9 mei 2026
Patrick Conrad. Leven, liefdes en werken van een Pink Poet
Patrick Conrad leerde ik kennen als filmmaker. Als regelmatig bioscoopbezoeker kon ik in 1987 niet om Mascara heen, zijn internationale productie met Charlotte Rampling in de hoofdrol en Hugo Claus als coscenarist: een afdaling in het Antwerpse travestiemilieu, een opera-minnende speurder die steeds dieper wegzakt in het moeras dat hij aanvankelijk dacht perfect te kunnen overzien. De film werd geselecteerd voor Cannes. Wat mij daarin het meest trof was hoe Conrad de decadentie filmde, zonder veroordeling, met een koele nieuwsgierigheid die meer onthult dan elk moreel commentaar had kunnen doen.
Dat Conrad zichzelf in de eerste plaats als cineast beschouwde, maakte hij in gesprekken meer dan eens duidelijk: film is de enige kunstvorm die alle andere disciplines werkelijk in zich opneemt, literatuur, schilderkunst, architectuur, muziek, mode, theater, opera, en een zo versnipperd mens als hij kon er nu eenmaal niet omheen. Later leerde ik zijn beeldend werk kennen: zijn grafische portretten van schrijvers, zijn collages en tekeningen, waarvoor hij in 1975 en 2005 retrospectieven kreeg in het Museum voor Schone Kunsten en het Museum Elzenveld in Antwerpen. Pas daarna kwamen de romans noirs.
Intussen las ik er heel wat van: Mocó, waarvoor hij in 2015 de Hercule Poirotprijs won, De verdwijningen, Diep in December, Good night, Charlie, Residentie van Artevelde, Tango Assassino. Conrad heeft in het genre een herkenbaar en eigengereid gezicht: zijn Antwerpen is liefdevol haatdragend getekend, zo precies gesitueerd dat de stad zelf een personage wordt. Zijn lakonieke toon en zijn ijzige onverschilligheid voor morele uitkomsten herinneren mij soms aan Jean-Patrick Manchette, zijn stadssfeer aan Jef Geeraerts, maar zijn decadente grondtoon is onverwisselbaar de zijne.
Ter gelegenheid van Conrads tachtigste verjaardag verscheen bij Pelckmans de biografie die literatuurhistoricus Manu van der Aa over hem schreef. Van der Aa publiceerde eerder biografieën over Alice Nahon, Paul-Gustave van Hecke en Paul Méral, alle drie figuren uit het interbellum. Conrad is voor hem onbekend terrein: een ander tijdsgewricht, een radicaal ander temperament, een andere, ruwere verhouding tot het leven dan zijn eerdere onderwerpen.
Conrad leeft nog, woont in het Zuid-Braziliaanse Porto Alegre en produceerde er, naar eigen zeggen, elke dag een gedicht, een tekening of een collage, ook terwijl Van der Aa aan zijn biografie werkte.
Het boek volgt een chronologische opbouw over nagenoeg het volledige artistieke leven van Conrad: jeugd, filmstudies, dichtersdebuut, Pink Poets, filmjaren en ten slotte de lange reeks romans noirs. Van der Aa situeert zijn subject eerst als dichter, en naar mijn oordeel is dat de enige juiste volgorde, want dichter is Conrad in de kern gebleven, dwars door alles heen.
Hij debuteerde in 1963 en kon al vroeg op erkenning rekenen: in 1969 won hij de Arkprijs van het Vrije Woord voor de bundel Mercantile Marine Engineering, een veeleisende onderscheiding die in de Vlaamse literaire wereld gold als een keurmerk voor eigenzinnigheid. Drie jaar later richtte hij, samen met Nic van Bruggen, het excentrieke artistieke genootschap Pink Poets op, waartoe onder meer de dichters Hugues C. Pernath en Paul Snoek behoorden, maar ook de beeldend kunstenaar Albert Szukalski en de acteur François Beukelaers.
Die vroege poëzie, maniëristisch en gestileerd erotisch, verwant aan de Franse symbolist Stéphane Mallarmé, draagt al het verlangen naar een esthetiek van verval en vermomming dat zijn hele oeuvre zou doortrekken. Van der Aa beschrijft de filmjaren die erop volgden met kennis van zaken, en het zijn, naar mijn aanvoelen, de sterkste bladzijden van het boek. Conrad debuteerde als regisseur met de experimentele kortfilm Les wagons verts-réséda (1967), die meteen bekroond werd aan het Benelux Filmfestival, al bleef hij zijn studies aan de Brusselse filmschool INSAS nooit afmaken.
