Johan Daisne
Benny Madalijns
fictie
  • 25 keer bekeken
  • minuten leestijd
  • Reacties

Waardering

11 mei 2026 De trein der traagheid
Johan Daisne is het pseudoniem van Herman Thiery, geboren op 2 september 1912 in Gent, gestorven in dezelfde stad op 9 augustus 1978. Hij studeerde Slavische talen en economie aan de Universiteit Gent, werkte een tijd als leraar, en bekleedde van 1945 tot zijn dood de functie van hoofdbibliothecaris van de Stedelijke Openbare Boekerij in zijn geboortestad. Die combinatie van archivaris en visionair, van man die boeken bewaart en man die boeken schrijft die de werkelijkheid voorbij willen, is naar mijn aanvoelen veelzeggend voor zijn gehele oeuvre.
Daisne is de centrale naam van het Vlaamse magisch-realisme, de stroming die hij samen met Hubert Lampo in de Nederlandstalige letteren vestigde op een moment dat de Vlaamse literatuur ook elders in beweging was: Louis Paul Boon schreef zijn sociaal geëngageerde en formeel experimentele proza, Marnix Gijsen zijn ironisch-humanistische romans. Het is een generatie die mij al jarenlang fascineert en die ik met regelmaat herlees: Lampo omwille van zijn speculatieve ernst, Gijsen omwille van zijn stijlbeheersing, Daisne omwille van zijn vermogen om het alledaagse te verzwaren tot iets wat meer is dan het zichzelf toont.
Daisne debuteerde als dichter in 1935 met Verzen; zijn romandebuut De trap van steen en wolken (1942) vestigde zijn reputatie onmiddellijk. De man die zijn haar kort liet knippen (1947) is zijn bekendste roman, in 1966 verfilmd door André Delvaux. In 1960 ontving hij de Vlaamse Staatsprijs voor Proza, later gevolgd door de Internationale Kogge-prijs in Duitsland voor zijn volledige oeuvre. Jeroen Brouwers noemde hem zowaar “de Vlaamse Dostojevski”. 
Daisne was ook vrijmetselaar, een gegeven dat in zijn proza naar mijn inschatting geen bijkomstige rol speelt, zoals ik hieronder zal toelichten.
De trein der traagheid werd geschreven op 14 april 1948, letterlijk in de trein van Brussel naar Gent, in amper een half uur op briefpapier van zijn bibliotheek. Dat de novelle zo snel op papier stond, heeft iets verraderlijks: zij léék eenvoudig, en wie haar leest als een spookverhaal mist de filosofische precisie die haar eigenlijke gewicht uitmaakt. Het vertrekpunt is natuurwetenschappelijk: de wet van de traagheid, de inertie, toegepast op het bestaan zelf. Alles wat beweegt blijft even verder bewegen nadat de aandrijving gestopt is. De trein rijdt nog even door. En dat nabloeien, die korte naschijn van het leven na een treinongeval, is wat Daisne in beeld brengt – want pas op het einde van de novelle wordt duidelijk dat de drie mannen slachtoffers zijn van een spoorwegongeluk, en dat wat zij beleefden zich afspeelde in de schemerzone tussen leven en dood.
Een naamloze museumdirecteur van middelbare leeftijd dommelt in op de terugrit naar huis en wordt wakker in een duister wordende coupé, waar alle andere reizigers onwekbaar slapen. Op zoek naar vuur voor zijn sigaret dwaalt hij door de wagons tot hij professor Hernhutter aantreft, een oudere man die even verbaasd en even wakker is. Hun horloges zijn op hetzelfde moment stilgevallen. De trein vertraagt, stopt in een landschap zonder naam, en buiten duikt een jongeman op, Val genaamd. Wat volgt is een nachtelijke omzwerving door een dorp dat nergens te situeren valt, langs herbergen en schemerige kamers, in gesprekken over leven, tijd en wat er overblijft wanneer de tijd stilvalt.
