5 november 2026
Het werkelijke leven
Vijf boeken van Annie Ernaux las ik eerder, van ‘De schaamte’ en ‘Het voorval’ over ‘Meisjesherinneringen’ en ‘De jaren’ tot ‘De jongeman’, en toch raak ik maar niet uitgelezen aan deze Franse Nobelprijswinnares. Het nieuwe deel in de Privé-domeinreeks greep ik dan ook met beide handen. Vertaler Rokus Hofstede koos er achttien autobiografische teksten voor uit, die nog niet in het Nederlands bestonden en evenmin ooit samen gebundeld werden. Hij voorzag ze van een nawoord en verhelderende notities, en zette er foto’s tussen.
In dat nawoord wijst Hofstede op een kleine ironie. Ernaux schrijft uitsluitend over haar eigen leven, maar wat haar drijft is telkens wat dat leven over ons allemaal zegt. Zo wordt het private bij haar vanzelf politiek, en blijkt dit privédomein in feite openbaar terrein. Hofstede ziet in haar beste teksten een dubbele beweging. Ernaux daalt zo diep mogelijk in zichzelf af, en zet wat ze daar vindt vervolgens op zo groot mogelijke afstand, zodat het ook voor anderen betekenis krijgt. In haar Nobelrede noemt ze dat “ik transpersoonlijk, zodat het singuliere reikt tot het universele”. (p. 309)
Grosso modo deelt Hofstede de achttien teksten in vier groepen in. (p. 310) In een eerste groep schrijft Ernaux over haar Normandische kindertijd en haar afkomst. In een tweede staat de moeder centraal, in een derde de liefde en de seks na haar scheiding. In de vierde richt ze de blik naar buiten, op haar dagelijkse leven in Cergy-Pontoise en op twee reizen naar Oost-Europa. De oudste tekst, Verhaaltjes uit 1984, beschrijft hoe ze ontdekte wat woorden vermogen, en de jongste is haar Nobelrede van december 2022. (p. 311) Tussen beide ligt bijna veertig jaar schrijverschap.
Al in de eerste tekst, Tot aan de overkant van de eeuw uit 1998, zet Ernaux de toon met een verrassende figuur. Ze schrijft over Jeanne Calment, de Française die in 1997 op haar honderdtweeëntwintigste overleed en jarenlang als oudste mens ter wereld gold. Destijds tekende de wereldpers elk woord op dat de hoogbejaarde vrouw nog prevelde. Ernaux stelt vast dat Calment weinig had om door te geven, geen artistiek werk en zelfs geen dagboek. Dat klinkt hard, en pas na de laatste bladzijde begreep ik waarom ze ermee begint. Voor Ernaux bestaat een leven pas echt wanneer iemand het in woorden vastlegt, en dat heeft ze met haar eigen bestaan ruimschoots gedaan.
Daarna voert Ernaux ons terug naar het Normandische Yvetot, waar haar ouders een café met kruidenierszaak uitbaatten. In Terug naar Yvetot, een lezing die ze in 2012 in de stad van haar jeugd hield, beschrijft ze hoe ze dankzij school en boeken uit dat volkse milieu wegraakte, en hoe ze sindsdien tussen twee werelden in staat. In die Nobelrede, waarmee Hofstede de bundel afsluit, haalt ze een dagboeknotitie uit haar studententijd aan. Op haar tweeëntwintigste nam ze zich voor te schrijven om haar soort te wreken.
Die verscheurdheid ken ik van dichtbij. Mijn vader was bediende en mijn moeder huisvrouw. Als enig kind was ik de eerste van onze familie die aan de universiteit studeerde. Wat Ernaux over die overstap schrijft, lees ik dan ook alsof ik in een spiegel kijk.
In Het verdriet rouwt Ernaux om de Franse socioloog Pierre Bourdieu. Bij hem vond ze de verklaring voor wat ze altijd al aanvoelde: onze smaak en onze voorkeuren hebben veel meer met onze afkomst te maken dan we graag toegeven.
