Kwintessens
Geschreven door Ann De Buck en Lieven Pauwels
  • 80 keer bekeken
  • minuten leestijd
  • Reacties

29 juni 2026 'Een zoektocht naar menselijkheid (deel II). Dirk Verhofstadt in gesprek met Johan Braeckman' (deel 4)
In de vorige delen van deze tekst stonden taal, geweld en de menselijke maakbaarheid centraal. In dit vierde deel verschuift de aandacht naar de vrije wil.
_Over de vrije wil
Het vierde hoofdstuk behandelt de vraag in welke mate de mens beschikt over vrije wil en in hoeverre zijn gedrag wordt bepaald door onderliggende oorzaken. Dit vraagstuk raakt aan fundamentele concepten zoals autonomie, verantwoordelijkheid en moraliteit, en heeft belangrijke implicaties voor sociale en juridische systemen. Het debat over de vrije wil is diep verankerd in religieuze, filosofische en wetenschappelijke tradities en tot vandaag blijft het een van de meest complexe en omstreden kwesties. De dialoog vertrekt vanuit twee perspectieven. Dirk Verhofstadt benadrukt het intuïtieve belang van vrije wil voor verantwoordelijkheid en moraliteit. Johan Braeckman stelt daar een meer deterministische visie tegenover en bevraagt kritisch het klassieke begrip van vrije wil.
Het hoofdstuk opent met een verwijzing naar Baruch Spinoza, die stelt dat mensen zichzelf als vrij ervaren omdat ze zich bewust zijn van hun handelingen, maar niet van de oorzaken die die handelingen bepalen. Deze gedachte vormt een rode draad doorheen het hoofdstuk: de ervaring van vrijheid kan losstaan van de werkelijke determinanten van gedrag. In religieuze en mythologische tradities wordt vrije wil vaak als vanzelfsprekend aangenomen. Verhalen zoals dat van Adam en Eva tonen een mensbeeld waarin individuen bewust kiezen tussen goed en kwaad en daarvoor verantwoordelijk worden gehouden. Vrije wil wordt hier opgevat als het vermogen om tussen verschillende opties te kiezen na deliberatie. Deze opvatting ligt aan de basis van morele oordelen en praktijken zoals schuld en straf.
De Griekse filosofie introduceert een breuk met deze mythische benadering. Filosofen zoeken rationele en causale verklaringen voor fenomenen en nemen afstand van mythologische interpretaties. Hierdoor ontstaat een spanning: de wereld lijkt onderhevig aan oorzakelijke wetmatigheden, maar tegelijk blijft de intuïtie bestaan dat mensen vrij handelen. Binnen de filosofie zijn verschillende pogingen gedaan om met deze spanning om te gaan. Het compatibilisme stelt dat determinisme en vrije wil niet noodzakelijk onverenigbaar zijn. Mensen kunnen vrij handelen, zolang hun gedrag voortkomt uit hun eigen overtuigingen en verlangens.
Daartegenover staan twee andere filosofische posities. Het libertarisme verdedigt dat mensen daadwerkelijk vrij zijn en dat hun keuzes niet volledig bepaald worden door voorafgaande oorzaken. Het vrije-wil-scepticisme ontkent daarentegen dat vrije wil bestaat en beschouwt menselijk gedrag als het resultaat van causale processen.
De auteurs besteden bijzondere aandacht aan Spinoza, die een belangrijke inspiratie vormt voor de benadering van Johan Braeckman. Spinoza verwerpt het idee van vrije wil als afzonderlijk vermogen. Braeckman spreekt over een schijnverklaring: verwijzen naar vrije wil verklaart niets, net zoals het verwijzen naar een 'slaapverwekkende kracht' niet verklaart waarom opium slaap veroorzaakt.