Telkens wanneer ik De trein der traagheid herlees, valt mij op hoe de structuur van de novelle denkbaar die van een maçonniek inwijdingsritueel benadert, zonder dat Daisne dat begrip ooit gebruikt. 
De drie personages vormen naar mijn aanvoelen geen willekeurige driehoek. Die driehoek is in de vrijmetselarij nu eenmaal een centraal symbool, net als het getal drie zelf, dat in vrijwel alle inwijdingstraditites een bijzondere betekenis draagt. 
De ik-figuur van middelbare leeftijd, de oude professor Hernhutter en de jonge Val: het lijkt mij niet vergezocht om in die geleding iets te herkennen van de overgang van leerling naar gezel naar meester. Of dat een bewuste constructie was, durf ik niet met zekerheid te beweren, maar dat het er staat is moeilijk te ontkennen.
Hernhutter neemt in die lezing denkbaar de rol op van de begeleider die vragen stelt, richting geeft zonder het antwoord te formuleren, en fungeert als wat Daisne zelf een “bedreven vroedheer” noemt. De drempelscène, het moment waarop de drie mannen uitstappen en de trein zonder hen vertrekt, is in die lezing het moment van geen terugkeer. Zelfs de lichten in de verte, die “pinkelen als gevallen sterren”, zijn in de maçonnieke traditie een vertrouwd beeld: licht als symbool van kennis en oriëntatie voor wie de duisternis betreedt. 
Daisne schrijft die scène met een kale precisie die alle omhaal vermijdt:
Wij stapten uit. ‘Heeft u bagage?’ vroeg Hernhutter. ‘Nee,’ antwoordde ik. Ik stelde niet de vraag naar zijn reisgoed; iets zei me dat hij er eveneens geen bij zich had. En ik heb toen ook al geweten wat onmiddellijk daarop is gebeurd. De trein zette zich weer in beweging, hoewel we geen enkel gefluit of ander sein hadden gehoord. Nog altijd keek niemand uit de ramen. De jongen konden we al niet meer zien en ook niet meer horen in het stijgende geraas dat de op gang komende wagens nu weer lieten horen. Hernhutter maakte geen aanstalten om weer in te stappen. Maar als eerlijk en minzaam man achtte hij het waarschijnlijk behoorlijk mij te waarschuwen en voor de keus te stellen: ‘Daar gaat de trein,’ zei hij. ‘U kan er nog net terug op. Ik blijf maar.’ ‘Ik ook,’ prevelde ik en voelde mijn hart kloppen, wat ons niet elke dag vergund is, misschien om ons te sparen. Het gedreun verhevigde nog even en ratelend scheerden de laatste rijtuigen ons voorbij. Weldra waren ze in de duisternis verdwenen. Al doffer werd in de verte hun gestommel, al onbeduidender de rosse lichtvlek van de locomotief. Spoedig had alles zich in de nacht opgelost. In de stilte was alleen nog het sjirpen van de krekels verneembaar, kleine gezellige geluiden die elkaar opriepen en beantwoordden en verzwakkend door werden gegeven over de velden, waarop de verre lichtjes pinkelden als gevallen sterren. ‘Ik ben gebleven,’ verklaarde toen professor Hernhutter, ‘omdat ik vrees dat de jongeman de locomotief niet meer heeft kunnen bereiken, waar hij waarschijnlijk een antwoord op zijn vraag hoopte te krijgen. Ik vermoed bovendien dat hij niet opnieuw plaats in de trein zal hebben durven nemen, en ik wou dat kind niet aan zijn lot overlaten.’
(pp. 47-48)
Naar mijn aanvoelen bevindt dé maçonnieke kern van de novelle zich binnen het tijdsbestek wanneer Hernhutter “als een bedreven vroedmeester” de andere mannen ondervraagt over hun laatste bewuste ervaring. 
