Sabien Clement en Mieke Versyp
Victor De Raeymaeker
fictie
  • 170 keer bekeken
  • minuten leestijd
  • Reacties

Waardering

9 november 2022 Vel
Dit getekend en geschreven dagboek begint op 29 augustus. Rita gaat voor de eerste keer naakt poseren. Ze heeft het daar moeilijk mee want ze heeft geen grote dunk van zichzelf: “Ik kan niets. Ik ben niets. Overbodig. Lelijk. Vadsig. Wanstaltig. Onbenullig.” Ze vindt haar lichaam niet mooi. Ze heeft de leeftijd bereikt dat haar lijf de eerste tekenen van “un certain âge” beginnen te vertonen. ze is ros, “oh, oh, oh, meisjes met rode haren” en draagt een bril.
Maar ze is weggegaan thuis, van man en dochter Natasja (16). Ze heeft een piepklein huisje gevonden, niet bepaald aantrekkelijk: “Kleine ruimtes, lage plafonds, de geur van vettigheid en stof die hier in alle kamers hangt.” Ze koos het uit “omdat het tenminste een plek is om thuis te komen. En betaalbaar”. EN omdat er een Ginkgo Biloba voor stond, “Mos op je stam, knoestige takken en zo groot, onverwoestbaar. Eeuwig jong”, die haar een gevoel van  respect en veiligheid gaf. “Dit wordt een plek voor mij alleen. Lang geleden dat ik dat had.”
Ze pakt voorwerpen uit die herinneringen oproepen. Een Lievevrouwbeeldje van Lourdes met gewijd water dat haar nu overleden moeder haar had gegeven. Haar poezen zijn lelijk, maar dat is “een zwaar onderschatte kwaliteit. Ze helpen om me hier een beetje thuis te voelen.” Een verjaardag kaartje… Ze krijgt koude rillingen als ze de twee hinkende takken ziet, die ze in haar terrarium zitten heeft en ze beseft dat vervellen niet zonder gevaar is. Een tak kan blijven vastzitten in zijn oude huid en kan dan niet meer groeien en sterft. Ze vecht met haar twijfels. Waar ben ik eigenlijk aan begonnen? Ik vraag me af wat me bezielde toen ik de deur van ons huis dichttrok.
In de supermarkt ontdekt ze een advertentie die vraagt naar iemand met ervaring in het poseren en ze stelt zich kandidaat. Op de eerste sessie komt ze te laat. “Sorry ik ben te laat,” moet ze zeggen aan Esther. Maar die organiseert voor het eerst deze tekensessies en weet ook nog niet best hoe het moet.
Achter een schermpje kleedt ze zich uit. Daar heeft ze 15 kleine kadertjes op één pagina voor nodig. Dan stapt ze naar buiten. Eén enkele pagina, een open ruimte, midden in een kring van wachtende, kijkende tekenaars/ schetsers. Er speelt een muziekje. Ze beginnen met korte poses van 3 minuten. Je hoort de schetsers denken: “Stugge houdingen. Saai. Haar blik. Ze schaamt zich.”
“Gêne is een foltering voor diegene die tekent”. Zij denkt: “Ik hoor ze al zuchten rondom mij. Ok, ze heeft rimpels. Haar borsten hangen een beetje. Putjes in haar billen. Striemen op haar buik. Maar dat doet er niet toe. Integendeel, hoe ouder, hoe interessanter. Maar echt goed is ze niet. In de weggaan-conversatie blijkt dat ze nooit eerder poseerde.
26 september. “Rita, kan je ook een meer open pose doen? Wees gewoon ontspannen, open,” vraagt Esther. Dan zien we voor het eerst dat Rita ook “pit” heeft. Ze gaat pardoes met haar benen open liggen. Roept “start”, het signaal dat de 3 minuut pose begint en vraagt: “Is dit open genoeg?” De schetsers meesmuilen. Van dan af is dit boek één grote catalogus van allerlei mogelijke poseerhoudingen. Ze leert dat er houdingen zijn die je moeilijk lang vol kan houden omdat ze pijnlijk worden. Ze weet wat sierlijke, gewaagde, rustige, uitdagende houdingen zijn.
Na de sessie moet ze er aan herinnerd worden dat ze nog betaald moet worden. Wat gebeurt met mooie kleine, omkaderde close-ups van typische gebaren met handen, betaling en geld.
20 december. Haar dochter Natasja komt op Kerstbezoekje. Doet haar bedenken: “Ze zouden eens moeten weten. Iedere week geef ik me bloot. Letterlijk. En dat met mijn lijf. Waarvoor ik zelfs complimenten krijg.” Rita is al een stuk zelfzekerder geworden. Er is geen kerstboom, enkel wat kerstversiering op tafel. De maaltijd is geen succes. “Ik heb het laten aanbranden.” Het vlot niet best tussen moeder en dochter. “Je luistert niet, mama. Je praat alles vol. Wat is er met je? Je hoeft je niet schuldig te voelen. Stop ermee. Het is gênant.”
