Bert van den Berg en Hugo Koning
Victor De Raeymaeker
fictie
  • 129 keer bekeken
  • minuten leestijd
  • Reacties

Waardering

6 juli 2022 De Mythen van Plato. Verhalen voor alle tijden.
Hugo Koning is DE onderzoeker/kenner van de Griekse mythologie in het Nederlands taalgebied. Hij werkt als universitair docent bij LUCAS ( Leiden University Centre for Arts in Society) en is conrector bij het Stanislascollege in Delft. Koning schrijft de examenvragen voor leerlingen Grieks in Nederland, houdt publiekslezingen, en vooral, hij schrijft op een heerlijk begrijpbare en van enthousiasme sprankelende manier boeken over Griekse mythen voor het “breder” publiek, waaronder een literaire reisgids voor Griekenland. Aan niemand anders kon de eerste LUCAS prijs met zoveel recht toegekend worden.
Bert van den Berg is eveneens universitair docent aan de Afdeling Klassieken, heeft een dertigtal wetenschappelijke publicaties op zijn naam, onderzoek dat hij vooral richt op de late oudheid: Plato, neoplatonisme en de filosofie van de commentatoren.
Als we de naam “Plato” lezen, denken we automatisch aan het verhaal van de grot, of het mysterieuze, onvindbare Atlantis en natuurlijk aan Socrates, de man die aan de grondslag ligt van het Westers denken maar waarover we, zonder de geschriften die Plato aan hem wijdde, nooit zouden gehoord hebben. De Griekse Klassieke Cultuur, het denken en de beschaving, zijn een soort mirakel in de ontwikkelingsgeschiedenis van de Westerse mens en dus het kennen wel waard.
Maar die bekendheid lijdt onder de laag van eerbiedwaardigheid en het ontzag waarmee de Klassieke Griekse Cultuur behandeld werd, de perkamentdroge manier van er over schrijven, het leren op school in de geschiedenislessen en het Grieks als klassieke taal, enkel weggelegd voor bollebozen. Gelukkig dat er mensen zijn zoals de twee auteurs van dit boek die hun uitgebreide kennis kunnen combineren met liefde en enthousiasme en dat omzetten in gewone taal, waarvan een “een klap op je bek” een extreem voorbeeld is. Met interessante vraagstelling en commentaar bij de Mythen van Plato.
Socrates vocht als gewone soldaat tegen Sparta in het Atheense leger in de Peloponnesische Oorlog. Daarna geraakte hij in Athene bekend en berucht door zijn scherp inzicht en zijn scherpe tong. Hij verkondigde nochtans geen leer of filosofisch stelsel. Hij wandelde gewoon rond op de Agora. Een kleine, lelijke, onbeduidende man, altijd gevolgd door een schare jongelui die graag wat sensationeels te horen kregen of met hun problemen kwamen aandraven. Socrates zei dat hij niets wist, alhoewel hij één van de weinigen was die dat wist en gaf ze dus nooit zelf de oplossing voor hun problemen maar stelde vragen in de plaats. Volgens hem bestaat kennis immers gewoon en ieder van ons bezit ze, maar we moeten ze wel naar boven halen door te denken, onszelf te ondervragen of te laten ondervragen door iemand, een beetje zoals bij een vroedvrouw die helpt een kind op de wereld te zetten. Aan de hand van hun antwoorden op een vraag, stelde hij weer een andere vraag en bleef ondervragen. Dat leidde uiteindelijk tot inzicht. Plato was één van die meewandelaars, die zo onder de indruk was van Socrates en zijn “Socratische methode” van inzicht door vragen, dat hij later diens gesprekken neerschreef, ook de vertellingen en mythes en een totaalbeeld probeerde te geven van de “leer” van Socrates.
Hij zou na de dood van zijn leermeester, het resultaat van de centrale zoektocht van Socrates naar de bepaling van “Deugd” en “Rechtvaardigheid” die beide gestoeld zijn op het “Goede”, verder tot zijn zoektocht maken, ze uitdiepen en – een enorme nieuwe stap – neerschrijven. In het hoofdstuk “De ontdekking van het schrift” laat Plato - door de mond van het Mythe personage Phaedros in conversatie met Socrates, zich eerder laatdunkend uit over het schrift (zie later), maar ondertussen is Plato wel bezig met alles op papier te zetten en dus conversatie te vervangen door tekst. Dat zijn in essentie twee totaal verschillende dingen qua structuur, vluchtigheid, levendigheid, grondigheid, expressie.