Hernhutter is hier als het ware “de ervaren gids” die hen helpt bij het verwoorden van het onbewuste en het begrijpen van de surreële situatie. Hij is de uiteindelijke mentor die de waarheid naar boven haalt. Van de drie personages is hij de meest wijze en onderzoekende. Hij stelt de cruciale vragen die licht brengen “in de duisternis” van hun situatie. Hij leidt hen als een vaderfiguur door de chaotische, droomachtige werkelijkheid tussen leven en dood. Hij helpt de waarheid "geboren" te laten worden. De bedreven vroedmeester is dus te lezen als een verloskundige metafoor. 
Het kompas, in de vrijmetselarij het instrument waarmee men de juiste richting bepaalt en grenzen bewaakt, duikt op als het woord waarmee Val zijn nieuwe bewustzijn samenvat. En wanneer hij zegt “Ik bezit een sleutel”, gevolgd door Hernhutters antwoord “U hebt de sleutel voor de andere deur”, dan zijn kompas, sleutel en deur samen drie symbolen die in inwijdingstraditites universeel zijn. 
Of Daisne dat alles bewust zo heeft geweven, laat ik graag aan de lezer over:
Daarna – en haast ogenblikkelijk was ik me ervan bewust dat het wel eens een wijze van inleiding kon zijn – had de hoogleraar ons gevraagd, of we ons konden herinneren waaraan we het allerlaatst hadden gedacht, voor we in die rare trein in slaap waren geraakt. Ik liet Val als jongste beginnen. Hij kon niet dadelijk antwoorden, het lag hem niet duidelijk meer bij. Maar Hernhutter, als een bedreven vroedheer, stelde hem vriendelijk enkele vragen, en toen schoot het de jongen weer te binnen.
(p. 57)
De behandeling van de dood in deze novelle is opvallend seculier. De zone die de drie mannen betreden is geen hemel, geen vagevuur, maar een naturwetenschappelijk gedefinieerd niemandsland. De drie mannen raken niet in paniek. Ze wandelen, praten, eten soep in een herberg waar niemand hun taal volledig begrijpt en waar geen klok aan de muur hangt. Dat gemis aan paniek is geen onverschilligheid maar een waardigheid die niet passief is, en die mij bij elke herlezing treft als de diepste humanistische laag van het verhaal.
Daisne beschrijft de herberg als een symbolische ruimte buiten de gewone tijd: geen uurwerk, geen verbinding met de buitenwereld, een taal die wel klinkt maar niet volledig aansluit. De drie mannen zijn er gasten zonder paspoort, bezoekers van een wereld die hen niet volledig kan opnemen maar evenmin uitstoot:
Buiten de taal hadden ons verder nog twee andere onregelmatigheden – als ik dat zo mag heten – getroffen. Toen, na de soep, waarbij hij op zijn minst een half dozijn sneetjes brood naar binnen gewerkt had, Val’s eerste honger enigszins gestild was, had hij zich even verwijderd en geprobeerd aan de man in de tapkast duidelijk te maken, dat hij wilde telefoneren of een depêche versturen. Maar zo geredelijk als ons verzoek om eten en drinken was begrepen, zo onmogelijk leek deze vraag bij de buffethouder, de juffrouw of de kelner ingang te kunnen vinden. Ze deden kennelijk moeite om de student te kunnen verstaan, maar niets hielp. Een toestel bleek niet alleen niet aanwezig te zijn, maar het scheen wel of niemand van het bestaan zelf dezer vervoermiddelen van het woord enige kennis droeg. En ook een klok was hier nergens te ontdekken. Val had zijn polshorloge laten zien en Hernhutter zijn savonet. Alles tevergeefs. De juffrouw had alleen glimlachend het hoofd geschud.