In Spinoza’s visie maakt de mens deel uit van één causale werkelijkheid, waarin alles noodzakelijk uit elkaar voortvloeit. Dit betekent echter niet dat vrijheid volledig verdwijnt. Spinoza herdefinieert vrijheid als zelfdeterminatie. Hoe meer ons handelen voortkomt uit inzicht en rationeel begrip van de oorzaken die ons bepalen, hoe vrijer we zijn. Vrijheid ligt dus niet in het ontbreken van oorzaken, maar in het begrijpen ervan. Vrijheid wordt daarmee een gradueel begrip. Mensen kunnen in verschillende mate vrij zijn, afhankelijk van hun kennis, hun rationele vermogens en hun vermogen tot reflectie. Dit wordt geïllustreerd aan de hand van concrete voorbeelden, zoals het verschil tussen iemand die weloverwogen keuzes maakt en iemand die impulsief handelt.
Deze filosofische inzichten sluiten aan bij moderne wetenschappelijke benaderingen. De auteurs verwijzen naar het werk van Robert Sapolsky, die menselijk gedrag beschrijft als het resultaat van een complex netwerk van oorzaken op verschillende niveaus, gaande van genetische en neurologische factoren tot sociale en culturele invloeden. Ook het idee van toeval wordt in dit kader herbekeken. Wat als toeval wordt ervaren, kan vaak worden begrepen als het kruisen van verschillende causale processen. Toeval vormt volgens de auteurs geen basis voor vrijheid, maar eerder een vorm van willekeur.
In het gesprek wordt het begrip vrije wil door Johan Braeckman expliciet bekritiseerd omdat het geen verklarende waarde heeft. Het verwijzen naar vrije wil verduidelijkt niet waarom mensen handelen zoals ze doen, maar herformuleert enkel het verschijnsel. Het komt neer op een cirkelredenering: gedrag wordt verklaard door te zeggen dat iemand vrij gekozen heeft, terwijl die vrije keuze zelf niet verder verklaard wordt, maar eenvoudigweg verondersteld op basis van vrij gekozen gedrag. Het suggereert bovendien dat er ergens in het brein een afzonderlijke beslissingsinstantie bestaat, vergelijkbaar met een homunculus. Dit leidt tot een regressieprobleem in plaats van een echte verklaring. De ontkenning van vrije wil roept belangrijke vragen op over verantwoordelijkheid en straf. Volgens Braeckman betekent een deterministische visie niet dat normafwijkend gedrag moet worden getolereerd. Wel verschuift de focus van schuld en bestraffing naar begrip van oorzaken, preventie en herstel.
Neurowetenschappelijke voorbeelden, zoals gedragsveranderingen door hersentumoren, tonen aan hoe sterk gedrag beïnvloed kan worden door factoren buiten de controle van het individu. Ook dagelijkse fenomenen zoals vermoeidheid of stress maken duidelijk dat menselijk handelen vaak minder vrij is dan intuïtief wordt aangenomen. Toch verdwijnt verantwoordelijkheid niet volledig. De auteurs pleiten voor een gradueel begrip van verantwoordelijkheid, in lijn met het graduele karakter van vrijheid. Mensen blijven verantwoordelijk in de mate waarin zij inzicht hebben in hun handelen en hun gedrag kunnen bijsturen. Deze inzichten hebben ook maatschappelijke implicaties. Een deterministisch perspectief kan leiden tot meer empathie en tot een humaner strafsysteem, met meer aandacht voor de omstandigheden die gedrag beïnvloeden. Tegelijk blijft het mogelijk en noodzakelijk om de samenleving actief te verbeteren, aangezien mensen elkaar causaal beïnvloeden.
Het hoofdstuk evolueert uiteindelijk naar de conclusie dat de klassieke notie van vrije wil als onbeperkte keuzevrijheid moeilijk houdbaar is. Tegelijk blijft een begrip van vrijheid in termen van zelfdeterminatie betekenisvol. De aandacht verschuift daarmee van de vraag of de mens vrij is naar de vraag in welke mate hij inzicht heeft in de oorzaken van zijn gedrag en op basis daarvan zijn handelen kan vormgeven.