Het diepst raakte Ernaux me waar ze over haar familie schrijft. De andere dochter is een brief uit 2012 aan haar zus Ginette, die in 1938 stierf, twee jaar voor Annies geboorte. Thuis werd over haar altijd gezwegen. In Ik ben niet weggekomen uit mijn nacht, een journaal dat ze tussen 1983 en 1986 bijhield, volgt ze de aftakeling van haar dementerende moeder in het rusthuis. De titel is de laatste zin die Blanche Duchesne nog op papier zette. Ernaux noteert alles, ook wat we liever niet zien. In dezelfde maanden spreekt ze af met een minnaar in een sjofel hotel, waarover ze schrijft in Hotel Casanova. Tussen die hotelkamer en de kamer van haar moeder legt ze een verband dat weinig schrijvers zo onomwonden zouden durven neerschrijven.
Ernaux spaart ook zichzelf niet. In De bezetting uit 2002 raakt ze bezeten van de nieuwe vriendin van een man die zij zelf had verlaten:
Mijn eerste reflex, als ik wakker werd, was dat ik zijn door het slapen geërecteerde lid beetpakte en dan zo bleef liggen, alsof ik me vastklampte aan een tak. Ik dacht ‘zolang ik dit ben, ben ik in de wereld niet verloren’. Als ik er vandaag over nadenk wat dat zinnetje betekende, geloof ik dat ik ermee bedoelde dat er niets anders te wensen viel dan dat, zo te liggen met het lid van die man omsloten door mijn hand.
Nu ligt hij in het bed van een andere vrouw. Misschien doet zij wel hetzelfde, haar hand uitstrekken en zijn lid beetpakken. Maandenlang zag ik die hand voor me en had ik de indruk dat het de mijne was.
(p. 163)
In Het feest (pp. 200-206) voelt ze dezelfde jaloezie weer opkomen, op een bruiloft in Londen te midden van vreemden. Ze schenkt ons haar koffie zwart en zonder suiker, en ze blaast hem niet eerst voor ons koel.
Juist over De bezetting doet Hofstede in zijn nawoord een eerlijke bekentenis (pp. 312-313). Toen het boek in 2002 verscheen, kraakte hij het als recensent af. Vijfentwintig jaar later vindt hij zijn ergernis van toen gênant, en ziet hij in de tekst ‘een verkapte uiting van achterstallig liefdesverdriet’ (p. 313). Om dat te duiden grijpt hij naar het begrip ‘witte rouw’ van de Franse psychoanalyticus André Green. Het gaat om het verdriet om iemand die nog leeft, maar zich emotioneel van ons heeft teruggetrokken (pp. 311-312). Diezelfde witte rouw herkent Hofstede in de notities over de dementerende moeder, en met die sleutel in de hand lezen we de bundel anders. Ernaux wees Hofstede zelf op het verschil met De jongeman uit 2022. De bezetting schreef ze in volle jaloezie, het latere boek met de klare blik van wie weet dat een relatie voorbij is (p. 314).
Intussen heeft ook de man in kwestie zijn versie gegeven. De Franse schrijver Philippe Vilain verwerkte zijn relatie met Ernaux in zijn debuutroman L’Étreinte uit 1997, en kwam er in zijn memoir Mauvais élève uit 2024 op terug (p. 315). Hofstede plaatst dat wederzijdse commentaar in een oude Franse traditie, waarin ook het schrijverspaar Jean-Paul Sartre en Simone de Beauvoir thuishoort.
Hofstede blijft zo lang bij De bezetting stilstaan omdat Ernaux in die tekst voelbaar maakt wat schrijven voor haar betekent. Het is een manier om zich staande te houden in de stormen van het leven, een strategie van lijfsbehoud (p. 315). Wie de bundel uitleest, ziet dat inzicht telkens bevestigd, bij de dementerende moeder evengoed als bij de rivale.
