16 juni 2026
Vrijheid zonder vrijspraak. Kunst en verantwoordelijkheid bij Leopold Flam
Vrijheid wordt maar al te graag voorgesteld als een verworvenheid. Men bereikt haar door bevrijding, door emancipatie, door het langzaam afwerpen van wat men als dwang ervaart. In dat geruststellende verhaal verschijnt vrijheid als iets wat men eindelijk bezit zodra men zich heeft losgemaakt. Leopold Flam heeft naar mijn aanvoelen dat beeld altijd met argwaan bekeken. In zijn existentieel denken verschijnt vrijheid niet als iets wat men geleidelijk verwerft, maar als iets wat men, hoe ongemakkelijk ook, eenvoudigweg niet kan ontwijken ('De gekwetste existentie'. Essays en gedachten, Antwerpen, Filosofische Kring Aurora vzw, 1983 (Aurorasporen, deel 10); heruitgave Berchem-Antwerpen/Brussel, 'Het zoekend hert' & Humanistisch Verbond, 2025).
Vrij zijn betekent bij hem dan ook niet: kunnen doen wat men wil. Het betekent: moeten staan voor wat men niet heeft gekozen. Vrijheid is geen rustige toestand, maar een onafwendbare situatie waarin men blijft staan bij wat niet kan worden teruggenomen. Flam herneemt die gedachte telkens opnieuw wanneer hij over verantwoordelijkheid schrijft, niet als een abstract principe, maar als een persoonlijke last die geen verklaring van buitenaf verlicht.
Die ernst begint voor hem al in de manier waarop iemand zijn gedachten vormgeeft. In De kunstenaar (Brussel, Studiereeks van het Tijdschrift van de Vrije Universiteit Brussel, 1981) schrijft Flam dat een auteur die zuiver logisch schrijft niet alleen onleesbaar is, maar vals of onwerkelijk: een betoog dat nergens wringt en overal klopt, ontwijkt de werkelijkheid juist omdat het haar wegpolijst. Wie zo schrijft, liegt niet door wat hij zegt, maar door hoe hij het zegt, en dat oordeel geldt voor Flam evengoed voor wie schildert, componeert of beeldhouwt. De vorm van een werk veraadt de houding van de maker tegenover wat hij aanraakt.
Die overtuiging loopt door zijn beschouwingen over kunst. Kunst is voor Flam geen uitdrukking van vrijheid, maar een confrontatie ermee. Wat haar van vermaak of zelfbevestiging onderscheidt is, naar mijn aanvoelen, precies wat Freud Das Unheimliche noemde: dat wat tegelijk vertrouwd en vreemd is, wat men herkent zonder het te kunnen thuisbrengen, het tegenovergestelde van wat ons gerustgesteld laat. Niet de herkenning, maar de lichte, ongemakkelijke huivering die echte kunst veroorzaakt, is het teken dat zij iets raakt wat men liever ongemoeid had gelaten. In zijn essays benadrukt Flam dat het kunstwerk niet ergens naast het leven staat, maar er ruw en onmiddellijk uit voortkomt, als iets waarvoor niemand anders kan instaan dan degene die het eigenhandig heeft gemaakt (De kunstenaar, 1981).
Flam omschrijft de kunstenaar in diezelfde studie als een demiurg: bouwmeester van de kosmos, beeldhouwer van de mens, schepper en maker, een tovenaarsleerling die iets nieuws voortbrengt zonder de gevolgen volledig te beheersen. Die formulering legt het gewicht waar het hoort: de tovenaarsleerling beheerst het resultaat niet volledig, maar hij heeft het wel gemaakt, en hij is er dan ook voor verantwoordelijk, ongeacht wat het teweegbrengt of nalaat. Daarbij legt Flam een onderscheid bloot dat voor zijn denken over verantwoordelijkheid cruciaal is. De zogenaamde kenner bekijkt het kunstwerk zakelijk, nuchter en kritisch: hij identificeert, klasseert en ontleedt, en meent daarmee recht te doen aan wat hij voor zich heeft. Maar dat is geen werkelijk kijken. Echte aanschouwing veronderstelt, schrijft Flam, meditatie, contemplatie en bespiegeling: drie bewegingen die elkaar opvolgen en verdiepen. Door meditatie wordt men een met het beeld en vervaagt het ik-bewustzijn; vervolgens volgt de beschouwing van het andere en van zichzelf; en daaruit groeit de speculatief-reflectieve uiteenzetting. Wie slechts klasseert en ontleedt, houdt zichzelf buiten en ontwijkt daarmee de ernst die het werk van hem vraagt (De kunstenaar, 1981).
