Albert Camus
Paul Van Aelst
Non-fictie
  • 426 keer bekeken
  • minuten leestijd
  • Reacties

Waardering

23 maart 2024 De mens in opstand
Camus wordt vaak naast Sartre en de Beauvoir genoemd als een van de vooraanstaande denkers van het existentialisme. Bij het verschijnen van “De mens in opstand” is de breuk met Sartre echter definitief: Camus stelt het tastbare centraal.
Albert Camus werd geboren in Frans-Algerije in 1913. Moeder was van Spaanse afkomst en vader sneuvelde in 1914 tijdens de Eerste Wereldoorlog. De jonge Albert bracht zijn jeugd door in armoedige omstandigheden in Algiers. Dankzij een beurs en op aandringen van zijn onderwijzer kon hij in 1923 naar het lyceum. Daarna studeerde Albert filosofie aan de Universiteit van Algiers. Hij kreeg tuberculose in 1930 en zag zich verplicht zijn studies deeltijds verder te zetten. In 1935 behaalde hij zijn licentie filosofie en in 1936 verdedigde hij succesvol zijn scriptie over Plotinus.
Ondertussen was hij in 1934 lid geworden van de Franse Communistische Partij uit bezorgdheid over de politieke situatie in Spanje. Door zijn activiteiten met de Parti du Peuple werd hij beschuldigd van trotskisme en in 1937 uit de communistische partij gezet. Hij schreef voor verschillende kranten en tijdschriften. Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog was hij pacifist. Maar in 1941 was hij getuige van de executie van Gabriel Péri wat zijn opstandigheid tegen de Duitsers opwekte. Hij verhuisde samen met de werknemers van het dagblad Paris-Soir naar Bordeaux. In 1942 kreeg hij echter van de dokter het advies gezondere berglucht op te zoeken. Hij voltooide dan zijn eerste werken: De vreemdeling en De mythe van Sisyphus, beide in 1942.
Na de oorlog maakte hij deel uit van de groep rond Sartre. In de Verenigde Staten hield hij een reeks lezingen over het Franse existentialisme. Links georiënteerd leverde hij toch zware kritiek op de communistische stalinistische doctrine. Dat leidde in 1952 tot een eerste barst in de relatie met Sartre. De uitgave van De mens in opstand leidde tot de volledige breuk met Sartre die het werk zeer slecht ontving en in zijn blad “Les temps modernes” het boek een zeer slechte recensie gaf.
In 1956 publiceerde Camus zijn roman De val en in 1957 kreeg hij de Nobelprijs voor literatuur. Hij kreeg de prijs voor zijn essay tegen de doodstraf Réflexions sur la Guillotine uit 1947. Camus overleed begin 1960 door een auto-ongeluk.
Camus wordt beschouwd als de grondlegger van het absurdisme. Zijn filosofie is erg verbonden aan het existentialisme. Volgens dat absurdisme zijn mensen fundamenteel rationeel. Het menselijk lijden is het resultaat van een hopeloos zoeken om rede of betekenis te vinden in een redeloos en zwijgend universum. Camus stelde dat de enige filosofische vraag die ertoe deed die van zelfmoord was.
De polemiek tussen Sartre en Camus ging over het ideologisch gegoochel waarmee het “reëel bestaande socialisme” in Rusland, China of Cuba door westerse intellectuelen werd verdedigd. Camus ging hier tegenin en ontwikkelde zijn gedachten hierrond in L’ homme révolté (1951) met zijn kritiek op de burgerlijke maatschappij. Een jaar later verscheen de tekst reeds in een Nederlandse vertaling: De mens in opstand. Een boek dat gezien werd als een veroordeling van het communisme in de toenmalige Sovjet-Unie. Het verscheen op het hoogtepunt van de Koude Oorlog in Europa.
