Bertolt Brecht
Benny Madalijns
fictie
  • 66 keer bekeken
  • minuten leestijd
  • Reacties

Waardering

7 januari 2026 Gesprekken tussen vluchtelingen
In ‘Gesprekken tussen vluchtelingen’, grotendeels geschreven tussen 1941 en 1944 en postuum uitgegeven, laat Bertolt Brecht twee mannen met elkaar praten. Dat lijkt weinig spectaculair, maar juist in die eenvoud schuilt de radicaliteit van het boek. Geen plot, geen klassieke spanningsboog, geen morele afronding, alleen dialogen. Brecht gebruikt het gesprek niet als versiering, maar als methode. Centraal staat de dialectiek: het systematisch onderzoeken van tegenstellingen. Hoop en wanhoop, orde en chaos, moraal en overleven worden niet verzoend, maar tegen elkaar uitgespeeld.
Die aanpak maakt het boek opvallend actueel. In een tijd waarin velen parallellen zien tussen het huidige politieke klimaat en dat van het opkomende nationaalsocialisme, leest Gesprekken tussen vluchtelingen niet als een historisch curiosum, maar als een handleiding in kritisch denken onder druk. Brecht betrekt zijn lezer actief in het morele debat. Denken als overlevingskunst. Ja, zo kan je dit boek best lezen…
De setting is veelzeggend: een restaurant in het Centraal Station van Helsinki. Een plek van wachten, doorgang en onzekerheid. Daar ontmoeten twee Duitse vluchtelingen elkaar. Ziffel, ‘de dikke’, is een burgerlijke intellectueel, natuurkundige, scherp en geneigd tot theoretiseren. Kalle, ‘de korte’, is een arbeider: nuchter, observerend, vaak scherper dan hij zelf lijkt. In het begin blijven ze anoniem, herleid tot hun lichaam; pas later krijgen ze namen. Na elk gesprek vertrekken ze weer ‘ieder naar zijn eigen plek’. Niets is blijvend, zelfs het gesprek niet.
Hun dialogen hebben iets hartverwarmends en iets meedogenloos tegelijk. Ze doen denken aan de gesprekken tussen Japie en Koekebakker van Nescio, niet door nostalgie, maar door hun durf om naïeve vragen te stellen. De naïeveling, zo suggereert Brecht, is degene die het systeem kan ontregelen. ‘Alle grote ideeën lopen stuk op mensen,’ zegt Ziffel. Een zin die tegelijk relativerend en ontluisterend is.
Al op de eerste bladzijde stellen Ziffel en Kalle de vraag of het nobelste deel van de mens niet zijn paspoort is. Hun antwoord is typisch Brechtiaans: ironisch, maar genadeloos. Ze nemen hun petje af voor het paspoort, maar zonder de mens is het niets. Zo legt Brecht de absurditeit bloot van een wereld waarin bureaucratie belangrijker lijkt dan het leven zelf. De vluchteling wordt gereduceerd tot een pashouder, een administratief probleem.
Dat inzicht wordt in het boek zelf bijna exemplarisch verwoord in een van de eerste gesprekken:

De dikke:
‘Eigenlijk is een mens niets meer dan een pashouder. Hij krijgt een paspoort in zijn borstzak gestopt zoals je aandelen in een kluis stopt, die zelf welbeschouwd geen waarde heeft, maar waardevolle voorwerpen bevat.’
De korte:
‘En toch zou je kunnen zeggen dat een mens ergens wel nodig is voor dat paspoort; het draait om dat paspoort, petje af voor de pas, maar zonder de bijbehorende mens zou hij niet kunnen bestaan — of in ieder geval niet echt. Het is net als met een chirurg: die heeft een patiënt nodig om te kunnen opereren. In zoverre is hij afhankelijk. En in een moderne staat is het niet anders: het draait om de Führer of de Duce, maar die hebben een volk nodig om te leiden. Ze zijn sterk, maar iemand moet voor ze op de bres, anders wil het niet.’

