Philippe Lepers
Karel D'huyvetters
Non-fictie
  • 861 keer bekeken
  • minuten leestijd
  • Reacties

Waardering

15 januari 2023 Leve de dood? Sterfelijk zijn in het YOLO-tijdperk.
De titel is, ondanks de gezochte chiastische oxymorons, niet meer dan een veeleer krampachtige poging om leuk en hip te zijn. Geen mens immers die ‘Leve de dood’ als motto, laat staan als levensvisie zou nemen, en wie niet met de beide duimen schrijft, zal allicht even moeten surplacen eer het initiaalwoord leesbaar wordt. Of dergelijke strapatsen de belangstelling zullen wekken of zelfs de verkoop doen toenemen?
De auteur is duidelijk een bezige bij: op weg gezet door zijn korfgenoten is hij zijn materiaal gaan zoeken bij een zeer kleurrijk palet van literaire en andere bloemen. Waar dat vroeger een bewijs was van eruditie en oorzaak van bewondering, lijkt dat in deze google-tijden veeleer een verzameling van de usual suspects. Stel dat je een boek wil schrijven over doodsangst. Wat ligt er dan meer voor de hand dan een inleidende filosofische analyse van dat begrip, gevolgd door een historisch overzicht, bij voorkeur te beginnen met het Gilgamesj-epos en eindigend met een postmoderne Franse cultuurfilosoof. En voor je beschrijving van onze moderne (YOLO!) samenleving begin jij natuurlijk bij Prediker, kan je moeilijk om Aristoteles heen, of Epicurus. Het christendom, Pascal, Kierkegaard, Levinas mogen niet ontbreken, zelfs Onfray niet. Onderweg vermeld je zeker ook wat dichters, nog meer filosofen, zeker Nietzsche, Schopenhauer, Sartre en Heidegger, romanschrijvers, essayisten, filmregisseurs, journalisten, kwestie van aan een respectabel aantal bladzijden te geraken, want over het onderwerp is zelfs het beogen van volledigheid uit den boze.
Het is een beproefd systeem, en zoals de meeste literaire procedés is het in de handen van de meester, omdat die erin slaagt de middelen onzichtbaar toe te passen voor het beoogde doel, een lieve lust voor de lezer. In alle andere gevallen vormen de al te zichtbare stellingen, zoals bij de Sagrada Familia of het Brusselse Justitiepaleis, een nauwelijks te verduren beproeving. Het is niet omdat je er grote namen bijhaalt dat je eigen tekst vanzelf diepzinnig wordt. Je kan immers niet veel meer doen dan heel vage en uiteindelijk nietszeggende résumés maken van hun inzichten, in je eigen schamele woorden en met jouw eigen onvermijdelijk meer beperkte intellectuele vermogens. Dat is wat de auteur al te vaak doet, ook naar eigen zeggen, en ook al te uitvoerig. De lezer zit niet verlegen om een bladzijdenlange weergave van een filosofisch werk, een roman, een gedicht, een film, wanneer dat niet gebeurt door een uitzonderlijk scherpzinnig auteur, in het kader van een krachtig geformuleerd eigen betoog. Het zal me al een zorg wezen wat uitgerekend Freud nu precies bedoelde in Jenzeits des Lustprinzips, laat staan dat ik ook maar enige belangstelling zou hebben voor wat Patricia De Martelaere daarover ten beste heeft gegeven; maar de laaiende eulogie van deze laatste door Philippe Lepers laat mij Siberisch koud.
Wanneer iemand, bijvoorbeeld in een academisch proefschrift, een auteur ‘parafraseert zonder telkens expliciet naar een bladzijde te verwijzen’ (p. 101, voetnoot 14), dan zal dat, indien het ontdekt wordt, en daarvoor zijn er heden ten dage zeer degelijke programma’s ter beschikking, onvermijdelijk als plagiaat bestempeld worden, met alle gevolgen van dien. Het feit dat men dat hetzij terloops in de tekst zelf, hetzij ergens in een nauwelijks leesbare voetnoot toegeeft, verandert daaraan ten gronde eigenlijk niets, alleen formeel, door de erkenning van de ontlening; het gebrek aan originaliteit is in beide gevallen even laakbaar als betreurenswaardig.
Dat is wat mijn oordeel over deze publicatie zo negatief beïnvloed heeft. Al dat parafraseren en al dan niet expliciet citeren, in vertaling, vanzelfsprekend, en niet altijd de geciteerde vertaling, maar door deze auteur aangepast (zonder aanduiding van de aanpassingen), al de onnodige uitweidingen en excursen, al de dooddoeners (‘In de filosofie is het een bekende stelling dat ons denken vaak beheerst wordt door wat men “binaire opposities” noemt. Voorbeelden hiervan zijn: goed en kwaad, mooi en lelijk, oud en jong, man en vrouw en uiteraard ook: leven en dood.’), al de relativeringen, de kwalificaties met enigszins, als het ware, misschien, al de retorische vragen en de vage suggesties, het wordt op den duur te veel. Je leest dit boek toch in de hoop iets meer te weten te komen over leven en dood (hoewel dat hier vreemd genoeg een ‘intermezzo’ vormt), of toch zeker wat de auteur daarover nu precies denkt. Zijn poging om uit de nectar van zovele bloemen en perken enige honing te puren, is precies daardoor mislukt. Zoals de nectar, geoogst uit de allerbeste bloemen, pas na een lang en complex proces resulteert in het aangename en voedzame eindproduct, moet ook de kritische essayist zijn bronnen oordeelkundig selecteren en de essentie van hun boodschap aanwenden om de eigen inzichten te verduidelijken en eventueel bij te sturen, niet om een gratuite caleidoscoop te bieden van wat ‘men’ zoal denkt. Wat Philippe Lepers denkt, of wat hij probeert te zeggen, is na 200 bladzijden even duidelijk als na de eerste zin van de inleiding. Ne vaut pas le détour.

Karel D’huyvetters
Philippe Lepers
Karel D'huyvetters
Non-fictie
Karel D’huyvetters (°1946) legt zich toe op de geschiedenis van het atheïsme en het antiklerikalisme. Van hem verschenen Nederlandse vertalingen van de belangrijkste werken van Spinoza, met uitvoerige commentaren. Hij onderhoudt een website over Spinoza en een persoonlijke website.
_Karel D'huyvetters -
Meer van Karel D'huyvetters

_Van zelfde auteur

_Nieuwste recensies

Bekijk alle nieuwe recensies