Johan Reijmerink
Benny Madalijns
Non-fictie
  • 17 keer bekeken
  • minuten leestijd
  • Reacties

Waardering

21 oktober 2026 Wat zich aan het oog onttrekt
Johan Reijmerink is literatuuronderzoeker en poëzierecensent. Bij Gompel&Svacina publiceerde hij eerder ‘Met het oog op het eeuwige’ uit 2023 en ‘Rondom de verwondering’ uit 2025. In ‘Wat zich aan het oog onttrekt’ brengt hij twaalf beschouwingen samen over Europese dichters, schrijvers en schilders, van het midden van de negentiende eeuw tot vandaag.
Bij elk van hen speurt Reijmerink naar een spirituele, mystieke of transcendente dimensie die, bewust of onbewust, aansluit bij het denken van de Zwitserse psychiater Carl Gustav Jung. Met zijn ondertitel verwijst hij naar Über das Geistige in der Kunst, het essay dat Wassily Kandinsky in 1911 voltooide.
Een sleutelbegrip haalt Reijmerink bij Jung, die de term participation mystique overnam van de Franse antropoloog Lucien Lévy-Bruhl. Jung bedoelde daarmee een onbewuste verbondenheid met de werkelijkheid, die ook de moderne lezer ervaart wanneer hij zich helemaal in een gedicht of schilderij opgenomen voelt. Wanneer bewuste en onbewuste inhouden elkaar in een symbool ontmoeten, spreekt Jung van een numineuze ervaring, en naar mijn aanvoelen vormt dat begrip de rode draad doorheen het hele boek.
Binnen het bestek van deze recensie maak ik een persoonlijke keuze uit de twaalf beschouwingen. Ik beperk me tot drie auteurs die voor mij als lezer en als kunstwetenschapper zeer belangrijk waren en nog altijd zijn, Antoine de Saint-Exupéry, Hermann Hesse en Paul Snoek, en voeg er met Michel Houellebecq een vierde aan toe, omdat ik hem al jaren graag lees. De andere acht hoofdstukken beveel ik de lezer evengoed aan.
In zijn openingsbeschouwing benadert Reijmerink Le Petit Prince uit 1943 vanuit verschillende perspectieven, met Jung als vast referentiepunt. Saint-Exupéry verloor op zijn vierde zijn vader en op zijn zeventiende zijn jongere broer François. Reijmerink acht het aannemelijk dat hij vanaf dat verlies zocht naar wat God en liefde voor hem konden betekenen, buiten elke kerkelijke leer.
Bijzonder verhelderend vind ik hoe Reijmerink het sprookje naast Citadelle legt. Reijmerink beschouwt dat onvoltooide, in 1948 postuum uitgegeven manuscript als het geestelijk testament van de schrijver. Wie in Citadelle een stad bouwt, bouwt aan zijn eigen innerlijk, en God verschijnt er als de knoop die alle dingen met elkaar verbindt.
Vanuit die gedachte leest Reijmerink de lantaarnopsteker en de ene eigenzinnige roos: de kleine prins vindt betekenis in een begrensde relatie en in de zorg voor wat hij tam gemaakt heeft.
Met Jungs begrippen gesproken laat Saint-Exupéry ons volgens Reijmerink achter zijn persona kijken en maakt hij ons deelgenoot van zijn schaduw. Zelf lees ik de zorg voor de roos vooral als een ethiek van verantwoordelijkheid.
Daarna sta ik stil bij de beschouwing over Hermann Hesse, die Reijmerink opent met de Chileense diplomaat Miguel Serrano. In C.G. Jung and Hermann Hesse. A Record of Two Friendships uit 1966 tekende Serrano op hoe Hesse het sterven vergeleek met een terugkeer in Jungs collectieve onbewuste.
In 1916 belandde Hesse in een diepe crisis onder meer door de oorlog en de dood van zijn vader. In 1916 en 1917 volgde hij een analyse bij Josef Bernhard Lang, een leerling van Jung. In datzelfde jaar 1916 schreef Hesse het sprookje Der schwere Weg, waarin Hesse-onderzoekers een door de psychoanalyse gekleurde weerspiegeling van die crisis herkennen.
Reijmerink ziet in dat sprookje de richting die Hesses schrijverschap na 1916 zou nemen, en naar mijn aanvoelen schreef Hesse Demian uit 1919 in het verlengde daarvan. In De scheppende mens onderscheidt Jung een psychologische manier van scheppen, gevoed door de dagelijkse ervaring, van een visionaire manier, die put uit het onbewuste. Reijmerink rekent Hesses werk van na 1916 tot die tweede soort.