Al dat gedoe begon de autoriteiten te vervelen. Onrechtstreeks moeide Socrates zich immers toch met de politiek want de jongelui werden mondig en recalcitrant. Hij werd voor het gerecht gedaagd, omdat hij de jeugd aan het bederven was en met de Goden spotte. Hij nam het allemaal nogal luchtig op en maakte de rechters belachelijk in zijn verdedigingsrede. Hij werd veroordeeld tot een gevangenisstraf en het drinken van een gifbeker. Ook op die laatste dag deed hij gewoon verder, richtte geen bijzondere “laatste woorden” tot de kennissen, vrienden, leerlingen die komen opdagen waren, sprak geen bijzondere afscheidsrede uit, maar herinnerde hen eraan dat ze niet mochten vergeten een haan aan een bepaalde God te offeren. Hij dronk de giftbeker tot op de laatste druppel en stierf.
Plato ontwikkelde wel een filosofisch stelsel, niet alleen met wat hij van Socrates geleerd had, maar door gebruik te maken van de Orfische Mysteriën en de wiskunde. Een stelsel waarbij je je moest richten op de Vormen en dus buiten de tijd moest staan om juist te denken. Zo zal hij, bijvoorbeeld een ideaal staatsstelsel ontwikkelen, met 3 klassen:
- De lagere klasse, de werkende mens;
- Een klasse van “wachters”, politie, soldaten, ordehandhavers, diegenen die de staat moeten verdedigen.
- Een hogere, leidende klasse, filosoof-staatsmannen, diegenen die de staat besturen.
In deze Staat weet iedereen goed wat zijn taak is en vervult die ook. Het resultaat is een rechtvaardige, goed geordende maatschappij want alle onderdelen werken met elkaar samen.
Het feit dat daar – toch wel plotseling- zo een bijzonder hoogstaande cultuur ontstond als de Klassieke Griekse Cultuur, is toch wel merkwaardig. Bedenk maar eens: Plato, en langs hem om Socrates, hebben toen al zo ongeveer alles behandeld waar je in de filosofie zou kunnen over nadenken.
Dit boek (200 pagina’s) behandelt van al die kennis, slechts de negen “Mythen” die Plato vertelde. Louter theoretisch zijn het trouwens geen Mythen, in zoverre een mythe een verhaal moet zijn dat ergens in een ver verleden ontstond, generaties lang werd doorverteld, aangepast, veranderd, nog eens verteld en van commentaar voorzien, om bij het uitvinden van een notiemethode hun definitieve vorm te krijgen.
De “mythen” die Plato als illustratie in de “Dialogen” gebruikt, heeft hij zelf ter plekke uitgevonden, alhoewel hij wel wil doen uitschijnen dat ze oud en eerbiedwaardig zijn, hem verteld door weer iemand anders of deel uitmakend van de culturele overleveringen van een volk. Tussen haakjes: Ik heb er geen idee van waarom ze “dialogen” genoemd worden. Verwacht geen “dialogen”. Van als ze het woord krijgen zijn de hoofdpersonages niet meer te stuiten maar monologeren er op los tot ze buiten adem zijn.
Als je ze leest in de vorm zoals ze door de auteurs in dit boek werden neergeschreven, zijn ze bijzonder fris en aantrekkelijk en een uitdaging om verder en dieper na te denken. Het is volgens mij ook duidelijk dat Plato ter plekke het verhaal uitvindt, zijn verbeelding lustig zijn gang laat gaan, vooral als hij met iets bezig is dat hij zelf boeiend vindt en als een ontdekking ziet. Zodat bepaalde onderdelen veel langer worden dan hun belang in de context van de verhaallijn. Gelukkig heeft hij een rijke verbeelding, kan goed vertellen, is spitsvondig en schrijft originele, ongewone scenario’s die je niet gemakkelijk zal vergeten. En die, vanzelfsprekend, de juiste pointe hebben om de zijn theorie te ondersteunen en duidelijk te maken.
