18 maart 2026
Henri Bergson. Een Biografie.
Je kan zeggen dat de mens voor de industriële revolutie eigenlijk een eendimensionaal leven leed. De dimensies die je in leven diende te beleven werden je door God en zijn geestelijke en burgerlijke gezagsdragers op aarde opgelegd en daar was niet van af te wijken. In onze tijd kijken wij verbijsterd naar zulk tafereel. Wij willen op alle hoeken van de straat onze vrijheid en veelvoudige dimensies uitspreken en laten zien op platformen als Instagram.
In de tijd bestaan er scharnieren. Gebeurtenissen of mensen die hun tijd voelen, ruiken, proeven. Mensen die, zelfs zonder dat ze het doorhebben, geschiedenis schrijven met hun vooruitstrevende gedachten. In deze woelige tijden van het koortsig voorttikken van klokken en bankrekeningen is het verfrissend om naar een authentieke denker als Henri Bergson te kijken. De biografie van Emily Herring brengt tijd (jawel) en raad. Wie was deze opmerkelijke filosoof die eigenlijk het tegenoverstelde leefde van wat hij dacht?
Alleen al zijn geboortejaar 1859 is profetisch. Bergson werd als eerste kind geboren in een Joodse familie in hetzelfde jaar dat ene Charles Darwin zijn The Origin of Species wereldkundig maakte. Een aardverschuiving in de wetenschap. De mens werd niet meer als een stilstaand wezen bekeken maar als een evoluerend complex geheel. Wat we al eeuwen dachten, werd opnieuw gedacht op een manier die de revolutie deed uitbreken.
Bergson was met de revolutie voorlopig niet veel. Hij leerde overleven in een nomadisch muzikantengezin en moest veelal de warmte van een veilige leefomgeving missen. Hetgeen onontbeerlijk is voor een jong kind. Volgens Herring bracht Bergson “zijn kindertijd door in verlatenheid, kon hij niet te rade gaan bij zijn vader, noch bij de wijze leermeester. Alles wat hij is, heeft hij aan zichzelf te danken.”
Gelukkig heeft authentiek intellect alleen zichzelf nodig om overeind te blijven. Het zit in zijn bloed. En dat kruipt waar het niet gaan kan. Dat brengt hem via enkele aanstellingen als leraar naar het prestigieuze Collège de France. Een troostprijs voor de Sorbonne dat wel. Want buiten het feit dat het Collège de France wel prestige had, gaf het geen diploma’s af en waren de colleges veel toegankelijker. Maar dat zal de vele toeschouwers bij Bergsons colleges een worst geweest zijn.
Maar wat maakte hem zo populair? Zijn vooruitstrevendheid, zijn geweldig retorisch talent en zijn onverslijtbare ideeën. Bergson had de filosofie en de wetenschap grondig bestudeerd en constateerde telkens weer haar statische ‘zijn’, haar stilstaan ten opzichte van het leven. Wat hij hen concreet verweet, vond zijn neerslag in dat ene cryptische zinnetje: “Tijd is niet ruimte”. Een complex verhaal dat zich moeilijk laat samenvatten. Wat eigenlijk tegelijk de pure schoonheid van zijn theorie naar boven brengt. We moeten niet de hele wereld willen begrijpen, of wel?
Vele mensen willen de beweging de schuld geven. Wat op zich niet verwonderlijk is, want dat is de makkelijkste manier. Bergson geeft echter aan dat dat niet het probleem is. Het is de manier waarop we met tijd omgaan, en haar veruiterlijken. “Om tijd en beweging te meten […] moet de wetenschap een stukje gebruiken van de ruimte, een categorie buiten de tijd, waardoor ze tijd verwart met ruimte, beweeglijkheid met onbeweeglijkheid. Met het besef dat filosofie, indien correct beoefend, in staat kan zijn op de ware, beweeglijke essentie van de werkelijkheid vast te leggen, verlaagde Bergson de wetenschap tot een nuttige en algemene en aparte kennisvorm.”
Wat ook wel weer kort door de bocht is, als we dit boekcitaat alleen zouden lezen. Bergson is trouwens jarenlang verweten een tegenstander van de wetenschap te zijn. Een man die zich rot amuseerde met wiskundige stellingen en de zogenaamde ‘alfawetenschappen’ helemaal had ingeslikt om tot zijn bevindingen te komen. Een zeer oogkleppend verwijt dat in de vaart der geschiedenis geen steekhield.
Het was juist mede in dienst van die wetenschap dat hij enkele verwarrende begrippen zoals ‘tijd’ en ‘ruimte’ uit elkaar hield. Daar had de wetenschap ook baat bij. Want zij stond, zoals wij ze althans kennen, nog in haar kinderschoenen, en had een klare en duidelijke uitleg nodig, zonder begripsverwarring. Er waren ook wetenschappers die het tegen hem gebruikten, maar die zagen natuurlijk dat hij zuurstof gaf aan de sociale wetenschappen. Het eeuwige getouwtrek om aandacht in universiteiten wereldwijd.
Enfin, het verhaal is te lang om hier uit te doeken te doen. Maar Emily Herring laat ons meekijken in fragmenten in het leven van deze complexe man. Aan de ene kant een hyperintelligent filosoof die het goed kon uitleggen, en het Collège de France meer dan eens deed vollopen, alsof het een popster in een voetbalstadion betrof. En thuis de getormenteerde, contactgestoorde neuroot, die al zenuwachtig werd van een rinkelende telefoon. En ook van een onhandige, beschermende familieman met een gehandicapte dochter en veel liefde voor zijn echtgenote. Onderstaand citaat uit het boek vat alles mooi samen:
“Er waren in zekere zin twee Bergsons: de ambitieuze sociale Bergson, die de regels van het carrièrespel heel goed kende en zich uitstekend had aangepast aan de gebruiken van zijn sociaal-professionele groep, en een meer teruggetrokken, meditatieve Bergson, die de voorkeur gaf aan het rustige gezelschap van zijn eigen gedachten.”
Is het boek aan te raden? Ja, maar met één nuance. Mensen die een biografie verwachten komen een beetje bedrogen uit. Herring, overigens een vaardige schrijfster, vindt hier eigenlijk meer een soort van ideografie uit. Ze schetst af en toe wel wat contouren van het leven van Bergson, maar ze focust zich toch vooral op zijn ideeën, die overigens een eigen biografie verdienen, omdat ze zo aan de boom geschud hebben. Een ietsjes meer uitvoerige biografie had beter geweest, geïllustreerd met prachtige foto’s. Maar Herring heeft het boek op zo’n wijze geschreven dat we allemaal tevreden zijn met zijn gedachten als leeslint. Meditatief en teruggetrokken met zijn gedachten. Zoals het hoort.
Nest Van Ginderen
Dit boek werd eveneens gerecenseerd door Marc De Bock.