Erik Meganck
Benny Madalijns
Non-fictie
  • 9 keer bekeken
  • minuten leestijd
  • Reacties

Waardering

7 april 2026 Religieus atheïsme. (Post) moderne filosofen over God en godsdienst
God is terug. Zo opent Erik Meganck zijn boek, en hij voegt er meteen aan toe: niet helemaal zoals vroeger, gelukkig maar. God keert niet terug zoals wij terugkeren van vakantie of uit gevangenschap. De premoderne schepper van de middeleeuwen komt niet opnieuw aan de poort kloppen. Wat terugkeert, is iets anders en iets moeilijker te benoemen: God die doorheen de moderniteit is gegaan, doorheen zijn eigen dood, en daar aan de andere kant verschijnt, veranderd maar niet uitgewist. Een filosofische verrijzenis, schrijft Meganck. God is dood, leve God.
Die openingszin is geen retorische truc maar de kerngedachte van het boek, en wie deze bewering serieus neemt, begrijpt meteen wat er zoal op het spel staat. Meganck betoogt met name dat de moderne tegenstelling tussen filosofie en theologie, tussen rede en geloof, een oppervlakteverschijnsel is. Een karikatuur, een ideologische strategie, iets voor handboeken en inleidingen. 
Nu ja. Tertullianus, de invloedrijke vroegchristelijke auteur, theoloog en polemist uit Carthago, beweerde rond 200 na Christus al dat Athene niets te maken had met Jeruzalem. Maar een huwelijkscrisis eindigt niet noodzakelijk in een vechtscheiding. De moderne filosofie heeft kerk en theologie argwanend bejegend, maar heeft het religieuze nooit uit het denken weggesaneerd. Althans, zo luidt de stelling. En aan die stelling hangt Meganck zowaar het hele boek op.
Meganck is filosoof en theoloog, gepromoveerd op Nietzsche, Heidegger, Derrida en Vattimo, verbonden aan het International Institute Canon Triest en de Faculteit voor Vergelijkende Godsdienstwetenschappen in Antwerpen. Hij schrijft, naar eigen zeggen, op een tendentieuze wijze. Dat hij dat zo openhartig zegt, is een pluspunt. Dat de lezer het niet mag vergeten, is andere koek.
De centrale vraag van het boek is mijns inziens even helder als provocerend: hoe komt het dat filosofen als Feuerbach, Marx, Nietzsche, Wittgenstein, Sartre en Derrida er niet in geslaagd zijn God definitief uit het westerse denken te verwijderen? 
Meganck leidt twaalf van hen langs, twaalf filosofische apostelen zoals hij ze zelf noemt, niet zonder ironie, en betoogt dat hun atheïsme minder radicaal was dan de populaire karikatuur ervan. Geen enkele van deze twaalf heeft ooit onomwonden beweerd dat God niet bestaat. Dat is eigen aan grote denkers, anders dan aan hun achterban, dat ze minstens genuanceerd denken.
De voorbeelden zijn concreet en ontluisterend voor wie gewend is aan de versimpelde versie. 

