12 maart 2026
Moet dwalen
Charlotte Mutsaers is er ondertussen drieëntachtig. Op Facebook schreef ze net voor de publicatie van dit boek dat ze het per se voor haar verjaardag op 2 november af wilde hebben, want op die leeftijd, zo schreef ze, weet je nooit of er nog een volgend boek komt. Getteget. En dan: “Zolang er leven is, is er hoop, en bovendien moet ik voor mijn lieve Lola de negentig halen.” Lola is haar hond. Die stierf precies de nacht nadat een groot interview met Mutsaers in de NRC verscheen, het interview waarin ze net had verteld dat ze per se haar hond wilde overleven. Het leven heeft zijn eigen zwarte humor. Mutsaers ook, en dat is precies waarom ik dit boek zo graag las.
Afijn. Negen jaar na Harnas van Hansaplast keert ze terug, en niet om iets te voleindigen. Niet om terug te blikken of haar oeuvre netjes samen te vatten. Integendeel. Ze staat nog volop middenin het leven, en ze heeft er duidelijk lak aan dat de wereld intussen veel minder ruimte is gaan maken voor het soort onomwonden eigenzinnigheid dat zij al decennialang bedrijft. Dat geeft het boek een urgentie die men bij veel jongere schrijvers vergeefs zoekt.
Voor de dorstige romanticus Isidorus Rudolf Witlamm von Waldorf, Isi voor de vrienden, die naar vloeiend water en eeuwige liefde taalt, is en blijft de levensweg een droog en gevaarlijk bospad vol hobbels, keien, stekels en ravijnen. Maar ook vol lokkend geluk en avontuur. Hij is zestiger, wetenschapper, kunstenaar en auteur van drie boeken met titels die men echt niet snel vergeet: Waarom ik altijd in dezelfde rivier stap, De mainstream als Styx en Hoe ik mezelf in een hoek heb geschilderd. Die titels zijn de sleutel tot alles wat volgt.
Isi is iemand die zijn leven lang bewust tegen de stroom in heeft geroeid, en die ondertussen heel goed weet dat hij daarmee ook gevangen zit in zijn eigen tegendraadsheid.
Hij is getrouwd met Fleur Vischbeen, dertig jaar jonger, docente vrouwenstudies aan de Universiteit Twente. Ze verdwalen samen in een Frans bos terwijl ze cantharellen zoeken, en dan begint het. Fleur schreeuwt dat ze verdwaald zijn. Isi weigert dat woord categorisch te aanhoren. Verdwalen en dwalen zijn voor hem twee totaal verschillende dingen. Verdwalen is de controle kwijt zijn, jezelf kwijt zijn, de weg kwijt zijn. Dwalen is precies het tegenovergestelde: het is de enige eerlijke manier om te leven, om iets te vinden wat men niet zocht, om verder te gaan dan wat gepland was. “Beter ten halve gekeerd dan ten hele gedwaald” is voor Isi geen spreuk van wijsheid maar een regelrechte capitulatie.
Dat onderscheid is de filosofische kern van het boek, en het is een serieus onderscheid. Wie altijd de kortste weg zoekt, de meest correcte mening, de meest aanvaardbare positie, de meest tijdgebonden opinie, wel, die verdwaalt uiteindelijk in zijn eigen gehoorzaamheid. Mutsaers heeft dat betoog al haar hele leven gevoerd. Hier voert ze het opnieuw, maar ditmaal zonder de vriendelijke omweg. De toon is merkelijk grimmiger dan vroeger. Er staat iets op het spel, en ze doet niet meer alsof dat niet zo is.
Isi is in een bos in zijn geliefde Frankrijk op zoek naar de Doubs, de 453 km lange rivier die ontspringt in de Jura, stroomt door Frankrijk en Zwitserland, en uitmondt in de Saône. Doubs wordt uitgesproken als het Nederlandse woord 'doe' of het Engelse 'do'.
Voor hem is de Doubs geen bestemming, maar zijn enige echte liefde. De rivier is het enige wat hem nooit heeft teleurgesteld, het enige waaraan hij zich zonder voorbehoud kan overgeven. De Doubs staat voor alles wat buiten het bereik ligt van de dagelijkse mislukking: ze is onkwetsbaar, ze verandert en blijft toch zichzelf, ze laat zich niet corrigeren.
In de Doubs vindt hij niet zozeer rust als wel erkenning, het gevoel dat er iets in de wereld bestaat dat hem kent zoals hij werkelijk is, niet zoals hij zou moeten zijn. Dat is misschien de diepste vorm van schoonheid: niet wat mooi oogt, maar wat waar is. En wie dat zoekt, moet wel dwalen, want de kortste weg leidt er nooit naartoe.
