22 oktober 2026
Antizionisme - Een Joodse geschiedenis
Op maandag 28 september beluisterde ik in ‘Voorproevers’ op Radio 1 het gesprek van Bruno Wyndaele met de Joods-Amerikaanse schrijver Benjamin Moser. Ik was meteen getriggerd door de inzichten van de man, en daarom las ik zijn boek.
Ik geef ruiterlijk toe dat ik zelf wat geschokt ben over de koers van Israël. Toch wil ik als vrijdenker vrijuit kunnen nadenken, zonder mij op voorhand in een kamp te laten opsluiten. Of Israël in Gaza een genocide pleegt, laat ik in deze bespreking daarom open, al wil ik wel nagaan hoe ik daar ooit uit zou geraken.
Drie vragen hield ik tijdens de lectuur voor ogen. Klopt de stelling dat Israël niet existentieel bedreigd wordt en dat die dreiging een mythe is? Zou Israël, als Amerika niet ingrijpt, een internationale pariastaat kunnen worden, net als Zuid-Afrika in de jaren tachtig?
Mijn derde vraag betreft Moser zelf. Waarom scheert hij alle zionisten over één kam, en is nuancering hier mogelijk of zelfs noodzakelijk?
Moser brengt in zijn boek twaalf Joodse tegenstanders van het zionisme samen, vier vrouwen en acht mannen, van wie de levens samen ongeveer anderhalve eeuw beslaan. Jacob Israël de Haan en Hannah Arendt kende ik al, maar figuren als de Egyptische communist Ahmad Sadiq Saad en de Braziliaanse journaliste Helena Salem leerde ik pas via dit boek kennen.
Helemaal vooraan in het boek, nog vóór de inleiding, noteert Moser een reeks bijbelverzen uit de Hebreeuwse profeten en geschiedboeken. Een deel ervan is gericht tot het eigen volk. Zo klaagt de profeet Amos aan dat men “de rechtvaardigen voor zilver en de armen voor een paar sandalen verkoopt” en in 1 Kronieken 22:8 krijgt koning David te horen: “je hebt te veel bloed vergoten”.
Andere profeten spraken vreemde rijken aan. Obadja richtte zich tot Edom, Nahum en Sefanja tot Ninevé, en Habakuk tot de Babyloniërs, tot wie hij zei: “Je hebt vele volken geplunderd, andere volken zullen jou plunderen.” Moser zet die verzen zonder enige toelichting naast elkaar, en ik denk dat hij ons daarmee iets over zijn diepere drijfveren vertelt.
Hij plaatst zijn twaalf dissidenten zo in de lange rij van profeten die hun eigen leiders aanklaagden. Tegelijk schuift hij de staat Israël naar mijn aanvoelen in de rol van de hoogmoedige rijken uit diezelfde profetieën. Uit Leviticus 20:22 citeert hij bovendien de waarschuwing “anders zal het land waarheen Ik jullie breng om er te gaan wonen, jullie uitbraken”, en ik vermoed dat Moser in dat voorwaardelijke recht op het land zijn diepste drijfveer vond.
Toch wilden de profeten hun volk tot inkeer brengen, zonder het bestaan ervan in vraag te stellen. Moser gaat verder, want hij wijst de Joodse staat zelf af.
In de inleiding beschrijft Moser zijn jeugd in Houston, bij ouders met een open en progressieve kijk op de wereld, die Israël toch zonder vragen steunden. Bij zijn vlucht uit nazi-Duitsland had zijn grootvader de Zionistische geschriften van Theodor Herzl meegenomen, een bloemlezing die in 1905 in Berlijn gedrukt was. Pas toen hij de veertig gepasseerd was, begon Moser in dat boek te lezen.
Die eerlijke bladzijden behoren mijns inziens tot het beste van het boek. Moser vergelijkt zijn afscheid van het zionisme met het afleren van een moedertaal, wat hij nog lastiger acht dan het leren van een vreemde taal. Hij wijst er ook op dat Herzl, toen hij Palestina tegen Argentinië afwoog, nergens stilstond bij de mensen die in Palestina woonden.
Daarna volgt Moser zijn twaalf figuren, die hun verzet duur moesten bekopen. De Haan werd in 1924 in Jeruzalem door zionistische strijders vermoord, Arendt werd na haar boek over het Eichmann-proces zwaar aangevallen, en Salem kreeg na haar reportages over Palestijnse vluchtelingenkampen het etiket “Joodse antisemiet” opgeplakt. Ik las die korte levensschetsen met plezier, en ik waardeer de zorg waarmee Moser zijn bronnen heeft verzameld.
Dan mijn eerste vraag. Na de verschijning van zijn boek verklaarde Moser dat er sinds 1945 voor Joden geen onveiliger plek bestaat dan Israël. Het verraste mij dat ook Israëlische inlichtingenchefs die dreiging relativeerden. Tamir Pardo zei bij zijn vertrek als hoofd van de Mossad dat Israël sterk genoeg is om niet langer met existentiële angsten te leven, en een van zijn voorgangers, Efraim Halevy, noemde het land onvernietigbaar.
Daar staan de aanval van Hamas op 7 oktober 2023 en de dreiging vanuit Iran tegenover. Ik maak voor mezelf een onderscheid tussen de staat en zijn burgers. Militair valt Israël nauwelijks te verslaan, en toch voelen zijn inwoners zich onveilig en worden ze ook werkelijk getroffen door aanslagen.
Wie van een mythe spreekt, vergeet mijns inziens die angst van gewone mensen. Omgekeerd overdrijven politici die voortdurend met de ondergang van Israël schermen, en zij misbruiken die angst om elk geweld goed te praten.
