5 januari 2026
WIJ ZIJN GEEN MACHINES. Op zoek naar een nieuw mensbeeld
Eerst dit. De bekende uitspraak van François Backeljau (gespeeld door Luk Wyns) in de Vlaamse serie De familie Backeljau luidt: “… in wa veur ne wereld leven wij nà?” De ietwat bezwerende ‘formule’ wordt vaak ironisch gebruikt door Cois wanneer hij zich opwindt over de dagelijkse beslommeringen of zijn brutale buurman Marcel De Neudt. Het was een typische catchphrase uit de jaren 90, die de (volgens hem) algemene malaise of het absurdistische karakter van nogal wat dingen in zijn luie leventje perfect samenvatte…
Afijn. Trump, kunstmatige intelligentie, klimaatverandering, ecologische rampen, toenemende polarisatie en afnemend vertrouwen in instituties en in elkaar. Het zijn woorden die onze tijd markeren en die vaak in één adem worden genoemd. We leven in roerige tijden, waarin crises elkaar in hoog tempo opvolgen en het gevoel overheerst dat de wereld steeds minder overzichtelijk wordt. Juist daardoor verliezen we gemakkelijk het zicht op de grotere bewegingen die onder deze verschijnselen liggen.
Want de wereld waarin we zijn beland, is niet plotseling ontspoord. Zij is het resultaat van eeuwen van denken waarin beheersing, maakbaarheid en voorspelbaarheid centraal kwamen te staan. Ideeën die ooit bevrijdend waren, zijn langzaam verworden tot systemen die ons denken, organiseren en samenleven diepgaand vormen. We zijn onze samenleving steeds meer gaan inrichten alsof zij een machine is — efficiënt, controleerbaar en optimaliseerbaar — en zijn onszelf navenant gaan begrijpen als onderdelen daarvan.
Tegen deze achtergrond verschijnt Wij zijn geen machines. Op zoek naar een nieuw mensbeeld als een noodzakelijk en tegelijk eigenzinnig boek. Filosoof en biomedicus Walter Breukers en historicus en kunstenaar Jaap Godrie richten zich niet op oplossingen of modellen, maar op de aannames onder ons denken. Hun boek is geen handleiding, geen managementconcept en al helemaal geen messiaans verhaal over hoe het ‘nu eindelijk moet’. Het is een zoekende, soms rommelige, maar eerlijke poging om ruimte te maken voor een ander mensbeeld.
Centraal in het boek staat de kritiek op het mechanistische wereldbeeld, dat zijn wortels heeft in de Verlichting en bij denkers als Descartes en Hobbes. In die traditie wordt de mens opgevat als een rationeel, berekenbaar wezen, gestuurd door oorzaken en wetten die in principe volledig te doorgronden zijn. In hedendaagse varianten verschijnt dat denken in algoritmen, dataficatie en organisatiekunde: mensen als ‘human resources’, prestaties als meetbare output en werk als een proces dat geoptimaliseerd moet worden.
Breukers en Godrie laten overtuigend zien hoe dit mensbeeld niet alleen reducerend, maar ook vervreemdend werkt. Het ontneemt ruimte aan twijfel, moreel oordeelsvermogen en aan wat zich niet laat meten. In organisaties leidt dit tot wat zij het ‘ordeningsmoeras’ noemen: een verstikkende overvloed aan taal, schema’s en procedures die het handelen eerder verlamt dan ondersteunt.
De kern van hun betoog is niet dat technologie of wetenschap problematisch zou zijn, maar dat het onderliggende wereldbeeld — waarin alles wat leeft wordt behandeld alsof het een machine is — tekortschiet. De machine is van instrument tot dominante metafoor geworden voor mens-zijn.
Hoewel het boek zich niet expliciet als postmodern afficheert, is het wantrouwen tegenover grote verklarende verhalen onmiskenbaar. De auteurs ondergraven het idee dat taal de werkelijkheid transparant kan representeren en dat complexiteit uiteindelijk kan worden teruggebracht tot overzichtelijke modellen. Ambiguïteit, context en interpretatie krijgen voorrang boven helderheid en afronding.
Die houding werkt door in de vorm van het boek. Wij zijn geen machines is fragmentarisch, springerig en bewust onvolledig. Filosofische beschouwingen worden afgewisseld met fictie, kunstreflecties en meta-commentaar op het schrijfproces zelf. Dat leest niet altijd prettig, maar het dwingt de lezer wel om zijn eigen behoefte aan orde en consistentie onder ogen te zien.
Het boek weigert zich te gedragen als een goed geoliede machine — en dat is geen stilistische tekortkoming, maar een principiële keuze.
Een van de sterkste aspecten van het boek is de aandacht voor kunst en zintuiglijke ervaring als tegenkracht tegen mechanistisch denken. Waar organisaties vastlopen in taal en abstractie, zien Breukers en Godrie in kunst een mogelijkheid om opnieuw contact te maken met wat zich niet laat reduceren.
