24 juni 2026
Speuren naar het wezen van Hadewijch. Brieven en visioenen in historisch-religieus perspectief
De geschiedenis is voor mij een spiegel. Wie er lang genoeg in tuurt, ziet er de eigen tijd in weerspiegeld. Bij het lezen van Rudi Malfliets jongste boek viel mij iets anders op. Soms kon ik in die spiegel ook gewoon lachen.
Malfliet noemt zijn voorwoord 'De zaak-H.?' De term komt uit Frits van Oostroms Geschiedenis van de Nederlandse Literatuur. Van Oostrom schreef dat de vraag naar Hadewijchs band met ketterij onbeantwoord blijft, want er zijn geen documenten voor of tegen. Die onopgeloste vraag noemt hij de zaak-H. Met dit boek wil Malfliet dat dossier eindelijk openen, op basis van Hadewijchs eigen teksten.
In het voorwoord schetst hij hoe het gangbare beeld van Hadewijch ontstond: het gaat terug op de jezuïet Jozef van Mierlo, die vroeg in de twintigste eeuw stelde dat Hadewijch zonder twijfel een trouwe dochter van de Kerk was. Overal waar zij over God of haar Geliefde schreef, las hij Jezus Christus.
Toen onderzoekster Marie Hélène van der Zeyde in 1934 een andere lezing voorstelde, kreeg ze van Van Mierlo kort en bondig te horen dat alles wat nieuw was, gewoonweg fout was. Die uitspraak gold daarna decennialang als een soort eindvonnis. Ik kon er, eerlijk gezegd, niet echt om lachen, en toch ook wel een beetje.
Malfliet wijst op een tegendraadse traditie die altijd is blijven bestaan. De dichter Albert Verwey noemde Hadewijch al in 1917 een 'ketter'. Later kwam er kritiek van de Cambridge-onderzoekster Saskia Murk-Jansen op Van Mierlo's lezing. Malfliet plaatst ook zijn eigen boek uit 2013 in die lijn, een lijn die door de gevestigde Hadewijch-filologie steeds opnieuw is weggewuifd.
De methode is wat dit nieuwe boek onderscheidt. Malfliet zet zijn achtergrond als theoretisch fysicus in: hij start met objectieve vragen, zoekt de antwoorden in Hadewijchs eigen teksten, en laat die antwoorden weer nieuwe vragen oproepen, om pas op het einde tot conclusies te komen. Concreet: Hadewijch lezen met Hadewijch, niet met Van Mierlo.
De inhoudsopgave leest als zo'n dossier. Na het voorwoord en een inleiding over religieuze vrouwen in de dertiende eeuw, volgt deel I: Hadewijchs theologie van de minne, vertrekkend bij de eenheid van God in drie personen. Deel II plaatst haar denken naast Joachim van Fiore en de ketterijbestrijding van haar tijd, tot bij de ketterse begijnen van de veertiende eeuw. Deel III zoekt naar de historische Hadewijch, mogelijk de afgezette abdis Helwigis van Hocht, of misschien wel drie namen voor één vrouw.
Dat het boek begint bij een drie-eenheid van God en eindigt bij een drie-eenheid van namen, lijkt me geen toeval. Het is zo'n kleine knipoog die een lijvige studie net dat tikkeltje lichtheid geeft.
Een hoofdstuk dat me blijft achtervolgen, gaat over de ketterse begijnen van de veertiende eeuw. Malfliet onderzoekt hoe het Concilie van Vienne van 1312 en de ketterij van de Vrije Geest zich verhouden tot Hadewijchs geschriften. Ook Jan van Ruusbroec werd later, door Jean de Gerson, van ketterij beticht. Misschien gaat het daarbij al om opvattingen die bij Hadewijch te vinden zijn.
Wat me hier vooral treft: niet de inhoud van een mystieke ervaring maakte verdacht, maar de vorm. Een ervaring die buiten de kerkelijke hiërarchie om werd beleefd en doorgegeven. Dat patroon zie ik doorheen de eeuwen telkens terugkeren, wanneer een instituut zijn gezag bedreigd voelt. Oordeel gerust zelf:
Wie zijn die verfoeilijke 'begijnen' die hier genoemd worden? Ook Hadewijch noemt 'begijnen', maar wel in haar Lijst van volmaakten!
Walter Simons heeft de vroegste begijnenbeweging in België gedegen in kaart gebracht, en ook voor Nederland en Duitsland zijn er gedetailleerde studies voorhanden. Hieruit blijkt dat het fenomeen 'begijn' zich reeds ca. 1200 vooral in het Duitse Rijk heeft gemanifesteerd, waartoe ook Brabant hoorde. Met name Keulen valt daarbij op als een groot centrum. Begijnen zijn zonder twijfel bijzonder, omdat de beweging vooral uit vrouwen bestond, soms aangevuld met mannen, zogenoemde begarden. Een dergelijke religieuze beweging heeft ongetwijfeld ook een vrouwelijke reflex in een door mannen gecontroleerde samenleving, zowel op religieus als op wereldlijk vlak. De natuurlijke behoefte aan eigenheid werd nog versterkt door de sociale veranderingen als gevolg van de intellectuele, sociale en culturele renaissance in de twaalfde eeuw.