_De centrale boodschap
Braeckmans centrale boodschap hier is dat vrije wil in de klassieke zin van onbeperkte keuzevrijheid moeilijk te verdedigen is binnen een causale werkelijkheid. Tegelijk blijft vrijheid betekenisvol wanneer ze wordt begrepen als zelfdeterminatie: het vermogen om, op basis van inzicht in de oorzaken van ons gedrag, ons handelen in een bepaalde mate richting te geven.
_Bedenkingen over de vrije wil
De gesprekken in het vierde hoofdstuk tonen dat het soms oeverloze debat over de vrije wil zich niet laat herleiden tot een eenvoudige tegenstelling. Wat op het eerste gezicht een klassieke vraag lijkt, hebben mensen vrije wil of niet, blijkt intussen bij nader inzicht een complex spanningsveld waarin verschillende intuïties en verklaringsmodellen met elkaar botsen. Enerzijds leeft de soms hardnekkige overtuiging dat mensen vrij handelen en verantwoordelijk zijn voor hun keuzes. Anderzijds wijzen zowel filosofische als wetenschappelijke inzichten op het fundamenteel causale karakter van menselijk gedrag, dat gevormd wordt door biologische, psychologische en sociale factoren.
Datzelfde spanningsveld zien we terug in het hedendaagse wetenschappelijke debat. Neurowetenschappers zoals Robert Sapolsky en Kevin Mitchell vertrekken van gelijkaardige empirische bevindingen uit genetica, neurobiologie en gedragswetenschappen, maar trekken uiteenlopende conclusies. Sapolsky verdedigt een uitgesproken deterministische visie en stelt dat vrije wil niet kan bestaan, omdat gedrag volledig voortvloeit uit een causale keten zonder breukmoment waarin het individu autonoom beslist. Mitchell verwerpt eveneens het klassieke begrip van vrije wil, maar leest diezelfde complexiteit anders: hij ziet er de voorwaarde in voor beperkte zelfsturing en introduceert het begrip 'agency' om doelgericht en flexibel handelen binnen causale structuren te beschrijven.
De betekenisverschuiving van 'vrije wil' naar 'agency' is verhelderend, al moet gezegd dat beide begrippen soms als synoniemen worden gebruikt. De mens verschijnt niet langer als een wezen dat los van oorzaken keuzes maakt, maar als een systeem dat handelt binnen die oorzaken. Agency verwijst dan niet naar absolute vrijheid, maar naar controle en zelfsturing binnen een causale structuur. Maar ook dit begrip is niet eenduidig. Mitchell geeft het een sterke invulling en koppelt agency aan verantwoordelijkheid, terwijl de evolutionaire ontwikkelingspsycholoog Michael Tomasello (2022) het eerder functioneel benadert als een eigenschap van gedragsorganisatie. Voor Tomasello draait agency om de mogelijkheid om gedrag flexibel aan te passen aan veranderende omstandigheden. 
Flexibiliteit is een sleutelbegrip. Tomasello legt het verschil tussen organismen niet zozeer in de complexiteit van hun gedrag, maar in de mate waarin ze dat gedrag kunnen bijsturen in functie van doelen en context. Gedrag dat volledig vastligt in biologische patronen, laat weinig ruimte voor individuele controle. In onvoorspelbare omgevingen volstaan zulke vaste reacties niet. Daar ontstaat de nood aan systemen die informatie verwerken, keuzes maken en gedrag voortdurend bijsturen. Agency wordt dan een vorm van feedbackgestuurde controle binnen een dynamisch geheel van invloeden. 
Lossen deze inzichten het klassieke probleem van de vrije wil op? We vragen ons af of het begrip agency niet het risico loopt een soort deus ex machina te worden, een nieuwe benaming voor vrije wil die opnieuw meer veronderstelt dan verklaart. Organismen kiezen immers niet voor hun agency.
