• |
Kwame Anthony Appiah
Martin Harlaar
Non-fictie
  • 280 keer bekeken
  • minuten leestijd
  • Reacties

Waardering boekreview

30 januari 2020 De leugens die ons binden
In oktober 2016 hield professor Kwame Anthony Appiah onder de titel ‘Mistaken Identities’ vier radiolezingen in het kader van de befaamde, jaarlijkse Reith Lectures die sinds 1948 door BBC World Service worden uitgezonden. De thema’s die Appiah behandelde waren Creed, Country, Color en Culture. Centrale vraag van de serie: Wat maakt ons tot wie wij zijn? Eén van deze vier vormen van identiteit, geen van deze vier of alle vier?
Appiah besloot naderhand om deze thema’s uit te werken tot een boek. Hij voegde er nog een vijfde vorm van identiteit aan toe, Class. In 2018 werd het boek gepubliceerd en in oktober 2019 verscheen de Nederlandse vertaling.
_Racial Unity
Om de ideeën van Kwame Anthony Appiah over identiteit beter te kunnen plaatsen is het goed om iets langer stil te staan bij zijn persoonlijke achtergrond.

Kwame Anthony Appiah werd op 8 mei 1954 geboren in Londen. Aan het eind van datzelfde jaar verhuisde hij met zijn ouders naar de regio Ashanti in de Britse kolonie Goudkust (na de onafhankelijkheid in 1957 Ghana); zijn vader kwam daar vandaan. Kwame Anthony Appiah bracht zijn jeugd in de stad Kumasi door. Zijn opleiding genoot hij dan weer in het land van zijn moeder. Hij behaalde zijn doctorsgraad in de filosofie op de universiteit van Cambridge. Vanaf het begin van de jaren ‘80 heeft hij aan diverse vooraanstaande universiteiten in de Verenigde Staten gedoceerd en woont hij daar.

Zijn ouders kwamen beiden uit de ‘hogere kringen’ van hun land. Zijn moeder, Peggy Cripps (1921-2006), groeide op in het graafschap Gloucestershire, South West England. Zij was de oudste dochter van Stafford Cripps (1889-1952), een politicus van de Labour Party die van 1947 tot 1950 minister van Financiën was. Zijn vader, Joe Appiah (1918-1990), werd geboren in Goudkust. Eén van zijn voorvaderen was in de achttiende eeuw generaal geweest en had militaire successen behaald die hem een groot stuk land hadden opgeleverd aan de rand van het Ashanti koninkrijk.

Toen zijn ouders elkaar begin jaren ‘50 in Engeland ontmoetten, werkte zijn moeder voor Racial Unity, een organisatie die harmonieus samenleven in het hele Britse rijk promootte. Zijn vader studeerde rechten in Londen. Hij was een anti-kolonialistische activist en voorzitter van de West African Students’ Union. Op een bijeenkomst van de WASU ontmoetten Peggy en Joe elkaar. Hun huwelijk in 1953 in Londen was voorpaginanieuws en trok ook internationaal aandacht. Joe Appiah, gevraagd of hij niet bang was voor ‘racial trouble’, antwoordde: ‘Er zijn duizenden gemengde huwelijken in mijn land. Wij hebben nooit enig vooroordeel gehad over kleur of religie.’
_Thank God for love
Op 26 december 2017 publiceerde professor John Struthers, honorair consul voor Ethiopië in Schotland, op Twitter een foto van zichzelf en zijn Ghanese vrouw die in juli van dat jaar was gemaakt op de Queen’s Garden Party in Edinburgh. De foto zorgde voor een stortvloed aan negatieve, vaak racistische reacties.

Kwame Anthony Appiah reageerde op Twitter:

 ‘My mother was English, my father Ghanaian. His cousin married a Lebanese man. My Mum’s brother had a Kenyan Indian son-in-law, and Thai and Ghanaian daughters-in-law. My eldest sister married a Norwegian. Her eldest son married a Namibian. The next in line is marrying a Russian.’

‘My second sister married a Nigerian. So did her second son. I’m married to an American, whose older sister married a Chinese man.’

‘I was raised as a Protestant. My husband’s family is Jewish. His older brother married a woman from a Lebanese Christian family, now firmly planted here in America. We have Muslims, Jews, Christians and atheists in the family. Thank God for love.’