Zijn eerste langspeelfilm, Slachtvee (1979), was naar eigen zeggen een interessante mislukking. De internationale doorbraak kwam er met Mascara (1987), die zijn faam als cultklassieker inmiddels stevig heeft gevestigd, mede omdat het transgenderthema dat er centraal in staat Conrads oeuvre, literair en grafisch, een urgentie geeft die de maker zelf niet had voorzien. Zijn meest bekroonde film bleef Permeke (1985), gedraaid in samenwerking met filmpionier Henri Storck en bekroond met onder meer de André Cavensprijs voor beste Belgische film van het jaar. Daarnaast maakte hij voor de BRT documentaires over avant-gardedichters als Paul van Ostaijen en Paul Neuhuys, en was hij producer van Het sacrament (1989), de verfilming van Hugo Claus’ roman Omtrent Deedee, door Claus zelf geregisseerd.
Daarna volgt in het boek een uitvoerig deel over de Pink Poets, het dandygenootschap dat Conrad in 1972 oprichtte en dat tien jaar lang zijn sociale en artistieke biotoop was. Van der Aa put hier ruimschoots uit het archief van Henri-Floris Jespers, nu in het Letterenhuis, en uit Conrads eigen ongepubliceerde memoires.
Het excquise clubje had geen programma, alleen een levenshouding: een theatraal dandyisme dat zich afzette tegen de goegemeente, maar zonder de communautaire reflex van de kraakbeweging en haar cafés. Ze aten in sterrenrestaurants als La Rade of La Pérouse, lieten de whisky vloeien in de privéclub VECU in de Antwerpse Wijngaardstraat, zorgden voor optredens en tentoonstellingen en raakten soms slaags met de werkelijkheid wanneer die zich als advocaat aanmeldde. Wannes van de Velde exposeerde er, Roland Van Campenhout nam er met Conrad een elpee op. Conrad is vandaag de laatste overlevende van dat kransje, en dat stille gewicht is in dit boek voelbaar.
Wat Van der Aa scherp ziet, is dat Conrads verschillende gedaanten, dichter, filmmaker, beeldend kunstenaar, romancier, geen opeenvolgende fases zijn maar steeds dezelfde beweging in een ander medium: de aanhoudende fascinatie voor schoonheid die rot, voor verfijning die maskeert. Die continuïteit geeft de biografie haar stevigste fundament, al had Van der Aa er, mijns inziens, nog verder op mogen doordenken.
Maar er zijn ook grenzen aan wat dit boek bereikt. Dat Conrad nog leeft en actief meewerkte, was een voordeel voor het archief en een rem op de analyse. Zijn memoires stonden ter beschikking van de biograaf, en die stem klinkt her en der te nadrukkelijk door. De exen komen niet aan het woord, Charlotte Rampling niet, sommige kinderen niet. De gespannen verhouding met Eddy van Vliet, Conrads volle neef langs moeders kant en zijn naaste dichterlijke tijdgenoot, wordt aangestipt maar verder met rust gelaten. Van der Aa verantwoordt dit deels met de reserves die betrokkenen zelf voorhielden, en ik begrijp die keuze, maar bij een notoir fabulator die zijn leven lang de mooie leugen boven de banale feiten verkoos, had meer wederhoor de biografie aanzienlijk scherper gemaakt.
Wat mij het meest stoort, is de afwezigheid van een echte literaire analyse van de romans noirs. Van der Aa geeft van elke publicatie een zorgvuldige samenvatting van de kritische ontvangst, maar de vraag wat Conrad nu precies onderscheidt in het genre, hoe zijn stijl evolueert van de L-trilogie naar de latere Antwerpse verhalen, welke verhouding er bestaat tussen zijn filmisch denken en zijn vaak beknopte proza: die vragen passeert het boek zonder antwoord. Zijn personages zijn zelden sympathiek, zijn moraal is die van iemand die vindt dat er geen goeden zijn, alleen slechten, en dat de slechten doorgaans winnen. Een duistere wereld die hij van zijn vroegste films af heeft opgebouwd en die in zijn proza haar meest samenhangende uitwerking vond, maar waarover deze biografie grotendeels zwijgt.
Ondanks die bezwaren verdient Patrick Conrad. Leven, liefdes en werken van een Pink Poet lectuur van wie iets wil begrijpen van het artistieke Antwerpen tussen 1960 en 1990, van de Pink Poets als cultureel fenomeen, en van een kunstenaar die de grenzen tussen disciplines al even moeiteloos overschreed als hij ze in zijn leven negeerde. Robbe de Hert zei ooit tegen Conrad in zijn zuiverste Antwerps: ‘Schat, awen beste film is oewaige leve.’ Van der Aa heeft die film getrouw gereconstrueerd. Dat hij de camera daarbij soms te eerbiedig op afstand hield, is zijn enige, maar niet onbelangrijke tekortkoming.
Benny Madalijns