De discussie draait minder om de vraag of gedrag oorzakelijk bepaald is, daarover bestaat nauwelijks nog twijfel, en meer om hoe we controle en autonomie binnen dat causale kader begrijpen. De tegenstelling tussen determinisme en vrijheid verdwijnt niet, maar verliest wel haar scherpe grenzen. Ook moeten we af van het idee van een 'innerlijke beslisser'. Zoals Johan Braeckman benadrukt, biedt het weinig inzicht om gedrag toe te schrijven aan een aparte mentale instantie die vrij kiest. Zo’n voorstelling verklaart niet hoe gedrag werkelijk tot stand komt. De uitdaging ligt in het denken over agency zonder beroep te doen op een homunculus, en eerder te zien als een specifieke organisatie van controle binnen het systeem zelf. 
In zijn thesis over The Free Will Discussion beargumenteert Eric Kerckhofs (2025) dat vrije wil moeilijk als een eenduidig fenomeen kan worden vastgelegd en dat een empirische beslechting van het debat in strikte zin niet mogelijk is. Kerckhofs beschouwt vrije wil eerder als een gradueel en contextafhankelijk fenomeen, waarbij menselijke keuzes voortkomen uit een complexe wisselwerking tussen biologische, psychologische en sociale factoren. Hoewel een groot deel van menselijk gedrag automatisch en onbewust verloopt, blijft er ruimte voor vormen van bewuste controle, zelfsturing en doelgericht handelen. Tegelijk benadrukt hij dat vrije wil als zodanig niet empirisch kan worden bewezen of weerlegd, omdat het in essentie een filosofisch probleem blijft dat door wetenschappelijke inzichten slechts kan worden afgestoft en geïnformeerd.
Een definitieve oplossing voor het vrije-wil-debat lijkt onwaarschijnlijk. De uiteenlopende benaderingen tonen niet alleen dat er geen consensus bestaat, maar roepen ook de vraag op of het begrip zelf nog wel voldoende helder en bruikbaar is. Naarmate wetenschappelijke inzichten toenemen, wordt het klassieke idee van een autonome wil steeds moeilijker vol te houden, terwijl pogingen tot herformulering, bijvoorbeeld in termen van agency, het oorspronkelijke concept vaak zodanig herdefiniëren dat het een andere betekenis krijgt. Wanneer een begrip zo rekbaar wordt dat het uiteenlopende en zelfs tegenstrijdige betekenissen krijgt, dan dreigt het zijn analytische waarde te verliezen. In die zin kan men zich afvragen, zoals ook Johan Braeckman doet, of het begrip 'vrije wil' niet hetzelfde lot moet ondergaan als andere theoretische concepten waarvan eerder al werd betoogd dat ze beter in the deep ocean kunnen worden gedumpt.
Mensen beschikken niet over onbeperkte keuzevrijheid, maar zijn ook niet volledig passief. Ze bewegen zich in een tussengebied waarin gedrag enerzijds voortkomt uit complexe oorzaken, maar anderzijds in zekere mate gestuurd en aangepast wordt. Deze herformulering heeft belangrijke implicaties voor verantwoordelijkheid, schuld en straf. Als gedrag grotendeels causaal bepaald is, wordt het moeilijker om individuen volledig verantwoordelijk te houden. De intuïtie blijft toch bestaan dat mensen aansprakelijk zijn voor hun daden en dat normovertredingen bestraft moeten worden.
De maatschappelijke relevantie van dit debat is vooral duidelijk wanneer we kijken naar de manier waarop mensen elkaar beoordelen en veroordelen. Vanuit een evolutionair perspectief, zoals uitgewerkt door Morris Hoffman (2014), blijken onze neigingen om te oordelen, te straffen en te vergeven geen louter rationele of cultureel verworven reacties te zijn, maar diep verankerd te liggen in onze biologische en sociale ontwikkeling. Mensen zijn geëvolueerd als sociale wezens die geneigd zijn tot samenwerking en tot het schenden van regels, en beschikken daarom over psychologische mechanismen om normovertredingen te detecteren en te sanctioneren.
