Hannah Arendt
Benny Madalijns
Non-fictie
  • 22 keer bekeken
  • minuten leestijd
  • Reacties

Waardering

19 april 2026 Over Palestina
De beelden uit Gaza verdwijnen langzaam van onze schermen. Iran primeert in het nieuws, en wat gisteren nog een brandend conflict was, dreigt te verworden tot een vergeten tragedie. Het is precies in die context dat een klein boekje als ‘Over Palestina’ meer gewicht draagt dan zijn 176 bladzijden doen vermoeden.
Hannah Arendt (1906-1975) is voor velen de filosoof van het totalitarisme, van de banaliteit van het kwaad, van het Eichmann-proces. Minder bekend is haar langdurige en complexe verhouding tot de Palestijnse kwestie. De Duits-Joodse filosoof, die zelf jarenlang staatloos was en in 1941 naar Amerika vluchtte, begreep uit eigen ervaring wat het betekent om nergens thuis te horen. Dat maakt haar denken over vluchtelingen en ontheemding bijzonder geloofwaardig.
Het boek bevat twee teksten die onlangs werden teruggevonden door Arendt-biograaf Thomas Meyer. De eerste dateert uit 1944, toen Palestina nog Brits mandaatgebied was en de staat Israël nog niet bestond. Arendt analyseert daarin de Amerikaanse buitenlandpolitiek inzake Palestina en hekelt de rol van oliebelangen en geopolitiek eigenbelang. De tekst gaat eigenlijk minder over Palestina zelf dan over de manier waarop grote mogendheden een regio instrumentaliseren voor eigen doeleinden. Dat is tijdloos actueel, maar wie concrete inzichten verwacht over de Palestijnse bevolking, zal enigszins teleurgesteld worden.
De tweede tekst is interessanter en ook confronterender. In 1958, tien jaar na de Nakba, de massale verdrijving van Palestijnen bij de oprichting van de staat Israël, maakte Arendt deel uit van een groep van vijftien deskundigen die in opdracht van de Verenigde Naties een rapport opstelde over de situatie van de ruim 700.000 ontheemde Palestijnen. Hun conclusie was helder: zolang het vluchtelingenprobleem niet werd opgelost, was stabiele vrede in de regio onmogelijk. Bijna zeventig jaar later is die vaststelling niet minder juist. Vandaag telt UNRWA meer dan vijf miljoen geregistreerde Palestijnse vluchtelingen. De conclusies van 1958 zijn nog geen centimeter dichter bij uitvoering gekomen.
Maar het rapport heeft een blinde vlek die niet onvermeld mag blijven. Het sluit terugkeer van de vluchtelingen naar hun oorspronkelijke woonplaatsen categorisch uit, vanwege de gevaren voor de staat Israël. Het verwoordt daarmee meer de belangen van de Israëlische staat dan die van de verdreven Palestijnen zelf. Of Arendt het hiermee volledig eens was, valt niet met zekerheid te zeggen. Haar bredere denken over een binationale staat en haar ferme kritiek op etnisch nationalisme doen vermoeden van niet. Gescinska gaat in haar voorwoord niet op deze spanning in, wat jammer is.
Want Arendts positie ten aanzien van Israël en Palestina was allesbehalve eenvoudig. Ze was zelf Joods, ze had het zionisme aanvankelijk gesteund, maar brak er in 1944 mee toen zionisten publiekelijk pleitten voor een exclusief Joodse staat zonder aandacht voor de Arabische bevolking. Ze waarschuwde dat de oprichting van een nationale staat altijd een meerderheid en een minderheid schept, en dat de minderheid vroeg of laat onderdrukt of verdreven wordt. Die waarschuwing is in de decennia daarna bewaarheid geworden.
Wie de geschiedenis van dit conflict rationeel wil analyseren, botst telkens op hetzelfde obstakel: zodra men bij de religieuze bronnen begint, verlaat men het domein van de politiek en belandt men in dat van het geloof. Arendt begreep dat als geen ander. Haar kracht lag precies in haar weigering om politieke vraagstukken te laten opslorpen door mythologie, theologie of nationale identiteit. Politiek, zei ze, is wat mensen doen wanneer ze als gelijken samenleven en samen beslissen. Zodra één partij zich beroept op goddelijk recht of historische uitverkiezing, houdt de politiek op en begint iets anders.
Als vrijzinnig humanist lees ik dit boek met een dubbel gevoel. De publicatie is waardevol omdat ze Arendts denken over dit conflict toegankelijk maakt voor een breed publiek, en omdat ze laat zien dat vragen over menswaardigheid en staatloosheid niet verouderen. Haar inzicht klinkt vandaag niet minder dringend dan in 1958, het jaar waarin ik werd geboren en Brussel de wereld uitnodigde om de toekomst te vieren op de wereldexpo. Niet voor iedereen. Voor de Palestijnse vluchtelingen stond de klok in 1958 stil en staat ze dat vandaag nog.
Tegelijk is enige nuchterheid op zijn plaats. De twee teksten tonen niet het beste van Arendt. Wie haar denken over nationalisme, pluraliteit en politieke vrijheid wil leren kennen, vindt dat beter elders in haar oeuvre. Gescinska stelt de betekenis van Arendts betrokkenheid bij het rapport uit 1958 wat groter voor dan de feiten rechtvaardigen: Arendt besteedde er zelf nooit een woord aan in het openbaar en stuurde het rapport enkel naar haar vriend Karl Jaspers.
Dit boek verdient desondanks een lezer. Het belang ervan ligt minder in de teksten zelf dan in de vraag die ze stellen. Arendt pleitte voor representatief denken: je in gedachten verplaatsen in het standpunt van de ander, ook als dat standpunt je ongemakkelijk maakt. Die oproep tot meerstemmigheid is vandaag geen luxe maar een noodzaak. Wie dit boek leest, kan daarna moeilijk nog wegkijken. En dat is, denk ik, precies de bedoeling.

Benny Madalijns
Hannah Arendt
Benny Madalijns
Non-fictie
Benny Madalijns is van opleiding Leraar Beeldende Kunsten en Doctor in de Letteren en Wijsbegeerte (PhD, VUB). Hij is schrijver van amper te publiceren verhalen over denken & doen en schilder-collagist van zo maar wat bedenkingen van geest & gemoed. (Foto: Jean Cosyn - VUB)
_Benny Madalijns -
Meer van Benny Madalijns

_Van zelfde auteur

_Nieuwste recensies

Bekijk alle nieuwe recensies