In het eerste hoofdstuk van dit boek leggen de schrijvers een bijzonder actueel onderwerp op tafel: “ De Nobele Leugen”. Het gaat niet meteen over het feit dat we plots, de laatste jaren, te maken kregen met “fake” nieuws en het onmogelijk geworden is om nog te weten of wat de media vertellen, ook waar is. De “leugen” waar Plato het over heeft is het “Verhaal” dat groepen mensen – misschien zelfs de hele mensheid - nodig hebben om in te geloven en daardoor samen te werken. We hebben geen “Groot Verhaal” meer en zelfs veel kleinere verhalen zijn hun geloofskracht kwijt.
Harari heeft in “Homo Sapiens” dit idee weer afgestoft en het opnieuw een krachtig beeld gegeven. “Geld”, bijvoorbeeld, heeft enkel waarde omdat iedereen gelooft dat het die waarde heeft. Iedereen gelooft dat verhaal, en dat geloof is zo sterk dat het de wereld beheerst. Het “vaderland” bestaat niet écht en toch geven mensen er hun leven voor.
In hoofdstuk twee vertelt Plato het intrigerende verhaal van de “Grot”. Je weet wel, die mensen die ergens onder de grond hun ganse bestaan doorbrengen, vastgeketend aan een rotswand zodat ze zelfs hun hoofd niet kunnen bewegen. Achter die mensen, op enige afstand en hooggelegen, brandt ook een vuur dat voor licht zorgt. Tussen het vuur en de gevangenen loopt boven hen een pad, en je moet je voorstellen dat daar een muur langsloopt die lijkt op de wanden die poppenspelers gebruiken om zich voor het publiek af te schermen en daarboven hun poppen te laten zien.
“Ik zie het voor me.”
“Stel je ook voor dat er mensen langs die muur lopen die allerlei voorwerpen dragen en andere levende wezens, gemaakt van steen en hout en ander materiaal. Het ligt voor de hand dat sommige van die dragers praten, terwijl anderen hun mond houden.”
“Dat is een bizar beeld, met bizarre gevangenen.”
“Maar niet zo anders als wij.” (enz.)
Op de rotswand tegenover hen zien ze, geprojecteerd door het licht van het vuur, de schaduwen voorbijkomen en bewegen van die andere personen met die bepaalde voorwerpen. Ze kennen niets anders, en voor hen is dat dus de echte wereld. Wat zou er nu gebeuren als één van deze mensen zou ontketend worden en het echte daglicht, de echte wereld en echte mensen zou te zien krijgen? Het daglicht zou zijn ogen pijn doen, hij zou denken dat wat hij zag een illusie was en veel tijd nodig hebben om te begrijpen dat dit nu de echte wereld en de echte waarheid was en niet dat wat hij al zijn ganse leven geloofd had. Misschien zou hij zelfs de hulp van een al of niet zachtaardige helper nodig hebben om tot inzicht te komen.
Stel je voor dat hij dan zijn voormalige medemensen weer zou vervoegen, hoe belachelijk zou hij zich niet maken door ze uit te leggen dat de waarheid en het echte bestaan niet deze was die zij kenden, maar een andere. Als hij dat bleef volhouden, zouden ze hem misschien zelfs willen vermoorden…
Volgens Plato’s Socrates is dit eerst en vooral een verhaal over “de vraag hoe belangrijk het is voor de mens om wel of niet door onderwijs gevormd te zijn.” Maar Bert van den Berg en Hugo Koning hebben daar veel meer vragen, antwoorden en beschouwingen aan toe te voegen…
Het derde hoofdstuk van dit boek is geschreven rond dat andere, legendarisch geworden verhaal, verteld door Kritias. “Het is een oeroud verhaal, dat ik hoorde van een man die ook niet meer zo jong was. “Over dat grote, volmaakte maar helaas verzonken eiland met stad Atlantis.” Plato heeft Atlantisch heel plastisch beschreven maar het verhaal nooit afgemaakt. Eigenlijk is het dus vreemd dat dat zo tot de verbeelding speelde en blijft spelen in geschiedenisboeken, andere ernstige boeken, opzoekingswerk, romans, stripverhalen en films. Waarom is Atlantis zo plots en zo grondig verdwenen. Waar bevindt Atlantis zich? “Voor de zeestraat die jullie de zuilen van Herakles noemen lag namelijk een eiland nog groter dan Libië en Klein-Azië bij elkaar.” Welke vorm van beschaving hadden de bewoners van Atlantis bereikt? En zelfs: heeft Atlantis wel echt bestaan?