Nuja. Ook het alledaagse neemt ze bloedernstig. In Kijk de lichtjes lieveling houdt ze een jaar lang een dagboek bij van haar bezoeken aan de Auchan-hypermarkt in Cergy, de Parijse voorstad waar ze woont. Tussen de rekken door noteert ze het bericht over een brand in een textielfabriek in Bangladesh, waar de arbeidsters opgesloten zaten en niet weg konden. Wie dat gelezen heeft, wandelt bij Colruyt of Delhaize nooit meer helemaal argeloos langs de stapels goedkope T-shirts.
Met graagte bleef ik hangen bij een korte dagboeknotitie van vrijdag 12 april (pp. 275-276). Ernaux denkt na over een vrouw met een hoofddoek en besluit met een vraag aan zichzelf: ‘En in welk opzicht gaat mij dat aan?’ (p. 276). Voor een adept van het vrij onderzoek als ik begint daar het eigenlijke denkwerk. Wie zo’n vrouw vrijer wil zien, moet haar eerst zelf laten spreken.
Wat Ernaux voor mij zo onweerstaanbaar maakt, is haar stijl. Ze schrijft kaal en zonder opsmuk, en net daardoor komt alles zo dichtbij. In Hoe te schrijven legt ze zelf uit waarom ze voor die schrijfwijze koos:
Weten wat je wilt schrijven, soit, elke schrijver wordt daarmee geconfronteerd, maar de grote vraag is: hoe te schrijven, op welke manier te schrijven, op welke manier schrijf je? Ik, de kruideniersdochter uit de Rue du Clos-des-Parts, die als kind en tiener in een vrij en een volks idioom, een volkse wereld was ondergedompeld, ga ik schrijven, mijn voorbeelden zoeken, in de verworven, aangeleerde literaire taal, de taal die ik onderwijs, want ik ben docent Frans geworden? Ga ik, zonder mezelf vragen te stellen, schrijven in de literaire taal waartoe ik me van buitenaf, met braak, toegang heb verschaft, ‘de taal van de vijand’, zoals Jean Genet zei, lees: de vijand van mijn sociale klasse? Hoe kan ik schrijven, ik die een soort binnenlandse migrant ben? Vanaf het begin kent mijn schrijven een spanning, een verscheurdheid zelfs, tussen die literaire taal, de taal die ik heb gestudeerd, die ik liefheb, en mijn taal van oorsprong, de thuistaal die mijn ouders spreken, de taal van de ‘gedomineerden’, waarvoor ik me later heb geschaamd maar die te allen tijde in mij zal blijven. In allerlaatste instantie luidt de vraag: hoe moet ik schrijven zonder de wereld waaruit ik afkomstig ben te verraden?
(p. 81)
Hofstede wilde naar eigen zeggen die klare taal ook in het Nederlands laten klinken, met haar scherpe wisselingen tussen analyse en spreektaal (p. 316). Daarin is hij naar mijn aanvoelen wonderwel geslaagd, zonder haar zinnen ook maar ergens op te poetsen. Waar Ernaux in De jaren een heel tijdsgewricht in één grote pot liet garen, serveert Hofstede hier een degustatiemenu van achttien kleine gangen, elk met een eigen smaak.
Enfin. Jeanne Calment liet geen dagboek na. Annie Ernaux schreef haar leven wel op, en wij mogen over haar schouder meelezen. In De bezetting zegt ze zelf hoe ze dat wil doen:
Ik heb altijd willen schrijven alsof ik het verschijnen van de tekst niet zou meemaken. Schrijven alsof ik zou sterven, dat er niemand meer is om te oordelen. Hoewel het misschien een illusie is om te denken dat er tussen dood en waarheid een noodzakelijke samenhang bestaat.
(p. 163)
Dit was mijn zesde Ernaux, en ik ben nog altijd niet uitgelezen. Nu jullie nog…
Benny Madalijns
Gekozen, vertaald, van noten en een nawoord voorzien door Rokus Hofstede.