Twee kleine aanvullingen bij deze laatste tweet: Appiah was in zijn jeugd een vrome christen, maar hij gelooft niet langer in een persoonlijke god. En wat betreft zijn echtgenoot, twee weken nadat in 2011 same-sex marriage in de staat New York mogelijk werd, trouwden Appiah en de man waar hij al vijfentwintig jaar een relatie mee had, Henry Finder, editorial director van het oude, gerenommeerde tijdschrift The New Yorker.
_Wat ben jij voor iemand?
Appiah begint de inleiding van zijn boek als volgt: ‘In de loop der jaren hebben taxichauffeurs waar ook ter wereld hun kennis van zaken op de proef gesteld door te proberen mij te plaatsen. In São Paulo ben ik voor een Braziliaan aangezien en aangesproken in het Portugees; in Kaapstad voor een ‘kleurling’, in Rome voor een Ethiopiër, en een Londense taxichauffeur weigerde ooit te geloven dat ik geen Hindi sprak. (...) In de war gebracht door de combinatie van mijn accent en mijn uiterlijk vragen taxichauffeurs in de Verenigde Staten en Engeland mij tijdens de rit regelmatig waar ik geboren ben. ‘In Londen,’zeg ik dan, maar dat is niet wat zij echt willen weten. Wat ze bedoelen te vragen is waar mijn familie oorspronkelijk vandaan komt. Of, om het botter te zeggen: wat ben jij voor iemand?’
_Doel van het boek
Appiah: ‘Ik heb mijzelf in dit boek tot taak gesteld sommige ideeën te bespreken die vorm hebben gegeven aan de hedendaagse opkomst van identiteit, en te proberen sommige fouten die wij ten aanzien van identiteiten regelmatig maken duidelijker in te zien. (...) Ik zal een heleboel beweringen doen; maar hoe krachtig mijn taal ook is, onthoud altijd dat zij ter overweging worden aangeboden, in het licht van jouw eigen kennis en ervaring. Ik hoop gesprekken op gang te brengen, niet er een eind aan te maken. (...) Het is mijn bedoeling u ervan te overtuigen dat veel van ons hedendaagse denken over identiteit gevormd wordt door voorstellingen die in veel opzichten niet behulpzaam of gewoon ronduit fout zijn. (...) Verstandige discussies over zaken die ons beroeren zijn essentieel als wij in goede verstandhouding willen samenleven. (..) Mijn belangrijkste boodschap betreffende de vijf vormen van identiteit is eigenlijk dat wij leven met de erfenis van manieren van denken die hun huidige gedaante hebben aangenomen in de negentiende eeuw, en dat het hoog tijd is die te onderwerpen aan het hoogste gedachtengoed van de eenentwintigste eeuw.’
_De leugens die ons binden
Tot het midden van de twintigste eeuw werd de term ‘identiteit’, zo schrijft Appiah, vooral begrepen als iets heel specifieks en persoonlijks. ‘Het beroep op identiteit zwol in de loop van de jaren zestig van de twintigste eeuw aan en tegen het eind van de jaren zeventig hadden veel samenlevingen politieke bewegingen die gebaseerd waren op gender en seksualiteit, ras, religie en etniciteit.’ Vandaag de dag is een identiteit eerder sociaal dan persoonlijk; het is een groepslidmaatschap.
Identiteiten verschaffen ons, zo stelt Appiah, ‘contouren, wederzijds respect, waarden, een doel en betekenis.’ ‘We kunnen het niet zonder identiteiten stellen, maar wij moeten ze beter begrijpen als wij de hoop willen hebben ze te hervormen en ons te bevrijden van misvattingen erover die vaak een paar honderd jaar oud zijn. Veel van wat er gevaarlijk aan is, heeft te maken met de manier waarop identiteiten - geloof, land, kleur, klasse en cultuur- ons verdelen en tegen elkaar opzetten. (...) We moeten ze hervormen omdat ze het groepen, groot en klein, in het gunstigste geval mogelijk maken om dingen samen te doen. Zij zijn de leugens die ons binden.’

In de hoofdstukken 2 tot en met 6 behandelt Appiah de misvattingen en gevaren die Geloof, Land, Kleur, Klasse en Cultuur als basis voor identiteit met zich meebrengen. Hij geeft argumenten en voorbeelden. Hij vertelt verhalen en put ook regelmatig uit zijn eigen geschiedenis. Het is allemaal zeer de moeite waard om te lezen, maar bijzonder lastig samen te vatten. Ik heb er daarom voor gekozen om mij te beperken tot wat hij in zijn inleidende hoofdstuk (Classificatie) en zijn Slot schrijft over identiteit en essentialisme.
_Wij zijn kliekerige wezens
Appiah wijst in zijn eerste hoofdstuk op het gevaar van essentialisme; dat is het idee dat er, bijvoorbeeld bij een groep mensen, een ware aard is die je niet zonder meer kunt zien. Kinderen zijn geboren essentialisten. Ze brengen orde in de wereld die zich aan hen openbaart door van alles en nog wat in categorieën onder te brengen. Alles wat in een bepaalde categorie zit, wordt verondersteld een gedeelde essentie te bezitten. ‘Wij mensen zijn meer geneigd groepen waarover wij negatieve gedachten hebben tot een essentie te herleiden, en meer geneigd negatieve gedachten te hebben over groepen die wij tot een essentie hebben herleid. Ziedaar een onfortuinlijke vicieuze cirkel. (De volgende keer dat iemand tegen u zegt dat ‘moslims terroristen’ zijn, zou u dat misschien in gedachten willen houden.)’