Ik voer hier twaalf filosofische apostelen op, grote moderne denkers die stuk voor stuk het spoor van de filosofie hebben verbogen en verlegd. Ze worden ook elk in mindere of meerdere mate ‘atheïst’ genoemd. Dat werpt toch enkele, soms netelige vragen op. Vooreerst, hoe komt het dat deze twaalf zwaargewichten er niet in zijn geslaagd om God totaal en definitief uit de wereld, of althans uit de Westerse cultuur te duwen? Op Kierkegaard en Levinas na, lijken ze dat toch allemaal te hebben geprobeerd. Althans, zo leert de karikatuur. Maar neem nu Marx, die wilde godsdienst helemaal niet uitbannen. Hij wilde de reden uitbannen waarom mensen daar troost zochten. Sartre wilde evenmin God uit de wereld, die raadde de mens aan te bestaan alsof God niet bestond. Dat zijn slechts twee voorbeelden van belangrijke nuances die doorgaans achterwege blijven in de handboeken en inleidingen. Het antwoord op de vraag waarom die richtinggevende denkers de godsdienst niet uit de wereld hielpen, kan dan niet zijn: omdat ‘de mensen’ te dom zijn. Dat kan trouwens net zo goed het antwoord zijn op de vraag waarom de mensen de boodschap van het christendom na 2000 jaar nog altijd niet hebben begrepen. Het antwoord luidt veeleer dat deze denkers hun pijlen op iets anders richtten dan op godsdienst. Zo staan ze allemaal in min of meerdere mate kritisch tegenover de traditionele metafysica. (pagina 11)
En Heidegger maakte een omtrekkende beweging van de katholieke naar de protestantse God, langs een consequent filosofisch atheïsme, tot bij de laatste god die ons moet komen redden. Derrida's denkpad vertoonde meer en meer religieuze trekken naarmate zijn werk vorderde. Zelfs Kierkegaard leidde, net als Augustinus, een redelijk liederlijk leventje vooraleer zijn bestaan aan Christus te proberen wijden.
Onder soms stevig vermomde vorm thematiseren deze denkers elk een godsverlangen, een verlossing uit een toestand van verval, een ontvankelijkheid voor het andere, een hoop op een betere toekomst. Dat zijn herkenbare religieuze sporen, sporen die verwijzen naar een naam, God, zonder ooit uit te komen bij iets dat of iemand die God heet. Meganck noemt dit het pad van hiërarchie (van het Griekse hierarchia, 'heilig bestuur'), een term ontleend aan de invloedrijke Amerikaanse filosoof en theoloog John Caputo, bekend om zijn werk in de deconstructieve theologie en zijn radicale herinterpretatie van religieuze begrippen: een denken dat elke zelfgenoegzaamheid telkens weer onderuithaalt, dat traditionele Grote Verhalen en Sterke Systemen aan het wankelen brengt, en dat precies daarin iets bevrijdends heeft voor wie de diepere vragen niet uit de weg gaat.
De term gehaktbaldenken, waarmee Meganck de posities van Paul Cliteur, Herman Philipse en de wijlen Etienne Vermeersch karakteriseert, is polemisch maar mogelijk niet echt zonder grond. Wie met stelligheid roept dat God niet bestaat, doet denkbaar een metafysische bewering die minstens even ‘grof’ is als de bewering dat hij wel bestaat. De academische filosofie had zich de gewoonte aangemeten God resoluut weg te zetten bij de theologen en wrijvingloos aan te haken bij mens- en natuurwetenschappen. Het ging zelfs zo ver dat sommige theologische faculteiten vandaag alleen nog door een gelijkaardig maneuver kunnen overleven. God is voorlopig nog gered, schrijft Meganck droog, zij het dat hij eerst moest vervellen tot marginaal research topic. Die vervelling is een echo van zijn dood. Maar de naam bleef.
Afijn. Wat Meganck religieus atheïsme noemt, is in de kern een houding van openheid. Hij ontleent aan Derrida de notie van de Naam van God: geen Opperwezen, geen schepper, geen persoonlijke God, maar een verdwijnpunt, een opening in het denken die zich niet laat sluiten, een spoor dat elk denksysteem blijft verstoren. God keert terug doorheen zijn eigen dood, doorheen de toenadering tussen filosofie en theologie die vriendschap sluiten, niet als herstel van een vroegere eenheid, maar als iets nieuws dat uit die dood oprijst. Het postmoderne denken laat elke harde rationele weerstand tegen God achter zich, en precies in die beweging wordt de terugkeer zichtbaar.
Dat klinkt aanlokkelijk abstract, en soms is het dat ook. 