Pessoa schrijft ergens in zijn Boek der rusteloosheid dat rusteloosheid de enige eerlijke toestand is van wie werkelijk denkt. Mutsaers zou hem gelijk geven, en Isi zeker ook. Maar waar Pessoa zijn rusteloosheid rustig naar binnen keert en er een vreemde serene schoonheid uit destilleert, keert Isi de zijne naar buiten: in ergernis, in satire, in scherpe observatie, in onbegrip over een wereld die steeds minder geduld heeft voor wie niet meeloopt. De rivier is dan ook niet alleen maar een metafoor. Ze is een toevluchtsoord. En dat zegt, zo nuchter gesteld, eigenlijk heel veel.
Isi fileert tijdens zijn zoektocht met graagte het feminisme van zijn vrouw, het gewetenloze vlieggedrag van klimaatactivisten, de hoogopgeleiden die nog nooit van Pasolini of Susan Sontag hebben gehoord, de politiek correcte aanspreekvormen, de zielloze moderne interieurs, de waarom ook niet: gerookte zalm voor Jan en alleman. In interviews liet Mutsaers er weinig twijfel over bestaan: dit zijn ook haar eigen irritaties. Ze vindt mannen het sterkere geslacht. Ze ziet een andere vrouw niet automatisch als zuster. Ze wil niet dat kunst dienstbaar is aan de samenleving of aan welke tijdgeest ook.
Dat zijn natuurlijk geen populaire standpunten. Waarom zou ze? Mutsaers heeft nooit populaire standpunten nagestreefd, en precies daarin schuilt de kracht van haar werk. De vraag is trouwens helemaal niet of de lezer het met Isi eens is. De vraag is of jullie bereid zijn om lang genoeg zijn wereld binnen te stappen om te zien wat hij ziet: een man die bang is, die zijn vergankelijkheid voelt, die weet dat hij faalt, maar er desondanks toch niet mee ophoudt te denken, te houden van en zich te ergeren. Dat is een herkenbaar menselijk portret, ook als het niet altijd een sympathiek portret is, toch.
So what, hoor ik Mutsaers denken.
So what, hoor ik Mutsaers denken.
Voor mij is het boek in de eerste plaats een regelrechte liefdesverklaring. Aan de Doubs, aan het dwalen, aan de mogelijkheid dat iemand van drieëntachtig nog iets werkelijk nieuws en werkelijk origineels kan zeggen. En dat doet Mutsaers hier, onmiskenbaar.
Ze schrijft in een taal die haar eigen gewicht ironiseert zonder het evenwel ook maar een ietsje los te laten. Frans en Latijn wisselen af met botweg plat Hollands. Vergeten woorden als gebenedijd en paladijnen duiken op naast bijwijlen kromme uitdrukkingen die men in geen enkel literair tijdschrift zal tegenkomen. Lange opsommingen van adjectieven lopen bijna over in poëzie, en dan valt er plots een zin als een steen in het water. Hosanna. Die mengeling van plechtig en plat, van eruditie en eigenwijsheid, dat is Mutsaers zoals ze al decennia is. Maar in dit boek heeft het iets urgents gekregen, iets van nu of nooit.
Het boek is dan ook geen roman in de klassieke zin. Er is geen plot die zich keurig ontvouwt. Er is een man in een bos, een man in zijn hoofd, een man op weg naar een rivier, een man die ruzie maakt met zijn vrouw en met de wereld. Associaties volgen op observaties, absurditeiten op overpeinzingen. Wie een rechte lijn zoekt, is hier ronduit verkeerd. Wie bereid is mee te dwalen, in de eigenste Mutsaersiaanse zin van dat woord, heeft met dit boek een kluif gevonden waarop je lang kan nakauwen.
Er staan zinnen in dit boek die je niet onderstreept omdat ze de boodschap samenvatten, maar gewoon omdat ze zo verdomd goed klinken. Zinnen waarvan men plots stilvalt en denkt: had ik dat maar zelf geschreven. Ik geef ze u graag mee, zonder verdere toelichting, want die hebben ze mijns inziens niet nodig.
