, brengt de bouwculturele dimensie in: de wisselwerking van kennis, techniek en vakmanschap die in Van Der Meerens werk zo kenmerkend aanwezig is. Van Impe, onderzoeksmedewerker bij het Centrum voor Academische en Vrijzinnige Archieven (CAVA) van de VUB, put uit de archiefgeschiedenis van de universiteit.
Samen schrijven ze een werk dat verder reikt dan een monografie. Het is een reflectie over wat het betekent om voor veranderende noden te bouwen, en over de manier waarop erfgoed levend blijft niet door te conserveren maar door te transformeren.
Afijn. Voor wie ooit in een van die kleurrijke modules heeft gewoond, is dit meer dan architectuurgeschiedenis: het is een stuk van de eigen biografie, teruggevonden tussen tekst en beeldmateriaal. Maar ook wie de VUB kent als student of alumnus zonder er zelf gewoond te hebben, wie zich interesseert voor naoorlogs modernisme of voor de actuele debatten rond circulair bouwen, vindt hier een rijk en zorgvuldig gedocumenteerd werk.
 
Mijn alma mater mag voorwaar trots zijn op deze publicatie.
Leve de Geus.
 
Benny Madalijns
Mil De Kooning, Stephanie Van de Voorde, Ellen Van Impe
Benny Madalijns
Non-fictie
Benny Madalijns is van opleiding Leraar Beeldende Kunsten en Doctor in de Letteren en Wijsbegeerte (PhD, VUB). Hij is schrijver van amper te publiceren verhalen over denken & doen en schilder-collagist van zo maar wat bedenkingen van geest & gemoed. (Foto: Jean Cosyn - VUB)
_Benny Madalijns -
Meer van Benny Madalijns

_Van zelfde auteur

_Nieuwste recensies

Bekijk alle nieuwe recensies