(pp 86-87))
Een passage die mij bij herlezing bijzonder treft, is die waarin Daisne het zwijgen van Hernhutter beschrijft na zijn grote onthulling. In de vrijmetselarij is discretie eenmaal een fundamentele deugd; wie veel heeft gesproken over wat wezenlijk is, keert terug in zichzelf. Daisne beschrijft dat innerlijke terugtrekken met een precisie die naar mijn aanvoelen onmogelijk toevallig is:
Hernhutter had even stilgehouden. De oude geleerde bleek plotseling afgemat; wij gingen nu ook onze vermoeidheid en honger weer voelen. Zijn ontboezeming had de professor kennelijk een bijzondere krachtsinspanning gekost. Hij was ook een eenzaam man, die zich waarschijnlijk al minder en minder met zijn medemensen in gesprekken inliet, vooral over zulke onderwerpen. In de jeugd mag het zwijgen nog een soort van opeenhoping zijn, met het gevolg dat bij de eerste de beste gelegenheid tot uiting, deze des te gemakkelijker, bijna als een uitbarsting geschiedt. Maar op een bepaalde leeftijd is dat niet meer zo. Het verzwijgen gelijkt dan een verzinken in onszelf, zodat de ontsluiting mettertijd een al te zware ophaling wordt. Wat mij betreft, ik vormde ook hierin een middelterm tussen de oude geleerde en de jonge student. De woorden van de eerste bleken op de tweede een bijzondere indruk te hebben gemaakt. Moeilijk konden ze eigenlijk niet heten, doch ze plaatsen hem onverwachts op een denkhoogte, waarvan hij de lucht nog alleen maar tijdens college theoretisch had ingeademd. Ik voelde dat de onthulling hem verraste en benauwde tegelijkertijd. Vanzelf had hij ook de pas vertraagd.
(p. 68-69)
Waarom zou iedere vrijzinnig-humanist De trein der traagheid vandaag moeten lezen of herlezen? 
Wel, omdat de novelle precies doet wat het humanisme op zijn best beoogt: existentiële vragen stellen over leven, dood en de zin van het bestaan, zonder die vragen in te kleden in religieuze troostformules of metafysische dogma’s. De zone die Daisne beschrijft wordt gedefinieerd door de wetten van de fysica, niet door de wetten van een godsdienst. De drie mannen staan er alleen voor, met niets anders dan hun eigen rede, hun eigen herinnering en elkaar. Dat is, naar mijn aanvoelen, een bij uitstek humanistische situatie.
Daarbij komt dat de novelle de dood niet behandelt als iets wat men moet vrezen of verdringen, maar als iets wat men met waardigheid en aandacht tegemoet kan treden. De drie personages observeren, redeneren, eten, drinken, vragen zich af wat er aan de hand is en aanvaarden geleidelijk dat het antwoord niet volledig kenbaar zal zijn. In een tijdperk dat veroudering en sterfelijkheid worden behandeld als problemen die opgelost dienen te worden, is die houding niet minder dan een oefening in humanistische moed.