De maatschappelijke waanzin die hij om zich heen ziet heeft zulke proporties aangenomen dat zijn eigen gemoedstoestand daarbij verbleekt tot een onschuldige vorm van deviantie. (p. 49)
Het leven wil geleefd worden zoals een bos wil worden bedwaald en een vrouw wil worden bepoteld. Een échte vrouw dan, laat ik dat er wel even bij zeggen. En als jij gesteld bent op een voorgekookt parcours, ga dan naar huis, hang een sint-jacobsschelp om, en pak de Camino. (p. 52)
Die onverwachte hartelijkheid van een onbekende die zomaar op je pad komt en bereid is jou te verwarmen zonder tegenprestatie. Gewoon omdat hij je ziet zitten. Gewoon omdat hij je aardig en aantrekkelijk en de moeite vindt. Gewoon dàt dus. (p. 106)
Een weg terug is er namelijk niet en wel vanwege het feit dat terugwegen in tegenstelling tot heenwegen niet bestaan. Wie op weg is gaat ergens naartoe, zelfs bij een ommetje. Jij ook, of je nu wilt of niet. Tot die weg ophoudt. Maar dan ben je ook voor altijd vertrokken. (p. 133)
Een weg terug is er namelijk niet en wel vanwege het feit dat terugwegen in tegenstelling tot heenwegen niet bestaan. Wie op weg is gaat ergens naartoe, zelfs bij een ommetje. Jij ook, of je nu wilt of niet. Tot die weg ophoudt. Maar dan ben je ook voor altijd vertrokken. (p. 133)
Bovendien werd er iets groots verricht, en iets groots is iets anders dan iets kleins. Om te beginnen heeft het grote meer allure. En om te eindigen ook. Dan moet je niet met deminutieven voor de dag komen. Dat is een stijlbreuk. (p. 155)
'Kijk aan!' juicht hij tegen zijn spiegelbeeld. 'Zou ik soms verliefd zijn?' Meelevend knikt het spiegelbeeld terug. Dat is het aardige van spiegelbeelden: altijd weer dat invoelende vermogen, die beheerste solidariteit, die empathische blik. (p. 247)
Hij is niet wars van eeuwige wederkeer, maar verkiest die toch liever na zijn dood en in gefilterde vorm. Met ongefilterde wijn neemt ook niemand genoegen. Daar hoorde je Nietzsche niet over, over dit soort dingen. Maar zou hij Lou Salomé niet vierkant uit zijn eeuwige wederkeer hebben geknikkerd als hij daartoe de kans had gekregen? (p. 259)
Nu ja. Ik vind Moet dwalen een ronduit inspirerend boek. Niet omdat het gemakkelijk leest. Niet omdat het vertroostend is. Niet omdat jullie het overal met Isi eens zullen zijn. Maar omdat het geschreven is door iemand die op drieëntachtige leeftijd nog voluit wil, nog voluit durft, nog voluit zegt wat ze denkt, zonder excuses, zonder de randen te vijlen voor de markt of voor de goede smaak van het moment. Dat is op zichzelf al een literaire daad, en in een landschap waar authenticiteit al te vaak verward wordt met herkenbaar zelfonderzoek of met braaf maatschappelijk engagement, is zo'n daad vandaag de dag opvallend zeldzaam.
Mutsaers zei het zelf: ze had liever een homoseksuele man willen zijn. Dat klinkt op het eerste gezicht eigenaardig, maar het verklaart veel. Het verklaart waarom haar hoofdpersonages altijd mannen zijn. Het verklaart waarom haar proza tegelijk gevoelig en rechtstreeks is, teder en meedogenloos. Het verklaart waarom ze zich thuis voelt in het gezelschap van Pasolini, van Handke, kunstenmakers die de esthetiek boven de moraal stelden, de schoonheid boven de boodschap, en de waarheid boven de aanvaardbaarheid.
Is Moet dwalen haar beste boek? Neen, wellicht niet. Wie Zeepijn of Koetsier Herfst heeft gelezen, weet wat Mutsaers kan als de verbeelding volledig vrij spel krijgt. Hier is de maatschappijkritiek soms zo aanwezig dat ze de stroom even onderbreekt. Maar dat is een kleine prijs voor een boek dat echt aan het denken zet, aan het lachen maakt, aan het ergeren brengt en vooral aan het lezen houdt. Een roman die lezers op het verkeerde been zet is altijd interessanter dan een roman die precies geeft wat men verwachtte, toch.
Samen met de schrijfster ben ik er rostvast van overtuigd dat een mens pas zichzelf wordt als hij de moed heeft te zoeken zonder te weten wat hij zal vinden, en dat die zoektocht, hoe moeizaam ook, de enige is die de moeite waard is.
Dit is een bijzonder inspirerend en bewust politiek incorrect boek over de grote grap van het bestaan, geschreven in een taal die zichzelf nergens serieus neemt, en toch. Dwalen of verdwalen, dat is de kwestie. En zo is het maar goed ook.
Benny Madalijns