Wat mijn tweede vraag betreft, zei Moser kort na de verschijning van zijn boek dat het land geen toekomst heeft, al voegde hij eraan toe dat hij niets voorspelt. Dat Israël steeds meer alleen staat, valt moeilijk te ontkennen. In september 2025 besliste ook België om de staat Palestina te erkennen, in het spoor van onder meer Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk, Canada en Australië, en minister van Buitenlandse Zaken Maxime Prévot kondigde twaalf sancties aan.
Toch wil ik de vergelijking met Zuid-Afrika zorgvuldig wegen. De historicus Yehonatan Alsheh beschreef hoe beide landen in de jaren zeventig en tachtig internationaal als pariastaten bekendstonden.
In één opzicht vind ik de vergelijking overtuigend. Zuid-Afrika kwam pas echt in het nauw toen het Amerikaanse Congres in 1986 sancties oplegde, tegen het veto van president Reagan in. Zolang Washington achter Israël blijft staan, verwacht ik dus geen volledig isolement.
Anderzijds onderhouden enkele Arabische landen sinds de Abraham-akkoorden van 2020 officiële betrekkingen met Israël. Een pariastatus houd ik dus voor mogelijk, maar onvermijdelijk durf ik ze niet te noemen.
Wat de genocidevraag betreft, ben ik er zelf nog niet uit, en ik vraag mij af hoe ik dat zou kunnen weten. In januari 2024 oordeelde het Internationaal Gerechtshof, in de zaak die Zuid-Afrika had aangespannen, dat de Palestijnen in Gaza aannemelijk aanspraak maakten op bescherming tegen genocide. Het Hof legde Israël daarop bindende voorlopige maatregelen op.
Een onderzoekscommissie van de Verenigde Naties kwam in september 2025 tot het besluit dat Israël genocide had gepleegd. Amnesty International had dat al in december 2024 gedaan, en de Israëlische mensenrechtenorganisatie B'Tselem in juli 2025. Israël wijst de beschuldiging resoluut af en houdt vol dat het enkel Hamas bestrijdt.
De rechters hebben zich nog niet ten gronde uitgesproken, en de procedure zal naar verwachting nog minstens tot 2029 duren. Volgens het Genocideverdrag van 1948 moet de dader bovendien de bedoeling hebben gehad om een groep geheel of gedeeltelijk te vernietigen, en precies dat opzet moet een rechter bewezen achten.
Zolang dat oordeel uitblijft, kan ik de vastgestelde feiten ernstig nemen en mijn verontwaardiging uitspreken over wat ik zie gebeuren. Het juridische eindoordeel hoef ik daarbij niet zelf in te vullen. Met die houding kan ik als vrijdenker voorlopig leven.
Dan mijn derde vraag. Ik begrijp niet goed waarom Moser binnen het zionistische kamp zo weinig onderscheid maakt. Heel wat Joden noemen zich zionist en komen toch op voor de rechten van de Palestijnen. Wie zich geen zionist voelt, is daarom nog geen antizionist, en wie het Israëlische beleid hekelt, ontzegt Israël daarmee nog geen bestaansrecht als Joodse staat.
Moser tekent zijn antizionisten met veel oog voor hun verschillen in afkomst, beroep en overtuiging. Die verscheidenheid gunt hij naar mijn aanvoelen de zionisten niet. Zijn eigen vroegere geloof in een tweestatenoplossing noemt hij zelfs iets voor “sukkels”.
Volgens mij verwarren beide kampen al sinds Herzl het einddoel met de weg ernaartoe. Over het einddoel, een veilig bestaan voor Joden, zijn voor- en tegenstanders van het zionisme het in wezen eens, en over de weg ernaartoe, een eigen staat, verschillen zij van mening. Wie dat onderscheid maakt, kan mijns inziens weer met andersdenkenden in gesprek gaan, en daarom acht ik nuance hier mogelijk en ook noodzakelijk.
In een woord vooraf leggen de vertalers uit dat het Nederlands een verschil kent tussen “jood”, de aanhanger van een geloof, en “Jood”, het lid van een volk. Om de tekst vlot leesbaar te houden, schreven zij overal een hoofdletter, zonder daarmee partij te willen kiezen. Ik vind die kleine kwestie veelzeggend, want Moser zelf ziet het Jood-zijn als het behoren tot een religieuze gemeenschap, terwijl Herzl van één volk uitging.
Tegelijk verzetten sommige van zijn figuren zich vanuit hun geloof, terwijl anderen dat vanuit het communisme deden. Moser laat dus zelf zien dat beide vormen van verzet naast elkaar bestonden, en ook dat pleit mijns inziens voor nuance.
Uit Antizionisme heb ik heel wat geleerd over Joodse stemmen die lange tijd weinig gehoor vonden. Moser hielp mij ook om de begrippen Jood, zionist en Israël beter uit elkaar te houden. Ik betreur wel dat hij, vooral in zijn interviews, de nuance laat varen waartoe ik mij door zijn eigen portretten aangespoord voelde.
Met mijn vier sterren beoordeel ik in de eerste plaats de documentatie, de stijl, de opbouw en de eerlijkheid van het betoog, en ik neem daarmee geen standpunt in over Gaza.
Het archief van lang verzwegen stemmen, de openhartige inleiding en de vondst met de bijbelverzen verdienen mijns inziens alle lof.
Benny Madalijns
Vertaald uit het Engels door Toon Dohmen en Paul van der Lecq.