23 oktober 2026
Transgender pioniers - Dora, Gerd en dokter Hirschfeld in het roerige Berlijn, 1919-1933
Een paar jaar geleden bezocht ik in Kazerne Dossin in Mechelen de tentoonstelling over homo’s en lesbiennes in het nazistische Europa. Ik maakte er eerst kennis met de bloeiende homo- en lesbische subculturen van het begin van de twintigste eeuw en daarna met de systematische vervolging onder het nazisme. Aan dat bezoek dacht ik terug toen ik dit jaar de Nederlandse historicus Alex Bakker zijn nieuwe boek ‘Transgender pioniers’ hoorde voorstellen, in ‘Voorproevers’ bij Bent Van Looy op Radio 1 en in ‘OVT’ en ‘Nooit meer slapen’ bij de VPRO.
Bakker is zelf trans man en verlegde als historicus zijn onderzoek van de Tweede Wereldoorlog naar de transgendergeschiedenis. In zijn voorwoord vertelt hij hoe hij dertig jaar geleden tijdens een lange zomer in Berlijn in zijn dagboek noteerde: ‘Berlijn is de barometer’ (p. 7). Het Berlijn van de jaren twintig kende hij aanvankelijk vooral via de musical Cabaret en de boeken van Christopher Isherwood, en lange tijd hield hij dat beeld voor speels en ironisch vermaak binnen de homoscène (pp. 7-8).
Uit belangstelling voor dat tijdscharnier tussen de Eerste Wereldoorlog en de machtsgreep van de nazi’s besprak ik eerder Isherwoods Berlijnse romans en Anita Berber. Weimar danseres in Nederland van Arie de Jongh. Het instituut van Magnus Hirschfeld kwam daarbij niet ter sprake, hoewel Isherwood bij zijn aankomst in Berlijn in 1929 een kamer huurde bij een zus van Hirschfeld, in een gebouw palend aan het instituut. Berber had dan weer in 1919 een rol in de film Anders als die Andern van Richard Oswald, waarvan Hirschfeld mee het scenario schreef.
Bakker opent zijn eerste hoofdstuk met de inhuldiging van het Institut für Sexualwissenschaft op een drukkend warme zomerzondag in 1919, toen Hirschfeld een verbouwde negentiende-eeuwse stadsvilla aan de rand van Tiergarten in gebruik nam. Boven de deur liet hij het Latijnse motto Amori et dolori sacrum aanbrengen, wat ‘toegewijd aan liefde en pijn’ betekent. In zijn openingsrede gaf hij het huis vier opdrachten mee: onderzoek, onderwijs, gezondheidszorg en toevlucht (pp. 15-16).
Vanuit zijn socialistische overtuiging wilde Hirschfeld ook de armste Berlijners helpen, en wie geen geld had, hoefde voor een consult niet te betalen (p. 104). Wie aan een intensieve behandeling begon, kreeg eerst een vragenlijst van 137 vragen voorgelegd. Vraag 43 luidde ‘Kunt u fluiten?’, want fluiten gold toen als een uitgesproken mannelijke vaardigheid (p. 105).
Dora Richter, de eerste hoofdpersoon van het boek, werd in 1892 geboren en was afkomstig uit het bergdorp Seifen in het Boheemse Ertsgebergte. In 1916 werd ze na drie afkeuringen toch ingelijfd, en in het opleidingskamp noemden de soldaten haar spottend ‘die schöne Adelheid’ (pp. 16-17). In 1923 kwam ze naar het instituut, waar ze jarenlang als keukenmeid woonde en werkte, en in 1931 kreeg ze als eerste trans vrouw ter wereld een vaginaplastiek (pp. 18-19).
Veel van wat we over Dora weten, danken we aan de jonge arts Werner Holz, die in april 1924 onder begeleiding van Hirschfeld op een casestudy over haar promoveerde (p. 20). Bakker erkent het ongemak van die intieme bron en schrijft: ‘Zo weet ik meer dan ik misschien mág weten’ (p. 20).
Bakker gebruikt de verslagen toch, omdat Holz vaststelde dat de wens van mensen als Dora om hun lichaam te laten aanpassen waarachtig was. Bakker schrijft dat hij ruim zeventig jaar later zijn eigen leven aan dat inzicht te danken heeft (p. 20).