In het slothoofdstuk, over de Vlaamse dichter Paul Snoek, vertrekt Reijmerink van Arthur Rimbauds verlangen om ziener te worden. Hij volgt Snoek van zijn debuut Archipel uit 1954 tot de postume bundel Schildersverdriet uit 1982, en steunt daarbij op De zwarte doos van Icarus, de studie die Frans Depeuter in 1990 aan Snoek wijdde.
Centraal staat het derde titelloze gedicht uit de afdeling ‘De zilveren dichter’ in Nostradamus uit 1963. Samen met Hercules uit 1960 en Richelieu uit 1961 beschouwt Reijmerink die bundel als het hoogtepunt van Snoeks dichterschap. Hij toont hoe Snoek de wereld van de ziener Nostradamus en die van de filosoof Spinoza tot symbolen van zijn profetisch dichterschap maakte.
Ik waardeer de eerlijkheid waarmee Reijmerink de grenzen van zijn benadering benoemt. Depeuter stelde vast dat Snoek Jungiaans geladen woorden nergens zo vaak gebruikte als in Nostradamus, maar Snoek nam zelf nooit begrippen als individuatie of zelfwording in de mond, en niemand kon aantonen dat hij Jung gelezen heeft. Ik lees de analyse daarom als het blootleggen van een verwantschap, en op dat niveau vind ik ze overtuigend.
Met bijzondere belangstelling las ik ten slotte het hoofdstuk over Michel Houellebecq.
In Les particules élémentaires uit 1998 vertelt Houellebecq het leven van de halfbroers Michel Djerzinski, een moleculair bioloog, en Bruno Clément, die door hun moeder verwaarloosd werden. Houellebecq laat het verhaal optekenen door een gekloonde verteller uit de toekomst, en met zijn onderzoek opent Djerzinski de weg naar een nieuwe soort die de mensheid vervangt. Houellebecq hekelt er de maatschappij van na mei 1968 en haar New-Agespiritualiteit.
Met de titel ‘Overlevingskansen van het individu’ legt Reijmerink de vinger op de kernvraag van de roman. Reijmerink schrijft: 
“(…) Dat boek is van meet af aan omstreden vanwege het progressief individualisme en libertinisme. Het is niet alleen een sociaalpsychologische, maar ook een sciencefictionachtige roman. Hij kijkt vanuit eind eenentwintigste eeuw terug op het verhaal van de halfbroers uit de tweede helft van de twintigste eeuw. Zijn bewonderaars beschouwen hem als de geniale schrijver van het fin de siècle. Zijn tegenstanders zien in hem een ontspoorde idealist, een racist, een door seks geobsedeerde gek. In 2005 volgt er dan de roman Mogelijkheid van een eiland. Deze roman is een vervolg op Elementaire deeltjes. Het is een gedachte-experiment, waarin Houellebecq zich afvraagt hoe we ons de brave new world bevolkt door ‘nieuwe mensen’ in de praktijk moeten voorstellen.”
(Citaat Reijmerink, p.171)
Kan een mens in Jungs zin nog tot zichzelf komen in een samenleving waarin mensen tot losse deeltjes herleid worden? Bruno lijkt naar mijn aanvoelen in die individuatie te mislukken, terwijl Michel het lijden oplost door het individu af te schaffen.
Als trouwe lezer van Houellebecq waardeer ik dat Reijmerink een schrijver opneemt die de modieuze spiritualiteit van zijn tijd zo genadeloos ontmaskert. In die schurende verhouding tussen Houellebecq en het thema van het boek zie ik het meest uitdagende hoofdstuk van de bundel.
Van de acht andere hoofdstukken geef ik hier nog een korte indruk.
Na zijn vlucht naar Zwitserland bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog werkte de Russische schilder Alexej von Jawlensky in reeksen, van de Mystische Köpfe tot de Meditationen. Geïnspireerd door de Russische iconentraditie zag hij in het menselijk gelaat de enige geldige vorm voor religieus gevoel. In dat steeds terugkerende, tot enkele lijnen herleide gelaat herken ik wat Jung een archetypisch beeld zou noemen.