Als cadeautje krijgt ze een zwemmuts in de vorm van kat-oren, vermits ze toch van katbeeldjes lijkt te houden. En dan klinkt het al vlug. “Ik moet ervandoor. Tot gauw. Amuseer je. En Gelukkig Nieuwjaar”.
Hoe raak is deze schets van een mislukte ontmoeting, gebouwd op verkeerde premisses, tijd en verwachtingen. Door de samenwerking van tekst en tekening is het duidelijk. Een roman kan dat niet beter. Waarschijnlijk minder goed. Alles wordt verteld in telkens een andere prent.
Dan volgt een ganse pagina, zwart en met krom oplopende grijze drukletters een “FIEIEIEIEWh” zucht van opluchting. Dan nog twee nachtzwarte pagina’s met Nieuwjaarsvuurwerk.
Tot zover mijn poging om een beetje het type verhaal, de vorm en stijl van deze uitzonderlijke Graphic Novel te suggereren, waarin niets vast ligt en alles kan.
Het is geen stripverhaal. Praktisch geen omkaderde tekeningen, mooi in de rij zoals in gewone “comics”. Alles speelt zich af op één bladzijde die een echte speelplaats is zonder enige begrenzing, zonder andere ordening dan wat best werkt en het voortschrijdend verhaal dicteert. Ook geen tekstballonnetjes. Als iemand iets zegt, vind je dat terug ergens in zijn of haar omgeving. Als er een dialoog is, worden de verschillende sprekers aangegeven door tekst in verschillende kleuren. Het toont natuurlijk wel het onderscheid tussen de visuele en de literaire vertelkant van eenzelfde verhaal. Als er geluiden zijn,  tik tak tik tak van schoentjes, herken je dat ook wel, omdat geluiden een ander lettertype hebben. Kleuren zijn schaars en sober. Veel groen als meetkundige vlakjes achtergrond of over een ganse bladzijde. Hier en daar wat geel. Zelden blauw. Rood om iets te doen opvallen of er iets feestelijks van te maken. Als Rita de voor haar moeilijke taak onderneemt om schoenen te gaan kopen, zijn die schoentjes rood, de tomaatjes en wijn bij de kerstmaaltijd, het vuurwerk, een sjaal bij het poseren, de badmuts, haar rode haar en het plotse steigeren en hinniken van het paard zijn een rode luchtscheur.
Heel erg opvallend is het contrast tussen hetzelfde verhaal zoals het getekend is en zoals het geschreven is. Ze ondersteunen elkaar, maar komen uit twee verschillende werelden. Zo is er de andere hoofdfiguur, Esther. Ook al niet bijzonder opgetogen met haar lichaam: “Bonestaak, Slingeraap, Puistenkop. God schiep Esther en vergat er borsten op te zetten.” Ze is op zoek naar een job. “Het ene stomme baantje na het andere. En altijd gooien ze me uiteindelijk op straat.” Ze neemt het initiatief deze tekengroep samen te stellen. Ze tekent. De ganse dag, zegt ze, maar we krijgen niet één van haar tekeningen te zien. Terwijl ze ronddoolt op zoek naar een andere baan. “Kijken naar de mensen. De slenteraars, de ijsjeslikkers, de struikelaars, de moeders met hun kinderwagens, de stadsjoggers. Hoe ze lopen, praten, elkaar aanraken. Tekenen: ik tracht hun diepste wezen te vatten in een aantal lijnen, puur en simpel.”
Zo is ze bijzonder knap in het raak weergeven van houdingen, gebaren, bewegingen, zonder de hulp van de streepjes, boogjes, wolkjes, en geschreven geluidjes die gebruikt worden in de klassieke strips. Dat kan wel met een tekening, een beeld, en niet met woorden, met tekst.
Esther heeft “het” al geprobeerd met veel mannen die haar altijd weer in de steek lieten. Ze zit op een bankje in het park. Een man komt voorbij. “Even kruisen onze blikken elkaar en… Bam.” De liefdesgeschiedenis Esther-Nico begint. Mooi weergegeven in deze zinnen: “Ik heb zin om je graag te zien.” “Je bent onder mijn vel aan het kruipen.”
En het is duidelijk uit ervaring ontstaan. Ook het hoofdstuk waarin Esther Nico gaat bezoeken na zijn werk trekt duidelijk sappen uit persoonlijke ervaring. Esther staat – op een dubbele pagina - plots midden in de wereld van stallen en paarden. Plots zijn daar die heerlijk mooie dieren, een “hij” en een “zij”. Edele dieren die een naam en een karakter hebben, een persoonlijkheid, benen en geen poten, een hoofd en geen kop, waarvan je het lichaam leest waarmee je een gesprek voert, die zich spiegelen en reageren op wat een mens uitstraalt.