Die mechanismen richten zich sterk op het toeschrijven van verantwoordelijkheid. Precies omdat we een sociale soort zijn, beoordelen we gedrag op basis van intentie en schade, en die elementen vormen dan ook de kern van onze ideeën over schuld en straf. Vanuit een evolutionair perspectief kunnen schuld, bestraffing, vergelding en vergeving gezien worden als complementaire strategieën om sociale orde te handhaven en samenwerking mogelijk te maken en in die zin zijn het geëvolueerde oplossingen voor het (morele) commitmentprobleem of het belangenconflict, zoals ook beschreven door de evolutionaire econoom Robert Frank (1988). Wanneer een norm wordt overtreden en schade wordt toegebracht, ontstaat een probleem dat om herstel vraagt: een grens is overschreden en het sociale evenwicht is verstoord. Bestraffing en vergelding kunnen middelen zijn om normhandhaving en afschrikking te verzekeren, terwijl vergeving en herstel gericht zijn op het behoud of herstel van sociale relaties.
In eerdere delen van deze reeks kwam het werk van Lixing Sun al aan bod. Zijn analyse van het zogenaamde fairness instinct sluit daarbij aan. Mensen hebben een sterke neiging om waargenomen onrechtvaardigheid te corrigeren. In wat hij de Robin Hood-mentaliteit noemt, uit zich dit als de intuïtieve impuls om ongelijkheid recht te zetten, zelfs wanneer dit gepaard gaat met bestraffing of schade voor anderen. Agressie en bestraffing worden dan niet enkel gedreven door dominantie of wraak, maar ook door een gevoel van morele rechtvaardiging.
Die spanning wordt ook benadrukt in het recente werk van Kathryn Paige Harden: Original Sin (2024). Vertrekkend vanuit inzichten uit genetica en psychologie, argumenteert zij dat menselijk gedrag in belangrijke mate gevormd wordt door factoren buiten de directe controle van het individu. Tegelijk pleit zij ervoor om verantwoordelijkheid niet eenvoudig los te laten, maar te herdenken in het licht van deze kennis. Niet minder, maar anders begrijpen is de kern van haar boodschap: hoe omgaan met schuld en straf wanneer we beter begrijpen hoe sterk gedrag wordt beïnvloed door biologische en omgevingsfactoren.
Het debat over vrije wil kan niet losstaan van onze praktijken van schuldtoeschrijving en bestraffing. Zelfs wanneer we erkennen dat gedrag in belangrijke mate causaal bepaald is, blijven onze intuïtieve reacties op intentie, verantwoordelijkheid en schade bestaan, precies omdat ze steunen op geëvolueerde mechanismen, zoals bestraffing, die gericht zijn op het mogelijk maken en handhaven van sociale samenwerking. De vraag verschuift daardoor van de klassieke tegenstelling tussen vrijheid en determinisme naar een meer fundamenteel probleem: hoe we, gegeven onze biologische en sociale natuur, op een rechtvaardige manier omgaan met schuld en straf.
In het volgende en laatste deel bespreken we het vijfde boekhoofdstuk over menselijke zingeving.
Lees hier deel 1, hier deel 2 en hier deel 3 van dit essay. 
Kwintessens
Lieven Pauwels is hoogleraar (UGent) en doceert Evolutie en Menselijk Sociaal Gedrag, Criminaliteitspreventie en Statistiek. Zijn onderzoek spitst zich toe op de wisselwerking tussen individu, omgeving en antisociaal gedrag.
Ann De Buck is FWO-postdoctoraal onderzoeker (UGent). Haar onderzoek focust op de rol van (morele) emoties in de verklaring van antisociale gedragskeuzes.
_Ann De Buck en Lieven Pauwels Auteur
Meer van Ann De Buck en Lieven Pauwels

_Recent nieuws

Bekijk alle nieuwe berichten

_Populair nieuws

Bekijk meer populair nieuws