Van daaruit verzet Flam zich tegen twee hardnekkige misverstanden. Het eerste is dat kunst autonoom zou zijn in de zin van onschuldig, zwevend boven het gewone menselijke bestaan. Het tweede is dat zij volledig in dienst zou moeten staan van een vooraf vastgestelde bedoeling. Beide opvattingen ontlasten de maker op een heimelijke manier: de ene door kunst buiten het bestaan te plaatsen, de andere door haar onder een hoger doel te schuiven. Voor Flam zijn dat twee manieren om aan de eigenlijke ernst te ontsnappen.
Voor Flam staat kunst midden in het leven en draagt zij hetzelfde gewicht als elk ander menselijk handelen, zoals hij in De kunstenaar (1981) herhaaldelijk verdedigt. In De gekwetste existentie (1983) voegt hij daar iets aan toe dat dit gewicht nog verzwaart: in het gewone leven heerst over het algemeen statistische regelmaat, en soms zijn er uitzonderingen die als wonderen worden beleefd en benoemd, maar het is vooral in de kunstwerkzaamheid dat die uitzondering een doorslaggevende rol speelt. Het belangrijke kunstwerk is uitzonderlijk en heeft daardoor het karakter van een wonder: het is niet volledig verklaarbaar uit zijn omstandigheden, en de maker kan er niet achter schuilen alsof het buiten hem om is ontstaan.
Vrijheid verschijnt hier dan ook niet als een aangenaam gevoel van onafhankelijkheid maar als een onherleidbaarheid die geen uitweg biedt. De kunstenaar kan zich niet beroepen op noodzaak, stijl, tijdsgeest of opdracht. Ook innerlijke drang biedt geen werkelijke uitweg, want zulke verklaringen mogen begrijpelijk zijn, zelfs invoelbaar, zij nemen niets weg van wat er ligt. Naar mijn lezing van Flam begint vrijheid precies waar verontschuldiging ophoudt, en dat maakt haar tot iets wat niet kan worden omgevormd tot een aangenamer gevoel zonder haar tegelijk te verliezen.
De kunstenaar is bij Flam beslist geen uitzonderingsfiguur die boven de gewone moraal uitstijgt. Hij is niet meer vrij dan anderen, maar wel aanzienlijk minder beschermd. Waar anderen nog kunnen verwijzen naar een rol, een functie of een opdracht van buitenaf, blijft voor de kunstenaar alleen over wat hij onmiskenbaar zelf heeft gemaakt (De kunstenaar, 1981). Die soms benauwende eenzaamheid is geen romantische pose maar het sobere gevolg van ernst. Vrijheid is bij Flam niet iets wat men bezit of verdient, maar iets wat men voortdurend bevestigt of verzaakt in de manier waarop men maakt, elke keer opnieuw, zonder garantie en zonder instantie die het resultaat van tevoren goedkeurt.
Kunst die zichzelf nadrukkelijk als louter spel presenteert, ontwijkt die ernst. Kunst die haar eigen gewicht omzeilt door zich te verschuilen achter een vooraf vastgestelde bedoeling, doet hetzelfde. In beide gevallen wordt de last verschoven naar iets of iemand anders. Flam weigert die verschuiving.
Het kunstwerk zegt niet hoe men moet leven. Het wil niets verklaren en niets beslechten. Wat zichtbaar wordt in een oprecht gemaakt werk, verdwijnt niet in uitleg of verontschuldiging achteraf. Wie eerlijk kijkt, kan niet doen alsof het hem niet raakt: echte kunst raakt wat men meende te kennen maar liever ongemoeid had gelaten. Elke esthetiek die kunst als zachte compensatie beschouwt, miskent dat: kunst verzacht niets wezenlijks. Zij kan ontregelen, openleggen, zichtbaar maken, maar zij dekt nooit iets toe. Ook zichzelf niet (De kunstenaar, 1981).
Wie Flams teksten over kunst aandachtig leest, merkt hoe opvallend weinig hij over schoonheid spreekt. Niet omdat hij haar onbelangrijk acht, maar omdat schoonheid in zijn ogen maar al te gemakkelijk wordt ingezet als verzoening, als iets wat het ondraaglijke draaglijk maakt. Flam zoekt iets minder behaaglijks: de bereidheid om te kijken naar wat er werkelijk is, zonder het om te buigen naar iets aanvaardbaars. Vrijheid zonder vrijspraak betekent uiteindelijk leven zonder iets om achter te schuilen, zonder de troost van wat men niet heeft gekozen, zonder de mogelijkheid om nog een verzoenende stap terug te zetten. Jean-Paul Sartre formuleerde het nuchter: 'L'homme est responsable de ce qu'il est' (L'existentialisme est un humanisme, 1946, p. 26).
Flam heeft die situatie nooit verheerlijkt en er zeker geen heroisch schouwspel van gemaakt. Hij heeft haar beschreven en haar, wat zeldzamer is, met een hardnekkige ernst volgehouden die zijn hele schrijversleven lang standhield. Dat is zijn eigenlijke bijdrage, en zij vraagt om herlezen.