Vals vertrek met de buurttram is het meest pregnante moment van de novelle. De jongste van de drie gaat als eerste verder, en de twee anderen blijven achter. Opnieuw drie tramwagens, opnieuw dat getal. Daisne schrijft het vertrek met een soberheid die des te indringender werkt:
En hij rende weg. Ik dook naar zijn jas, rukte die van de haak, greep de fles op die voor mij stond en stormde hem achterna. Binnen voor de open deur bleef hij nog even staan en draaide zich om. Er was nu haast niemand meer in de herberg. ‘Hier,’ hijgde ik, ‘trek ten minste je jas aan, of je doet nog iets op! Het lijkt buiten wel nog altijd nacht te wezen. En neem die fles wijn mee, voor als je dorst krijgt of het koud hebt… Val, Val, wees toch voorzichtig! Ik…’ ‘Dank u,’ stamelde hij, stopte de jas onder zijn arm en greep de fles bij de hals vast. ‘U bent ontzettend lief voor me, net een oudere broer! Maar waarom maakt u zich ongerust…?’ Hij lachte plotseling, kinderlijk overmoedig weer, maar het klonk toch enigszins gedwongen. ‘… Geen zorg, heus! In de slechtste veronderstelling zijn we hier in het land van de dood; welnu, wat zou het dan, als mij een ongeluk overkomt? Minus maal minus is toch plus! Als ik hier doodga, betekent dat niet precies dat ik dan het andere leven teruggeschonken word? Professor zou…’ Eensklaps hield het schellen van de tram op. ‘Adieu,’ riep Val me alleen nog toe en vloog naar buiten. Ik liep mee, tot over de stoep. Een vijftigtal meter van de herberg, in de nevelige duisternis, zag ik inderdaad een buurttram staan, drie wagens, ros verlicht en tot barstens toe gevuld met de wriemelende schimmen van luidruchtige reizigers. Het treintje moest al goed bezet zijn geweest voor het hier aankwam, want zoveel mensen hadden bepaald niet bij elkaar gezeten in de herberg. In het donker hoorde ik het dravende geluid van Val’s stappen zich verwijderen. Verderop dook zijn schaduwbeeld weer op tegen het geelrode schijnsel van de wagens. Het treintje zette zich reeds in beweging. ‘Het andere leven!’ had ik nog willen roepen, ‘maar welk ander leven, Val? Dat van gisteren, vóór ons avontuur? Dat van je thuis, je ouders, – ach, Val jongen! of het… wezenlijk andere…?’ Maar de woorden waren in mijn keel bestorven. De tram reed weg.
(p. 117-118)
Dat uitgeverij Weerwoord deze novelle in 2026 heruitgeeft is een daad van literaire overtuiging. De tekst is veertien keer herdrukt bij Manteau, vertaald in vier talen en verfilmd door André Delvaux als Un soir, un train (1968). Het voorwoord is van Rob van Essen, tweevoudig winnaar van de Libris Literatuur Prijs. Naar mijn aanvoelen echter heeft hij daarin zelf de trein gemist.
Tot slot nog dit. 
Er is een kleine maar veelzeggende bijzonderheid die mij bij het herlezen van Daisnes werk is opgevallen. 
Bijna al zijn grote fictieve werken beginnen met het bepalend lidwoord: De trap van steen en wolken, De man die zijn haar kort liet knippen, De trein der traagheid, De vier heilsgeliefden, De roman van een vrouw, De neusvleugel der muze, De nacht komt gauw genoeg. Het patroon geldt niet voor zijn kortere verhalen of autobiografische teksten – Venezy, Lago Maggiore, Mijn levensliedje(s) – maar bij zijn romans en grotere novellen is ‘de’ bijna een wetmatigheid waarover ik online geen enkele studie of essay heb kunnen vinden. 
Vreemd, toch. Maar misschien is de verklaring eenvoudiger dan ze lijkt: Daisne schrijft niet over een trap, een man of een trein, maar over dé trap, dé man, dé trein. Alsof elk van zijn grote verhalen pretendeert het enige en het laatste woord te zijn over zijn onderwerp. Dat is geen bescheidenheid. Dat is de stille aanmatiging van een schrijver die gelooft dat wat hij beschrijft zowaar voor iedereen zou kunnen gelden. Bij zijn trein der traagheid, na meer dan zeventig jaar en na tig herlezingen, durf ik hem volmondig gelijk te geven.

Benny Madalijns
Johan Daisne
Benny Madalijns
fictie
Benny Madalijns is van opleiding Leraar Beeldende Kunsten en Doctor in de Letteren en Wijsbegeerte (PhD, VUB). Hij is schrijver van amper te publiceren verhalen over denken & doen en schilder-collagist van zo maar wat bedenkingen van geest & gemoed. (Foto: Jean Cosyn - VUB)
_Benny Madalijns -
Meer van Benny Madalijns

_Van zelfde auteur

_Nieuwste recensies

Bekijk alle nieuwe recensies