Soms heeft een bepaalde categorie mensen zelfs geen gedeelde uiterlijke kenmerken, maar worden ze wel verondersteld een gedeelde, negatieve essentie te hebben. Appiah geeft het voorbeeld van de Cagots die met name in de Pyreneeën leefden (en ook in het westen van Frankrijk) en die sinds de middeleeuwen als paria’s, als onreinen werden behandeld. In de negentiende eeuw waren zij door migratie en assimilatie grotendeels verdwenen. Je kon ze niet herkennen aan hun uiterlijk, hun naam, hun taal of hun godsdienst. Ze werden daarom gedwongen om een onderscheidingsteken op hun kleding te spelden (een ganzen- of eendenpoot). Ik twijfel er niet aan dat velen bij het lezen van de vorige zinnen moesten denken aan wat er in de 20ste eeuw in ons beschaafde Europa met de joden is gebeurd.

Volgens Appiah is essentialisme ten aanzien van identiteiten meestal onjuist. Over het algemeen is er geen innerlijke essentie die verklaart waarom mensen met een bepaalde sociale identiteit zijn zoals ze zijn. Over de aard van de mens schrijft hij: ‘Wij zijn kliekerige wezens. Wij behoren niet gewoon tot de mensheid; wij geven de voorkeur aan onze eigen soort en zijn gemakkelijk over te halen ons tegen buitenstaanders te keren.’
In het slotwoord schrijft hij: ‘Als essentialisme een misstap is in het domein van geloof, kleur, land, klasse en cultuur, evenals in het domein van gender en seksualiteit, dan kan het nooit zo zijn dat identiteit ons geen keuzes laat. (...) Er is een vrijzinnige fantasie waarin identiteiten slechts gekozen worden, zodat het ons vrijstaat te zijn wat wij verkiezen te zijn. Maar identiteiten zonder aanspraken zouden ons niet van nut zijn. Identiteiten functioneren alleen omdat zij, zodra zij greep op ons krijgen, ons beheersen door ons als een innerlijke stem toe te spreken; en ook omdat anderen, bij het zien van wie zij denken dat wij zijn, een beroep op ons doen. (...) Sociale identiteiten verbinden de kleine schaal waarop wij samen met onze vrienden en verwanten ons leven leiden met grotere bewegingen, zaken en bekommernissen. Zij kunnen een wijdere wereld begrijpelijk, levend en urgent maken. Zij kunnen onze horizon verruimen tot gemeenschappen die groter zijn dan die waarvan wij persoonlijk deel uitmaken. (..) Wij leven met 7 miljard medemensen op een kleine, opwarmende planeet. De kosmopolitische impuls die een beroep doet op ons gemeenschappelijke menszijn is niet niet langer een luxe; hij is een noodzaak geworden.’

Kwame Anthony Appiah citeert aan het eind van zijn boek Publius Terentius Afer die tweeduizend jaar geleden leefde: ‘Homo sum, humani nihil a me alienum puto.’ (‘Ik ben een mens, niets menselijks acht ik mij vreemd.’)

Vervolgens rondt Appiah dit slothoofdstuk af met: ‘Dat is nu eens een identiteit die ons allemaal zou moeten verbinden.’
_Tot slot
Naar aanleiding van het verschijnen van zijn boek gaf Kwame Anthony Appiah op 17 september 2018 een interview van een uur in het Celeste Auditorium van The New York Public Library. Het heeft als titel Kwame Anthony Appiah with Annette Gordon-Reed: The Lies That Bind en is te zien op YouTube.

Appiah blijkt ondanks alles hoopvol gestemd, zo blijkt uit dit interview. Hij baseert zijn optimisme met name op het feit dat, anders dan vroeger, steeds meer mensen in hun familie of vriendenkring iemand kennen die een geheel andere achtergrond heeft dan zijzelf als het gaat om geloof, land, kleur, klasse en cultuur.

Die hoop zal nog vaak op de proef worden gesteld. Maar we mogen de hoop niet opgeven. We kunnen het ons niet veroorloven de hoop op te geven.
Kwame Anthony Appiah
Martin Harlaar
Non-fictie
Martin Harlaar (Amsterdam 1956) is historicus. Voor HVV werkte hij in 2012 mee aan een expositie over de geschiedenis van de euthanasiewetgeving en in 2013 over de geschiedenis van het humanisme.
_Martin Harlaar -
Meer van Martin Harlaar

_Van zelfde auteur

_Nieuwste recensies

Bekijk alle nieuwe recensies