(pp. 7-8)
Van daaruit verschuift het gesprek naar orde. Hitler zou orde op zaken stellen. Een belofte die door de twee wordt ontleed tot er weinig van overblijft. Ziffel wil liever niet in een land wonen waar orde heerst, omdat daar meestal schaarste is: aan voedsel, aan vrijheid, aan twijfel. Orde blijkt geen deugd, maar een machtsmiddel. Brecht toont hoe discipline en efficiëntie gemakkelijk omslaan in onderdrukking.
Wat Gesprekken tussen vluchtelingen onderscheidt van veel politieke literatuur, is de humor. Brechts ironie is bijtend, soms ronduit komisch. Wanneer Ziffel opmerkt dat vluchtelingenstromen militaire operaties kunnen blokkeren - tanks die niet meer vastlopen in modder, maar in mensen - ontstaat een wrange gedachte: zolang er vluchtelingen zijn, is er misschien nog hoop. Door zulke omkeringen ontstaat ademruimte, precies waar die ontbreekt.
Een van de scherpste passages is de beschouwing over machines, vooral bommenwerpers. Machines zijn ongevoelig voor propaganda, stellen Ziffel en Kalle vast. Ze werken alleen als ze gevoed worden. Geen ideologie, geen belofte van een paradijselijke toekomst kan hen laten functioneren zonder benzine. Mensen daarentegen worden geacht offers te brengen zonder garantie op bestaanszekerheid. De ironie is vernietigend, en nog altijd actueel.
Ook taal zelf wordt voortdurend ontleed. Kalle merkt op hoe vreemd het woord ‘volk’ is. Naar buiten toe horen grootindustriëlen, generaals en hoge ambtenaren er vanzelfsprekend bij. Naar binnen toe, waar het om macht gaat, spreken diezelfde elites over “de hardwerkende man” of ‘de gewone burger’ - en plaatsen ze zichzelf erbuiten. Brecht laat zien hoe taal wordt ingezet om machtsverhoudingen te verhullen en solidariteit te simuleren. Door die taal te analyseren, winnen Ziffel en Kalle een vorm van vrijheid terug.
In de gesprekken ontstaat een morele atlas van Europa. Zwitserland staat voor vrijheid - maar alleen voor toeristen. Frankrijk voor patriottisme zonder keuzevrijheid. Zweden belichaamt naastenliefde, Denemarken humor, Duitsland de pedagogiek van de knoet. Het zijn geen objectieve portretten, maar waarnemingen van buitenstaanders. Juist de positie van de vluchteling maakt zulke scherpte mogelijk: vanop afstand worden vanzelfsprekendheden zichtbaar als absurd of hypocriet.
Door het hele boek heen onderzoekt Brecht hoe een mens zichzelf kan blijven in systemen die hem reduceren tot middel. De staat hoeft mensen niet eens altijd te voeden, merkt Ziffel op; soms volstaat een stomp in de maag. Het is een wrange constatering die laat zien hoe macht functioneert via angst.
Toch zijn Ziffel en Kalle geen passieve slachtoffers. Hun denken is hun laatste bezit. In een wereld waarin alles kan worden afgenomen - huis, land, rechten - blijft reflectie een vorm van vrijheid. Denken wordt letterlijk overleven.
Tijdens het lezen van Gesprekken tussen vluchtelingen ontstaat het gevoel dat je niet onopgemerkt blijft. Ziffel en Kalle spreken niet alleen met elkaar, maar ook met jou. Je lacht om een scherpe formulering en merkt dan dat je zelf wordt aangesproken. Brecht weigert de lezer elke comfortabele positie. Dit gaat niet alleen over ‘toen’, maar over hoe mensen zich aanpassen, zwijgen en meebewegen zolang het leven enigszins draaglijk blijft.
Juist doordat het boek onaf en fragmentarisch is, blijft het open. De lezer moet zelf sprongen maken, zelf verbanden leggen, zelf positie innemen. Brecht schrijft geen antwoorden voor; hij organiseert twijfel. En die twijfel werkt door nadat het boek is dichtgeslagen.
Dat het boek nooit is afgewerkt, lijkt geen tekortkoming maar een principe. De dialogen springen, ironie en ernst lopen door elkaar, en het is niet altijd duidelijk wat letterlijk bedoeld is. Maar slordigheid blijkt een deugd. Waar alles vastligt, verstikt het denken; waar niets definitief is, ontstaat ruimte. In een tijd van snelle meningen en eenduidige standpunten biedt Brecht een noodzakelijk alternatief.
Neen, niet alles in het boek is probleemloos. De passages over liefde en vrouwen zijn duidelijk verouderd en ongemakkelijk. Vrouwen verschijnen vaak als lustobjecten, zonder eigen stem. Dat is een gemis dat benoemd moet worden, al doet het weinig af aan de politieke scherpte van het werk. Ook overtuigt Kalle als arbeider niet altijd volledig; hij spreekt soms meer als een intellectueel. Dat verraadt vooral dat dit boek in wezen een gesprek van Brecht met zichzelf is. De dialoogvorm geeft hem de vrijheid om te meanderen en te onderzoeken.
Wie bij het lezen aan de gesprekken tussen Leo Naphta en Lodovico Settembrini in De Toverberg van Thomas Mann denkt, vergist zich niet - maar ziet ook meteen het verschil. Daar wordt gedacht alsof er tijd genoeg is. Alsof ideeën elkaar rustig kunnen bevechten in een sanatorium, ver boven het dal waar de geschiedenis haar werk doet.
Bij Brecht ontbreekt die luxe. Ziffel en Kalle praten niet om te winnen, maar om wakker te blijven. Hun gesprek is geen duel, maar een schuilplaats. Geen ideologische hoogvlakte, maar een tafel in een stationsrestauratie, met koude koffie en een te dunne sigaar. Denken is hier geen verheven plicht, maar een noodmaatregel.
Misschien is dat de kern van Gesprekken tussen vluchtelingen: niet het grote gelijk, maar het vermogen om te blijven twijfelen wanneer alles dwingt tot gehoorzaamheid. Niet de waarheid, maar het gesprek. En zolang dat gesprek gaande blijft - slordig, ironisch, onvoltooid - is er nog iets wat niet volledig is ingelijfd.
Dat maakt dit boek zo actueel. Niet omdat het onze tijd voorspelt, maar omdat het laat zien wat altijd nodig is wanneer de geschiedenis zich aandient: mensen die blijven praten, juist wanneer zwijgen eenvoudiger is. Misschien is dat Brechts meest politieke boodschap: niet wie gelijk heeft, maar wie blijft denken, bepaalt of de wereld openblijft.

Benny Madalijns
Bertolt Brecht
Benny Madalijns
fictie
Madalijns is van opleiding Leraar Beeldende Kunsten en doctor in de Archeologie & Kunstwetenschappen. Hij is schrijver van amper te publiceren verhalen over denken & doen, zoals het boek 'Ondanks alles / Malgré tout' (ASP). En schilder & collagist van zo maar wat bedenkingen van geest & gemoed. (Foto: Jean Cosyn - VUB)
_Benny Madalijns -
Meer van Benny Madalijns

_Van zelfde auteur

_Nieuwste recensies

Bekijk alle nieuwe recensies