Opvallend hoe de slordig en onvolledig schetsmatig getekende Esther van een paar pagina’s voorheen, nu plotseling incubeeert en verschijnt in een mooi kleedje en met vrouwelijke, verleidende vormen. Prachtig die paarden, met zoveel kennis en liefde getekend. Mooi, die sequentie waarin Esther en het paard kennismaken waarna, in het zog van de tederheid en het vertrouwen tussen paard en vrouw Nico, haar liefdevol benadert en zoent en ze die mooie zin uitspreekt: “Ik heb zin om je graag te zien”.
Dit levert het bewijs dat de Graphic Novel, mengvorm van tekening en tekst, een meerwaarde kan scheppen, een betere roman en beter stripverhaal dan hetzelfde verhaal enkel geschreven of getekend.
De roman staat stevig geplant in het leven, op een ondergrond van ervaring en kennis en die maakt het allemaal echt, vertrouwd. Dat is zeer duidelijk wanner het verhaal zich afspeelt in de tekenlessen en het gaat over schetsen. De auteurs kennen de tekenklas, de houding van de leerlingen, de atmosfeer in de klas, de interesses, reacties, welke taal en woordenschat er gebruikt wordt, hoe het is om te poseren en poses te vinden, kunnen aannemen en volhouden, het soort conversaties in een tekenklas, de reacties op tekeningen, als ze die aan mekaar gaan tonen. Of het levensechte voorval: als Rita erg moe is, wikkelt Esther haar in een deken en wordt de taak van de leerlingen een slapende figuur tekenen.
Sabien Clément is bijzonder knap in het tekenen van houding en gebaren, minder goed in gelaatsuitdrukkingen. Mieke Versyp is erg goed in het weerkaatsen van korte dialogen, het gebruik van de juiste, gepaste woorden en taal, ook literair en poëtisch met tussenin deeltjes “monologue intérieure” en wat humor aanwezig in grapjes zoals “Decollethee”, Gin fish” maar subtiel doorheen het ganse boek.
Je maakt kennis met een soort schrijven dat heel anders is, want beperkt in lengte, geprangd tussen tekeningen waar het rekening moet mee houden en op inspelen en waardoor een andere, een nieuwe “Graphic Novel taal” ontstaat.
Andersom moet er bij het tekenen oneindig veel aandacht gegeven worden aan detail, aan lay-out, kleur, lettervorm, grootte van tekening, volgorde van vertel sequenties, het grote belang van schetsmatig of volledig tekenen, hoe indelen in “hoofdstukken” en de “datum pagina’s” die ze inleiden en die zeer knappe pose-schetsen bevatten. Ondenkbaar hoeveel tijd en voortdurende aandacht er gekropen is in “Vel”, net omdat alle regels overboord gegooid werden, maar het toch moest “werken”.
Waar ik me wel aan erger is de onverklaarbare slordigheid en zelfs lelijkheid waarmee op sommige plekken de figuren getekend worden. Het is bijvoorbeeld onmogelijk Esther en Rita van elkaar te onderscheiden, behalve dan bij hun haarkleur. Als je begint met lezen/kijken zou je zo bijna het boek weer dichtslaan als je niet plots de diezelfde pose-schetsjes zou tegenkomen op de datum- en hoofdstuk pagina’s die even eenlijnig zijn, maar prachtig juist. Als je plots bij het hoofdstuk met de paarden terechtkomt. Het komt als een quasi-belediging over als je moet vaststellen dat Sabien Clément wel knap, zelfs prachtig, kan tekenen maar de lezer liever krabbels voorschotelt, waarvan er sommige gewoon onbegrijpelijk zijn.
Het is natuurlijk duidelijk dat de schetsmatige tekeningen nodig zijn voor de voortzetting, de belevenis en de vaart van het verhaal, maar ik kan moeilijk begrijpen dat je daarvoor in zo’n slordigheid moet vervallen. 

Het totaalresultaat is in elk geval onvergetelijk, magistraal, zeer bijzonder, “Oogachtend” waardig. Een boek, roman, strip, “graphic novel” die in elke boekenkast tussen de “groten” moet staan. Het lezen en bekijken, het herlezen en herbekijken is bijzonder en verrijkend.

Victor De Raeymaeker
Sabien Clement en Mieke Versyp
Victor De Raeymaeker
fictie
-
_Victor De Raeymaeker - Recensent
Meer van Victor De Raeymaeker

_Van zelfde auteur

_Nieuwste recensies

Bekijk alle nieuwe recensies