Voor Sartre had Camus met dat werk de kapitalistische en imperialistische tegenstander aan een morele grond geholpen. In de ogen van Sartre bleef de Sovjet-Unie de enige hoop voor het proletariaat en de verlangde bevrijding van de mensheid. De mens in opstand was het antwoord van Camus op deze stelling. Hij beschreef hierin de terreur en de slavernij die de dagelijkse realiteit van deze communistische landen uitmaakte. Voor Camus waren kunstenaars de aangewezen tegenstanders van het nihilisme. De toekomst moest immers zelf gecreëerd worden, zoals de kunstenaar uit het niets tot een schepping overgaat. Het is als een vorm van bewust verzet tegen de absurditeit.
In het boek ging Camus na waarom het met alle revoluties zo rampzalig was misgegaan. Zijn werk geeft een overzicht doorheen de geschiedenis van verzet en revolutie. Hij erkent het metafysisch verzet van de Sade, de dandy’s, de surrealisten, Dostojewski en Nietzsche tot het historisch verzet van Saint-Just, Hegel, de Russische terroristen, Marx, Lenin en Stalin. Volgens Camus valt deze geschiedenis van revolutie samen met de pogingen van de mens om god te verstoten en zichzelf op die hemelse troon te plaatsen. Dit ging echter te dikwijls samen met het rechtvaardigen van het kwaad en van moorden op de medemens. De schuld zocht Camus bij Marx en daarvoor al bij Hegel. Hij ziet als bron voor het Marxistisch nihilisme de verabsolutering van de geschiedenis door Hegel en Marx. Zijn kritiek richt zich op het gebrek aan moraal.
In dit boek verdedigt Camus de noodzaak van een “zedelijke of metafysische wet die evenwicht brengt”. Camus was een moralist. Zijn moralisme gaat niet uit van abstracte, eeuwige waarden maar vindt haar oorsprong in opstandigheid en tegenspraak en in de strijd tegen slavernij, leugens en terreur. Ze keert zich dan ook tegen elke vorm van absolutisme.
Er is sinds 1952 veel veranderd in de wereld. De mens in opstand is nu dan ook vooral een historisch document. Een lang uitgewerkt essay waar Camus niet minder dan vier jaar aan had gewerkt. Hij beschouwde het zelf als zijn belangrijkste werk. Hij wilde afrekenen met het kritiekloos gedweep met de communistische dictatuur.
Voor Camus behoort de filosofie ons te herinneren aan de duidelijke dubbelzinnigheid van het bestaan. Het is niet de mens die in opstand komt, maar de mens is opstand. De mens is het enige schepsel dat weigert te zijn wat hij is. Daar begint het menszijn. Camus leert ons het belang van mens te blijven en geen god te willen worden.
De inhoud van De mens in opstand is abstract. Gelukkig is de stijl van Camus soepel en schrijft hij overtuigend. Het is echter geen gemakkelijk werk met zijn talrijke verwijzingen. Bovendien is wat in de vijftiger jaren werd gedacht, ingehaald door de werkelijkheid. Dit werk is de zoektocht van Camus naar wat – na het nazisme en het communisme – nog als waarden konden overblijven. Door het nihilisme heeft de revolte zich immers tegen haar oorspronkelijk doel gekeerd. Er is geen betere, rechtvaardigere wereld gekomen. De revoluties hebben alleen maar geleid tot mateloos geweld.
Camus’ les is dat we ons bewust moeten zijn dat onze vrijheid relatief is. Absolute vrijheid maakt elk recht immers onmogelijk. In plaats van te vernietigen, moet de mens scheppen. Hij moet het enige beeld creëren dat wij als mens moeten erkennen: de waardigheid van iedere mens als individu. Camus schreef met De mens in opstand meer dan 70 jaar geleden een moraalles. Maar het is een les die we nog steeds voor ogen moeten houden. Hij veroordeelde elk totalitair regime. Het boek is dan ook een politieke afrekening, ook het moreel nihilisme wordt scherp bekritiseerd. Door het beschrijvende karakter doet het niet gedateerd aan.

Paul Van Aelst
Albert Camus
Paul Van Aelst
Non-fictie
-
_Paul Van Aelst - Recensent
Meer van Paul Van Aelst

_Van zelfde auteur

_Nieuwste recensies

Bekijk alle nieuwe recensies