Tegelijkertijd verheffen zij kunst en taal niet tot nieuwe zekerheden. Integendeel: juist hun kwetsbaarheid komt expliciet aan bod. Dat wordt scherp verwoord in Hoofdstuk 10: Tussen Kunst en Wetenschap, waar de auteurs hun eigen project problematiseren:
‘We begonnen dit verhaal door te zeggen dat ons een wonder is overkomen. Nu we terugkijken, zien we dat het wonder al volop in de maak was, maar dat zagen we toen nog niet. Sterker nog: na enkele overwinningen op het mechanistische mensbeeld werd onze zoektocht naar een nieuw mensbeeld steeds lastiger. Jaap verloor zijn vertrouwen in de schilderkunst en ook mijn geloof in tekst brokkelde snel af …’
Deze passage raakt de kern van het boek. Niet alleen toont zij hoe hardnekkig het mechanistische denken is, maar ook hoe elk medium - schilderkunst, tekst, filosofie - het risico loopt zelf verstarrend te werken. Schrijven en schilderen zijn immers ook vormen van fixeren, terwijl het leven zich kenmerkt door beweging, improvisatie en verandering.
Juist deze zelftwijfel maakt het boek overtuigend. Wij zijn geen machines plaatst zich niet boven zijn onderwerp, maar midden in het probleem dat het onderzoekt.
Wat het boek nadrukkelijk níet doet, en wat het naar mijn aanvoelen sterker maakt, is het presenteren van een nieuwe allesomvattende managementoplossing. Geen blauwdruk, geen stappenplan, geen leiderschapsformule. Breukers en Godrie wantrouwen dat soort messiaanse strategieën, omdat ze vaak slechts een nieuwe variant zijn van hetzelfde beheersingsdenken.
In plaats daarvan benadrukken zij praktische wijsheid (phronesis): het vermogen om in concrete situaties het juiste te doen zonder dat daar een regel of protocol voor bestaat. Dat vermogen groeit met ervaring, empathie en moreel oordeelsvermogen. Het laat zich niet standaardiseren en verdraagt geen checklist.
Deze houding sluit aan bij een postmoderne ethiek, waarin handelen altijd contextueel is en nooit volledig te legitimeren met abstracte principes. Leiderschap vraagt hier niet om controle, maar om vertrouwen en het kunnen verdragen van onzekerheid.
Vanuit dit perspectief beschouwen de auteurs organisaties niet als machines, maar als levende ecosystemen. Relaties, verhalen en ervaringen zijn daarin minstens zo belangrijk als structuren en cijfers. Verandering ontstaat niet door ingrepen van bovenaf, maar door interactie, experiment en wederzijds vertrouwen.
Tijdens het lezen vormde zich bij mij het beeld van een organisatie die begint bij het herijken van haar doelen en waarden. Niet primair gericht op winst en meetbare prestaties, maar op wat zij wil bijdragen aan de wereld. Technologie ondersteunt daarin de mens, in plaats van hem te vervangen.
Het boek schrijft niet voor hoe zo’n organisatie eruit moet zien, en juist die openheid is consequent.
Als boek is Wij zijn geen machines tegelijk sterk en kwetsbaar. Sterk, omdat het weigert mee te bewegen in het dominante verlangen naar overzicht, oplossingen en hanteerbaarheid. Kwetsbaar, omdat die weigering soms doorschiet in een te scherpe tegenstelling tussen mechanisme en leven. Waar nuance wordt bepleit, wordt zij niet altijd volgehouden.
Die spanning is niet fataal, maar ze vraagt wel iets heel bijzonders van de lezer: geduld, bereidheid tot zelfreflectie en het verdragen van ongemak.
Wij zijn geen machines is zeer zeker geen boek voor lezers die op zoek zijn naar concrete organisatiemodellen of direct toepasbare inzichten. Wie helderheid, structuur en afronding verwacht, zal zich geregeld ergeren aan de fragmentarische vorm en het open einde.
Het boek is wél geschikt voor lezers die voelen dat het dominante taalgebruik in organisaties tekortschiet, maar die nog zoeken naar woorden voor wat er wringt. Voor professionals, denkers en makers die kunst, filosofie en organisatievragen niet strikt gescheiden willen houden, en die bereid zijn hun eigen denkreflexen te bevragen.
Slotbeschouwing. Wat Wij zijn geen machines uiteindelijk doet, is niet zozeer een nieuw mensbeeld ontwerpen, maar het bestaande mensbeeld ontregelen. Het haalt de vanzelfsprekendheid onder onze taal, onze organisatievormen en ons geloof in beheersing weg. Het verandert niet wat je denkt, maar hoe zeker je denkt te weten.
In een tijd van technologische versnelling, ecologische crisis en politieke polarisatie is dat geen luxe, maar een noodzaak. Het boek biedt geen antwoorden en geen eindpunt, maar ruimte — voor twijfel, verbeelding en het besef dat het leven zich nooit volledig laat vangen.
Misschien is dat, in deze tijd, wel precies wat we nodig hebben.
Benny Madalijns