Een vrijdenker stelt onvermijdelijk de vraag: als God niet meer is dan een filosofisch onuitwisbaar spoor, wat voegt de naam God dan nog toe aan wat we al weten over de grenzen van het denken? Megancks antwoord is dat de naam niet willekeurig is, dat ze een christelijke traditie van liefde en kenosis, vernedering als verheffing, met zich meedraagt. Op dat moment stapt hij van de filosofie in de theologie. Niet erg, maar het moet gezegd. En de lezer die dat niet opmerkt, leest mijns inziens een totaal ander boek dan dit.
De meest overtuigende hoofdstukken zijn naar mijn aanvoelen die over Nietzsche, Heidegger en Wittgenstein. De Nietzsche-analyse is genuanceerd en stevig: niet de sloopkogel van het geloof, maar de filosoof die het westerse misbruik van de godsnaam ontmaskerde, die aantoonde dat een bepaalde metafysische opvatting van God onhoudbaar was geworden. Dat is een ander verhaal dan God bestaat niet, en Meganck maakt dat onderscheid overtuigend zichtbaar. Over Wittgenstein toont hij aan dat het beroemde zwijggebod over het onzegbare niet betekende dat religie zinloos is, maar dat ze het domein is van het geleefde leven, niet van de logische analyse. 
Een ietsje zwakker zijn de hoofdstukken over Freud en Russell. Ze voelen enigszins routineus aan, alsof Meganck hier zijn bronnen samenvat in plaats van ze te bevragen. Bij Freud mist het scherpe wrijvingspunt: de vraag hoe een psychoanalyse die God als illusie ontmaskert zich verhoudt tot een religieus atheïsme dat diezelfde God wil binnenhouden, wordt aangeraakt maar niet echt doorgezet. Bij Russell is het omgekeerde het geval: zijn koele analytische atheïsme past zo weinig in Megancks betoog dat je je afvraagt waarom hij hier überhaupt een hoofdstuk aan wijdt.
Maar het minst overtuigende deel van het boek zijn de slotpassages over de Filippenzenbrief, waar de filosoof zich, naar mijn gevoel, te onbekommerd teruglegt in de armen van de gelovige. Niet omdat de overgang van filosofie naar theologie per se verboden is, maar omdat ze hier te snel wordt gemaakt, zonder de spanning vast te houden die het boek tot dan toe zijn scherpte gaf. Een denker die je twee derde van een boek lang meeneemt in een zorgvuldig opgebouwde redenering over wat het betekent om zonder God toch met God te leven, verdient een slotakkoord dat de vragen openlaat in plaats van ze dichttimmert met een bijbelse geruststelling. Het doet denken aan iemand die een mooie wandeling volhoudt en dan in het zicht van de top de kabelbaan neemt.
Daarnaast is een verhelderende vergelijking met Leo Apostel hier haast onvermijdelijk. Apostel, de Gentse filosoof die mede het Humanistisch Verbond hielp oprichten, publiceerde postuum Atheïstische spiritualiteit (1998), een project dat lijnrecht tegenover Megancks betoog staat. 
Apostel was ontologisch atheïst, nagenoeg zeker dat God niet bestaat. Maar hij vond dat atheïsten daarmee een groot gebied hadden prijsgegeven dat ze moesten terugwinnen: spiritualiteit, mystiek, ritueel, verwondering. Zijn antwoord was een atheïstische spiritualiteit die put uit zen, uit de natuur, uit empathie, uit de contemplatie van de eigen sterfelijkheid, en dat alles zonder transcendente God.
De tegenstelling tussen beide denkers is fundamenteel. Apostel vroeg: hoe leven wij goed en diep zonder God? Meganck vraagt: waarom konden zelfs de grootste atheïsten God niet uitwissen? De eerste vraag is een constructief humanistisch project. De tweede is een historisch-filosofisch argument met een theologische ondertoon. Apostel wilde een spiritualiteit bouwen voorbij God. Meganck wil aantonen dat de atheïstische filosofie God nooit echt heeft verlaten. Beide denkers zijn eerlijk over hun positie, maar de consequenties zijn fundamenteel anders. Apostel zei: God is niet nodig voor een rijk en zinvol leven. Meganck zegt: God keert altijd terug.
Maar er is ook een punt waar ze elkaar naderen. Beide denkers verwerpen het militante atheïsme dat meer weg heeft van een haatcampagne dan van een filosofisch standpunt. Beide waarderen de mystieke traditie. Beide citeren met instemming Meister Eckharts gebed, God verlos ons van uzelf, als een formule die iets raak uitdrukt over de verhouding tussen het denken en zijn eigen grenzen. Op dat punt voeren Meganck en Apostel een virtueel gesprek dat zeer zeker de moeite waard is.
Dat het boek de Prijs voor het Spirituele Boek won in 2021, zegt iets over de jury. Het is een boek dat gelovige lezers comforteert: zie, zelfs de groten van het atheïsme konden God niet wegdenken. Maar die lezing miskent de filosofische eerlijkheid van Meganck, die nooit beweert dat zijn twaalf apostelen geloofden. Ze geloofden niet. Ze konden God alleen niet uitsluiten. Dat is een subtiel maar cruciaal onderscheid dat veel lezers zullen overslaan.
Meganck heeft gelijk dat het platte atheïsme filosofisch bijwijlen wat armoedig is. Hij heeft gelijk dat de grote denkers voorzichtiger waren dan hun popularisators. Maar zijn gevolgtrekking, dat de Naam van God onuitwisbaar terugkeert en dat dit een opening biedt voor theologie en filosofie samen, is een conclusie die hij vlakuit wil trekken, niet een conclusie die de filosofen hem volmondig opdrongen. 
De Naam kan ook simpelweg uitdoven. Dat Derrida er niet omheen kon, zegt evenveel over de structuur van de taal als over de werkelijkheid van God. Het atheïsme is misschien niet breed of diep genoeg begrepen in zijn gangbare betekenis, zoals Meganck terecht opmerkt. Maar dat de diepere betekenis ervan automatisch naar God terugwijst, is zijn wens, geen onvoorwaardelijk bewijs.
Religieus atheïsme is een ernstig en goed gedocumenteerd boek dat het zeker verdient om eerlijk gelezen en bestudeerd te worden, zeker door van god losse lezers en andere des donderse dwarsliggers. Maar ze lezen het dan best met de wijze woorden van Leo Apostel in het achterhoofd: dat een atheïst een spiritueel leven kan leiden dat even diep is als dat van wie dan ook, en dat zonder de omweg via de onuitwisbare Naam. 
 
Amen.
 
Benny Madalijns
Erik Meganck
Benny Madalijns
Non-fictie
Benny Madalijns is van opleiding Leraar Beeldende Kunsten en Doctor in de Letteren en Wijsbegeerte (PhD, VUB). Hij is schrijver van amper te publiceren verhalen over denken & doen en schilder-collagist van zo maar wat bedenkingen van geest & gemoed. (Foto: Jean Cosyn - VUB)
_Benny Madalijns -
Meer van Benny Madalijns

_Van zelfde auteur

_Nieuwste recensies

Bekijk alle nieuwe recensies