Martinus Nijhoff debuteerde in 1916 met De wandelaar. Reijmerink volgt in de dagdroom van die wandelaar de vluchtige verschijning van een ontluikend dichterschap.
In Homo Faber uit 1957 doet de Zwitserse ingenieur Walter Faber, een man die alleen op techniek en waarschijnlijkheid vertrouwt, verslag van zijn liefde voor de jonge Sabeth, die zijn eigen dochter blijkt te zijn. Reijmerink leest de roman van Max Frisch vanuit Jungs begrip van de schaduw.
Arnold Böcklin schilderde tussen 1880 en 1886 vijf versies van Die Toteninsel, een rotseiland met cipressen waar een roeiboot aanlegt. Reijmerink beschouwt het eiland als een plaats van bewustwording.
De in februari 2026 overleden Cees Nooteboom wijdde aan Francisco de Zurbarán essays, gebundeld in Zurbarán & Cees Nooteboom uit 1992, en een gedicht. Reijmerink spreekt in dit verband van een transcenderend moment.
Ferdinand Hodler schilderde zijn geliefde Valentine Godé-Darel van haar ziekbed tot na haar dood in 1915, en Reijmerink onderzoekt hoe sterven en onsterfelijkheid in zijn werk samenkomen.
De Zweedse dichter Tomas Tranströmer, Nobelprijswinnaar in 2011, werkte beroepshalve als psycholoog, en Reijmerink onderzoekt de wisselwerking tussen droom en werkelijkheid in zijn poëzie.
René Magritte schilderde in 1929 La trahison des images, de pijp met het onderschrift ‘Ceci n’est pas une pipe’. Reijmerink zoekt naar het spirituele in Magrittes werk, en zelf situeer ik het mysterie precies in die kloof tussen beeld en ding.
Over het geheel genomen schrijft Reijmerink helder en belezen, en hij verweeft zijn analyses met eigen herinneringen, zodat ook een lezer zonder voorkennis van Jung hem goed kan volgen.
Een kanttekening wil ik toch maken. Wie twaalf zo verschillende kunstenaars door één Jungiaanse lens bekijkt, loopt het risico hun eigenheid te verkleinen, en Reijmerink erkent zelf dat Jung weinig literatuur las en dat Snoeks band met Jung onbewezen blijft. Mijns inziens vangt Reijmerink dat risico grotendeels op door telkens van de concrete tekst of het concrete doek te vertrekken.
Reijmerink plaatst elk werk bovendien zorgvuldig in de tijd en het leven van de maker. ‘The past is a foreign country: they do things differently there.’ Met die zin opende L.P. Hartley in 1953 zijn roman The Go-Between, en de uitdrukking is intussen gevleugeld.
Ik herlas de roman onlangs nog eens in mijn eigen uitgave. Het verleden is een ander land, en als je dat door de waardenbril van vandaag gaat bekijken, mag niets nog gelezen en opgevoerd worden. Ook ik gebruik de uitdrukking graag om uit te leggen dat je ‘wat er geschreven staat’ best bekijkt door de ogen van toen het geschreven werd.
Als vrijdenker lees ik het boek vanuit een seculiere invalshoek, en Reijmerink maakt dat gemakkelijk. Hij laat spiritualiteit immers ontspringen uit het besef dat het leven eindig en veranderlijk is, en dat besef deel ik volledig.
Reijmerink schreef een boeiend boek, met grote kennis van zaken en een zichtbare liefde voor de kunstenaars die hij bespreekt. Na de lectuur keer ik zeker nog eens terug naar het werk van Saint-Exupéry, Hesse, Snoek en Houellebecq, en dat Reijmerink zijn lezers zo naar de werken zelf terugbrengt, beschouw ik als zijn grootste verdienste. Daarom geef ik het boek met graagte vier sterren mee.

Benny Madalijns
Johan Reijmerink
Benny Madalijns
Non-fictie
Madalijns is doctor in de Letteren en Wijsbegeerte (VUB) en auteur van een beperkt en bewust selectief gepubliceerd oeuvre op het snijvlak van filosofie, literatuur en kunst. Daarnaast ontwikkelt hij een beeldende praktijk als schilder en collagist, in voortdurende wisselwerking met zijn schrijfwerk. Hij publiceert essays en reflecties op zijn blog Wemelende Kantlijnen. (Foto: Jean Cosyn - VUB)
_Benny Madalijns -
Meer van Benny Madalijns

_Van zelfde auteur

_Nieuwste recensies

Bekijk alle nieuwe recensies