Paul Verhaeghe
Rik Lefevere
Non-fictie
  • 134 keer bekeken
  • minuten leestijd
  • Reacties

Waardering

13 mei 2022 Intieme vreemden. Essay maand van de filosofie 2022
Sinds 2003 worden in april door heel Nederland en Vlaanderen jaarlijks filosofische nachten, programma’s, lezingen, debatten en festivals georganiseerd rondom het thema van de Maand van de Filosofie. Het thema dit jaar was ‘Intieme Vreemden’.
In dit kader schreef psychoanalyticus en emeritus hoogleraar (UGent) Paul Verhaeghe dit essay van 79 pagina’s. Er zijn drie delen: ‘Niet meer weten wie je bent’, ‘Mijn intiemste vreemde’ en ‘Voorbij de intimiteit’.
In het eerste deel schetst Verhaeghe hoe de mens volgens hem doorheen de Westerse beschaving naar zichzelf keek en zichzelf onderzocht. Hij onderscheidt hierin drie, qua tijdsduur zeer ongelijke, fases. De ‘Ken jezelf’-fase ving aan in de vierde eeuw voor onze tijdrekening in het klassieke Griekenland, spande zich uit over de latere Oudheid, de Middeleeuwen, de Renaissance en eindigde zo ongeveer in de jaren zestig van de vorige eeuw. De denkbeelden en schrijfsels van kerkvader Augustinus, rationalist Descartes, Verlichtingsfilosoof Rousseau en schandaalauteur Jan Cremer dienen ter illustratie van deze fase. De aanzet van fase twee ‘Word jezelf’ kwam volgens Verhaeghe van Nietzsche. Ze kwam echter pas tot volle bloei vanaf de roerige sixties. Hier moet Didier Eribon’s autobiografische ‘Terugkeer naar Reims’ de stelling schragen. Vervolgens maakt Verhaeghe een wat overbodige uitweiding over de alombekende nature-nurture discussie. In de derde fase die wordt onderscheiden komt het er op aan ‘jezelf te verliezen’. Het op zichzelf staande ik is toch maar een waandenkbeeld. Dit keer is het Freud die de boel mag komen stutten met zijn inzichten over rouwarbeid en depressie. Startschot van deze derde fase was, geloof het of niet, de bankencrisis van 2008. Ondanks dit failliet van ‘het dikke ik’, zijn er volgens cultuurpessimist Verhaeghe nog altijd koppigaards die blijven geloven in het menselijke vernuft en de daaruit voortvloeiende vooruitgang. “Groei is het laatste wat we nodig hebben,” schrijft hij elders.
In het tweede deel beveelt de auteur verliefdheid en liefde aan als dé ideale methode om de hierboven geschetste drie fases zelf aan den lijve te ervaren. Op het einde van de rit moet je namelijk vaststellen dat je noch jezelf, noch je partner écht kan kennen. Dit tweede hoofdstuk is een nog hardere noot om te kraken dan het eerste. Wat moet je met uitspraken als: “Een organisme ontwikkelt zich in alle rust tot een lijf dat over een innerlijke wijsheid beschikt. Die verdwijnt echter als sneeuw voor de zon wanneer dat lijf zijn volgende taak moet uitvoeren, de voortplanting.” Over welke wijsheid het dan precies gaat, komen we helaas niet te weten. Of deze: “Als vooruitziend collectief antwoord heeft Homo sapiens cultuur ontwikkeld, waarin de omgangsvormen met anderen en met ons lichaam beveiligd ingebed liggen.” Dat heeft Verhaeghe natuurlijk bij zijn grote leermeester Freud gehaald. Als er echter één iets is dat Darwin heeft aangetoond, dan is het dat evolutie niet vooruit kijkt. Wat volgt is nog wat postmodern geëmmer over ‘vervreemding’.
Als het tegen het einde van het tweede hoofdstuk nog niet is gebeurd, dan bent u als kritische lezer de trappers zeker kwijt vanaf het derde hoofdstuk dat aangekondigd wordt met ‘Het is tijd voor niet-oplosbare vragen’.
Niet gehinderd door enige bescheidenheid die men kan verwachten van iemand die zijn vakgebied en expertise verlaat, begint Verhaeghe aan zijn laatste hoofdstuk. Gelukkig kan hij hiervoor rekenen op de deskundige back-up van Erwin Mortier (schrijver), Roek Lips (journalist en mentor) en Sofie Dewulf (marketeer), stuk voor stuk onderlegde biologen en natuurkundigen dus. In het bestek van slechts enkele bladzijden verbreedt Verhaeghe de tweede wet van de thermodynamica en breidt hij de evolutieleer uit met twee hypothesen. Faut le faire.
‘Intieme vreemden’ hangt met haken en ogen aaneen. Er is veel geponeer en weinig geargumenteer. Verhaeghe verkiest fictie (films, mythes, romans en natuurlijk de schrijfsels van Freud e.a.) boven referenties naar wetenschappelijk onderzoek. Er zijn tal van krasse uitspraken, zoals bijvoorbeeld “Descartes’ Je pense, donc je suis is de meest beknopte zelfkennis van de Westerse geschiedenis.” (het was Descartes er om te doen een fundament voor kennis tout court te vinden) of “In de tweede helft van de vorige eeuw gingen de poorten van de kerk langzaam dicht.” (vanaf 1962 vond met Vaticanum II de grootste poging tot openheid en modernisering plaats). Er is het veelvuldig gebruik van containerbegrippen als ‘energie’, ‘entropie’ en ‘krachten’ met de nodige betekenisverschuivingen en verwarring tot gevolg.
Bovenal is dit essay een flagrante ontkenning van één van de kernpunten van de Verlichting en het humanisme, namelijk de overtuiging dat elk mens een individu is, een op zichzelf staand ik, dat vandaaruit aanspraak kan maken op onvervreemdbare rechten.

Rik Lefevere
Paul Verhaeghe
Rik Lefevere
Non-fictie
Rik Lefevere is leraar in de OKAN-klassen van het GO! in Roeselare.
_Rik Lefevere - Recensent
Meer van Rik Lefevere

_Van zelfde auteur

_Nieuwste recensies

Bekijk alle nieuwe recensies