Hoe gaat een samenleving met een dergelijk fenomeen om? Vanuit de mannelijke gestructureerde autoriteit is er in het begin sympathie, die echter omslaat in verzet als het fenomeen zich over grenzen waagt, die door het magisterium vastgelegd zijn. Naast de Kerk, spaarden ook schrijvers als Gauthier de Coincy, Willem van Saint-Amour, Rutebeuf en Jean de Meung hun kwetsende kritiek niet. Niet alle begijnen, enkel de meest uitgesproken kritische vrouwen onder hen, breken het mannelijke cordon. Dit zijn voor de Kerk, ongetwijfeld de verfoeilijke ‘ketterse begijnen’.
[een citaat uit Hoofdstuk 8, Wie waren de ketterse begijnen uit de veertiende eeuw?, p. 171]
Deze passage maakt voor mij iets duidelijk dat verder reikt dan de Middeleeuwen: de scheidslijn tussen orthodoxie en ketterij lag minder bij de inhoud van het geloof dan bij de vraag wie daarover het laatste woord had, een mechanisme dat ik doorheen de geschiedenis steeds weer zie terugkeren. Het brengt me bij het hoofdstuk dat ik het meest verrassende van het boek vind, Op zoek naar de historische Hadewijch, waarin Malfliet de aandacht verlegt van de ideeën naar de vrouw zelf die erachter schuilgaat.
Malfliet volgt het spoor van paus Honorius III tot de afzetting van abdis Helwigis van Hocht in 1227. Ik voelde altijd lichte ergernis over het gemak waarmee Hadewijchs biografie in nevelen bleef gehuld, en hier wordt die nevel niet zomaar aanvaard, maar onderzocht.
IN DE HUIDIGE LITERATUUR over de mystica Hadewijch wordt ons consequent verteld dat deze onbekende vrouw een dertiende-eeuwse Brabantse begijn moet zijn geweest. Men volgt daarin alweer het bijna honderd jaar oude spoor van Van Mierlo. Hoe moeten we ons een dertiende-eeuwse begijn voorstellen? Waarom van Brabantse komaf? Hoe past een begijn bij de tegendraadse vrouw, wiens hoogstaande religieus-intellectueel profiel in de voorgaande delen van deze studie ontrafeld is?
Voor de aanname van Brabantse begijn zijn geen directe bewijzen, behalve dat het past binnen het kerkelijk kader. Anderzijds moet men toegeven dat pogingen om een beter historisch profiel voor Hadewijch te concretiseren, niet hebben geleid tot een bevredigend resultaat. Er wordt een kandidate gezocht met de naam 'Hadewijch' of iets wat erop lijkt, die op zichzelf genomen plausibel zou zijn. Maar de proef op de som, namelijk de noodzakelijke toetsing van het historisch profiel aan de hand van kenmerkende elementen in Hadewijchs geschriften, is onvolledig of gebaseerd op additionele aannamen. En dat geldt ook voor een Brabantse begijn. Wellicht heeft een andere invalshoek bij het onderzoek meer kans op succes.
Het enige werkbare startpunt is dat aanwijzingen over Hadewijchs identiteit, die passen bij haar religieus profiel, toch besloten liggen in haar teksten, met name in haar Lijst van volmaakten. De Lijst functioneert als een plattegrond van Hadewijchs historisch-religieuze leefomgeving en de weg die ze gevolgd heeft. Deze 'Hadewijch' moet vervolgens geconfronteerd worden met herkenbare karakteristieken uit het leven van de schrijfster Hadewijch, zoals die zich manifesteren in haar literaire corpus: de Brieven, de Strofische Gedichten, en de Visioenen.
[een citaat uit Hoofdstuk 9, Op zoek naar de historische Hadewijch, pp. 187-188]
Malfliet spreekt in zijn historisch onderzoek steevast van waarschijnlijkheid, niet van zekerheid, alhoewel ik, naarmate het boek vorderde, niet kon ontkomen aan de indruk dat Hadewijch voor mij als lezer langzaam maar zeker transformeerde van een icoon naar een vrouw van vlees en bloed, die op een bepaald moment met een machtige instelling in conflict kwam en daar de gevolgen van moest dragen.
Wie geen binding meer heeft met het geloof waarin Hadewijch leefde, zou weinig houvast verwachten in zo'n boek. Toch is het tegendeel waar. Malfliet laat zien hoe een interpretatie eeuwenlang als vaststaand gold, niet omdat ze beter onderbouwd was, maar omdat ze door de juiste mond was uitgesproken en daarna herhaald werd. Dat patroon overstijgt de Hadewijch-filologie ruimschoots.
Malfliet maakt van een dertiende-eeuwse begijn opnieuw een gesprekspartner voor wie zich vandaag afvraagt waar het eigen geweten ophoudt en waar de macht van een instituut begint, en dat is, mijns inziens, de eigenlijke verdienste van dit boek: het laat Hadewijch een vraag stellen die mij, terwijl ik het las, allesbehalve gedateerd is voorgekomen.
Benny Madalijns