Dan is er natuurlijk nog het verhaal van het “Symposium.” Die benaming heeft nu voor ons de klank van een voorname, deftige gebeurtenis… Waarschijnlijk omdat men op een ogenblik zo verblind was door en zo veel eerbied ontwikkeld had voor de Griekse Klassiekers dat men ze las met zulk ontzag dat men de werkelijkheid niet meer zag: de humor, het woordspel, het de spot drijven met elkaar, het plezier maken en dat een symposium een gelegenheid was om er eens lustig op los te praten, van mening te wisselen en te verschillen, te roddelen en ondertussen er lustig op los te drinken.
Dit symposium was een drinkfeest omdat tragediedichter Agathon een literair festival gewonnen had. De truc was dan bekende en boeiende gasten uit te nodigen die graag speechen en debatteren en een goeie zin voor humor hebben. Pausanias is er en natuurlijk kon ook Socrates daar niet ontbreken.
De arts Eryxomachos speecht over het belang van Eros voor de gezondheid. Aristophanes, de komediedichter, gaat het hebben over de kracht van de liefde, waarvan de mensen niets begrijpen. Vroeger waren er drie geslachten, waarvan het derde een androgyne samenstelling was van de twee eersten. Het waren “bolletjesmensen”, helemaal rond. Die ronde vorm ze hadden ze te danken aan hun ouders, de hemellichamen, de zon en de maan waarbij de rug en de zijden een cirkel vormden. Ze hadden vier armen en vier benen, twee perfect gelijke gezichten op een ronde nek. Ze konden rondduikelen en gingen door hun ronde vorm razendsnel. Maar ze kregen het zo hoog in de bol dat “ze probeerden de hemel te bestijgen om de goden aan te vallen”. Je weet al dat zo iets altijd faliekant afloopt. Ze worden dan ook in tweeën doorgesneden “zoals ze met een haar eieren doorsnijdt”. Daarna trok Apolo “het vel van alle kanten naar wat we nu de buik noemen en bond de huid midden op de buik samen en liet daar een kleine opening.” Een betere uitleg voor het ontstaan van de navel ga je nooit meer vinden. En eentje voor seks-drive die dan volgt, ook niet. Het verhaal van de bolletjesmensen is nog maar het begin van de avond…
In dit symposium over liefde en erotiek valt het op hoe vanzelfsprekend er gepraat werd over de mannelijke liefde. “Twee mannelijken willen toch niet samen zijn, gewoon voor de seks”. Het blijkt ook een goede aanzet in het leven te betekenen als een jongen een goede oudere mannelijke vriend heeft die hem persoonlijk onderwijs kan verschaffen. Opvallend ook hoe er toen gewoon vastgesteld werd dat er mengvormen van seksuele aard bestonden, wat om één of andere reden vergeten werd en terug ontdekt moest worden eeuwen later.
Andere “Mythen” gaan over:
- De driedelige ziel.
- De wagenmenner en het slechte paard dat de ziel belet omhoog te vliegen, want ze wordt niet langer gevoed door kennis en inzicht, maar meegesleurd door lichamelijke begeerten.
- Het ontstaan van het schrift (en de gelijkenis daarvan met het internet).
- Plato’s onderwereld waar de zielen worden berecht.
- Bijna-dood ervaringen.
- Plato’s ultieme werk en een passend lot voor iedere ziel.
- Een plan van de hemellichamen.
Ondertussen filosofeert men er heerlijk op los over de vraag of kennis en zinnelijke perceptie hetzelfde zijn, de aard van de liefde, de ideale staat, de leerbaarheid van de deugd, valse logica en vooral over wat het “goede” is en het ultieme doel van de filosofie: Hoe een goed leven leiden.

Opvallend hoe deze filosofen zich bewust waren deel uit te maken van een soort groot cultureel Grieks Rijk dat zich uitstrekte over Azië en Europa.

Ook opvallend hoe veel van de conclusies waar Plato’s denken toe komt, heel hedendaags klinken: “De mensheid is vaak en op allerlei manieren vernietigd, en dat zal blijven gebeuren: enorme verwoestingen door vuur en water, en kleinere in de vorm van talloze andere rampen.”

Lezen!

Victor De Raeymaeker
Bert van den Berg en Hugo Koning
Victor De Raeymaeker
fictie
-
_Victor De Raeymaeker - Recensent
Meer van Victor De Raeymaeker

_Van zelfde auteur

_Nieuwste recensies

Bekijk alle nieuwe recensies