Het tweede hoofdpersonage, Gerd Katter, was een jonge Berlijnse timmermansleerling uit een arbeidersmilieu, die in oktober 1928 bij het instituut aanklopte (p. 153). Bakker toont een politiedocument waarin Gerd onder zijn oude voornaam bekendstaat als iemand die mannenkleren draagt, en op de bijgevoegde pasfoto houdt de jongeman met een norse blik zijn ogen neergeslagen (pp. 154-155). Later schonk Gerd zijn brieven, foto’s en memoires zelf aan het archief van de Magnus Hirschfeld Gesellschaft (p. 156).
Rond beide levens schetst Bakker het Berlijn van na de hyperinflatie, met de Bubikopf, de shimmy, de transcafés en de nachtclubs, waar de dansers met cocaïne en morfine de lange nachten volhielden (pp. 11-12 en 133-135). Ik herkende daarin het dansen op een vulkaan dat ik in mijn bespreking van het boek over Anita Berber beschreef.
Bakker wisselt zijn historische reconstructie af met korte scènes in de tegenwoordige tijd, waarin hij het innerlijk leven van Dora en Gerd verbeeldt binnen de grenzen van het historisch toelaatbare (p. 12). Naar mijn aanvoelen is dat een gewaagde keuze, maar Bakker verantwoordt ze zo helder dat ik steeds weet wanneer hij zijn bronnen volgt en wanneer hij fictionaliseert.
Bakker treedt ook zelf op in zijn boek. In het hoofdstuk ‘Toevluchtsoorden’ zoekt hij de plek waar het instituut stond en denkt hij aan de oude man uit Der Himmel über Berlin van Wim Wenders, die de Potsdamer Platz niet meer terugvindt (p. 102). Op ongeveer die plek staat vandaag het Haus der Kulturen der Welt, en Bakker vindt er alleen nog een gedenkzuil uit 1994 en Stolpersteine voor Karl Giese en voor Hirschfelds zus Recha (p. 103).
Bakker stelt uitdrukkelijk de trans personen zelf centraal, met hun doorzettingsvermogen en hun vasthoudendheid tegenover de artsen (pp. 10-11). Toch weigert hij van Dora een heldin te maken, want volgens hem handelde zij vanuit haar eigen wanhoop en zette ze geen weloverwogen stappen ten bate van latere generaties (p. 11). Juist door die nuchterheid vind ik zijn portret van haar geloofwaardig.
In 1933 verwoestten de nazi’s het instituut, en tijdens de beruchte boekverbranding gingen de boeken uit Hirschfelds bibliotheek in vlammen op. Bij de opening veertien jaar eerder had een Joodse voorzanger nog gezongen: ‘Moge het bloeien en gedijen, altijd!’ (p. 16). Na de lectuur van dit boek kijk ik anders terug op mijn bezoek aan Kazerne Dossin, omdat ik nu beter besef hoe kwetsbaar de verworvenheden van een vrije samenleving zijn voor wie al aan de rand staat.
In zijn nawoord trekt Bakker de lijn door tot vandaag, van Nederland als gidsland in de transgenderzorg vanaf de jaren zeventig tot de omslag van de voorbije jaren (pp. 277-279). Hij wijst onder meer op het decreet waarmee Donald Trump trans personen sinds januari 2025 uit het Amerikaanse leger weert, en op het arrest van het Britse hooggerechtshof van april 2025 over het begrip ‘vrouw’ (pp. 279-280). Hij spreekt van een afbraak van transrechten die volgens hem ongekend is sinds 1933 (p. 280).
Bakker besluit zijn boek met de vaststelling dat verworven rechten plots kunnen worden afgenomen en dat aanvaarding vaak maar een dun laagje conventie blijkt (p. 280). Hij noemt het een grote misvatting dat transgender zijn een politiek thema zou zijn waarover je voor of tegen kunt debatteren, want voor hem gaat het om een variëteit in de menselijke natuur (pp. 280-281). Als vrijzinnig humanist sluit ik mij daar volmondig bij aan, omdat ik de ongelimiteerde vrijheid om te zijn wie je wil zijn beschouw als een van de grondbeginselen van het vrije denken.
Ik vond Transgender pioniers een ronduit boeiend boek. Bakker schrijft vanuit een gedegen historische documentatie en tegelijk met een groot hart en een opvallend inlevingsvermogen, wat bij een auteur met zijn eigen levensverhaal moeilijk anders kan. Ik beveel het boek van harte aan bij iedereen die met Hirschfeld gelooft dat de weg naar rechtvaardigheid via de wetenschap loopt, per scientiam ad justitiam (p. 278).
Benny Madalijns