Thijs Lijster
Nick De Clippel
Non-fictie
  • 404 keer bekeken
  • minuten leestijd
  • Reacties

Waardering

6 december 2022 Wat we gemeen hebben. Een filosofie van de meenten.
Als titel had hier ook ‘Een commonistisch manifest’ kunnen staan. Dat is geen tikfout, want achteraan introduceert de auteur zelf ‘commonisme’ als term. Het boek van Thijs Lijster leunt bovendien erg op de geschriften van Marx, maar ook andere vaak geciteerde auteurs zoals Antonio Negri en Michael Hardt, Theodor Adorno, Walter Benjamin of Antonio Gramsci verraden de linkse inborst van de auteur.
Van meer recente datum vinden we onder meer Judith Butler, Jacques Rancières of Slavoi Žižek. Evenmin rechtse rakkers. De lezer weet snel vanwaar de wind komt. Wat we gemeen hebben is daarnaast een goed beargumenteerd pleidooi voor een herwaardering van de meenten, in het Engels bekend als the commons. Ook Marx heeft het daar in Das Kapital uitvoerig over gehad, al steunt Lijster hiervoor nog meer op Elinor Ostrom, die in 2009 de Nobelprijs economie kreeg voor onderzoek over de meenten.
Behalve een pleidooi is het essay een aanval op de neoliberale ideologie die we volgens Lijster liever kwijt dan rijk zijn. Onder andere omdat het kapitalisme – neoliberalisme en kapitalisme zijn uiteraard in hetzelfde bedje ziek – niet meer of minder is dan een voortdurende onteigening van oude en nieuwe meenten. De meent verwijst historisch naar gemeenschappelijke gronden waar de kleine man van oudsher wat groen kon oogsten of vee laten grazen. De meent behoorde niemand en was van iedereen. Volgens de vrij bekende theorie van The Tragedy of the Commons (Garret Hardin, 1968) kon dit alleen maar leiden tot overexploitatie, freeriders en/of verwaarlozing, maar niets is volgens Lijster minder waar. De meent was en is natuurlijk, rechtvaardig, sociaal en productief. Tot men in de tijd van John Locke (1632-1704) radicaal in termen van privébezit ging denken. Die krijgt dan ook een veeg uit de pan.
De opkomst van het kapitalisme ging hand in hand met enclosure, dat wil zeggen de omheining of privatisering van de gemeenschappelijke gronden. Voor Lijster moeten we de meent echter veel ruimer interpreteren. Ook de stad, het internet (Wikipedia!), de universiteit en nog veel meer dan dat zijn eigenlijk van ons allemaal. Het is enkel door de voortdurende onteigening die eigen is aan de kapitalistische roofzucht dan het anders uitpakt. ‘De gemeenschap van de meenten is de 99%’, staat er letterlijk (blz. 192). Op blz. 264 lezen we dan weer dat de meent vooral gaat om “basale levensvoorzieningen […], voedsel-en energievoorzieningen, scholing, zorg, huisvesting, transport, informatie, cultuur, enzovoorts” die we beter niet begrijpen als koopwaar, maar als meenten, die ons gemeenschappelijk toebehoren. Die enzovoorts is mijn cursief, want het is in het boek niet duidelijk, maar wel belangrijk waar dit begint en waar het ophoudt. Het werk presenteert zich nergens expliciet als communistisch, al ligt het verschil daarmee in de invulling van die enzovoorts, wat veeleer vaag blijft.
Lijster kan er niet omheen dat hij moeilijk voor de meent en niet tegelijk voor de gemeenschap kan pleiten, maar het concept ‘gemeenschap’ is – althans voor Lijster – dermate besmet door rechts dat hij zich in bochten wringt om de koppeling niet te moeten maken. Een meer ontspannen omgang met andere denktranten zou het betoog geen kwaad hebben gedaan. Daarvoor staat het stevig genoeg.
Er is wat gehannes met taal dat aan Derrida doet denken (gemeenzin in plaats van gezond verstand) en we lezen dat een cirkelredenering niet ondeugdelijk is, als het om een open cirkel gaat (blz. 191). Elders staat “[Het] wijst op het niet-samenvallen-met-zichzelf van de gemeenschap en juist daardoor toont het zichzelf als de échte gemeenschap”. De quote is hier uiteraard uit de context gehaald, maar niet alle redeneringen zullen door iedereen gepruimd worden. Ze staat in deel IV (er zijn vijf delen en 317 bladzijden) onder niet-identiteitspolitiek, volgens mij het zwakkere deel van de tekst. De analyse van de stad en het internet als meent zijn dan weer bijzonder sterk.
Lijster zet zich niet alleen in theorie in de marxistische traditie. Hij wil de wereld niet enkel beschrijven maar ook veranderen, weze het vooral door de meent als nieuw groot verhaal naar voor te schuiven. Pleiten voor een omslag in het denken, doet hij met verve, maar anderzijds heb ik de indruk dat Lijster de meent ziet als panacee, een medicijn tegen alle kwalen, wat niet echt lukt.
De problematiek die aangekaart wordt, is planetair en niet globalistisch (blz. 273). Het verschil staat uitgelegd als universeel versus winstgedreven, maar het boek zou in Vlaanderen beter liggen als het wat minder op de Nederlandse markt was gericht. Arjen Lubach, zzp’ers, minister Wiebes … Het doet hier niet veel belletjes rinkelen. Dat had makkelijk anders gekund.
Thijs Lijster is als kunst- en cultuurfilosoof verbonden aan de Rijksuniversiteit Groningen. Hij schrijft regelmatig voor De Groene Amsterdammer en Filosofie Magazine. Met De grote vlucht inwaarts (2016) viel hij in de prijzen. Met Wat we gemeen hebben zoekt hij mee naar een alternatief voor het falende neoliberalisme dat de planeet en de samenleving(en) naar de knoppen helpt.

Nick De Clippel
Thijs Lijster
Nick De Clippel
Non-fictie
Nick De Clippel is master in de filosofie (KULeuven).
_Nick De Clippel -
Meer van Nick De Clippel

_Van zelfde auteur

_Nieuwste recensies

Bekijk alle nieuwe recensies