22 juni 2026
Als straks de schimmen komen
Konstandinos Petros Kavafis (1863-1933), de Griekse dichter uit Alexandrië, werkte zijn hele leven als ambtenaar bij de Egyptische dienst voor irrigatiewerken, woonde als vrijgezel op de derde verdieping van een appartement in de Rue Lepsius, en liet zijn gedichten nooit bundelen maar drukte ze in eigen beheer en verspreidde ze onder kennissen en geïnteresseerden. Op zijn grafsteen staat alleen het woord 'dichter'. Wat hij dacht, voelde en begeerde, hield hij met grote zorgvuldigheid verborgen, ook al schreef hij er zijn hele leven over.
Wanneer je er naar Ithaka op uittrekt,
dan zij je wens dat lang de tocht mag duren,
vol avontuur en vol van nieuwe kennis.
Voor Laistrygonen en voor de Cycloop,
voor woedende Poseidon hoef je niet te vrezen:
nooit zal je van dien aard iets vinden op je tocht,
als men denken hoog blijft, als maar een verfijnd
gevoel steeds je geest en lichaam blijft beroeren.
Geen Laistrygonen en ook geen Cycloop,
geen woedende Poseidon zul je tegenkomen,
als jij ze in je ziel niet zelf al meedraagt,
als niet jouw ziel je die voor ogen stelt.
Dan zij je wens dat lang de tocht mag duren,
en talrijk alle zomerochtenden zijn mogen
dat je met wat een blijdschap, wat een voorgenot
in havens binnenvaart waar je nooit geweest bent;
leg aan in stapelplaatsen van Fenicië
voor het vergaren van de fraaiste handelswaar,
paarlemoer en koraal en barnsteen en zwart ebbenhout,
en alle soorten reukwerk dat de zinnen streelt,
ja, zo veel zinnenstrelend reukwerk als je vinden kunt;
ga ook naar tal van steden in Egypteland
en leer daar wat je leren kunt van de geleerden.
en talrijk alle zomerochtenden zijn mogen
dat je met wat een blijdschap, wat een voorgenot
in havens binnenvaart waar je nooit geweest bent;
leg aan in stapelplaatsen van Fenicië
voor het vergaren van de fraaiste handelswaar,
paarlemoer en koraal en barnsteen en zwart ebbenhout,
en alle soorten reukwerk dat de zinnen streelt,
ja, zo veel zinnenstrelend reukwerk als je vinden kunt;
ga ook naar tal van steden in Egypteland
en leer daar wat je leren kunt van de geleerden.
Houd Ithaka wel altijd in gedachten.
Daar aan te komen is nu eenmaal je bestemming.
Maar ga je onderweg beslist niet haasten.
Beter maar dat de reis nog vele jaren aanhoudt
en jij als oude man bij 't eiland aanlegt,
rijk aan al wat je opgedaan hebt op je tocht,
zonder van Ithaka nog rijkdom te verhopen.
Aan Ithaka heb je de mooie reis te danken.
Erzonder was je niet begonnen aan de tocht.
Meer heeft het jou nu verder niet te bieden.
En stelt het eiland jou teleur, misleid heeft het je niet.
Zo wijs als je straks bent, zo rijk ook aan ervaring,
heb jij allang begrepen dan, wat Ithaka's beduiden.
(Ithaka, Als straks de schimmen komen, pp. 63-64, vert. Hero Hokwerda)
Daar aan te komen is nu eenmaal je bestemming.
Maar ga je onderweg beslist niet haasten.
Beter maar dat de reis nog vele jaren aanhoudt
en jij als oude man bij 't eiland aanlegt,
rijk aan al wat je opgedaan hebt op je tocht,
zonder van Ithaka nog rijkdom te verhopen.
Aan Ithaka heb je de mooie reis te danken.
Erzonder was je niet begonnen aan de tocht.
Meer heeft het jou nu verder niet te bieden.
En stelt het eiland jou teleur, misleid heeft het je niet.
Zo wijs als je straks bent, zo rijk ook aan ervaring,
heb jij allang begrepen dan, wat Ithaka's beduiden.
(Ithaka, Als straks de schimmen komen, pp. 63-64, vert. Hero Hokwerda)
Met dit gedicht, geschreven in 1911 en al decennialang geciteerd bij begrafenissen en diploma-uitreikingen, en in weet ik hoeveel andere contexten, opent Kavafis het meest doorwrochte deel van zijn oeuvre. Het is het gedicht dat mij, telkens ik het herlees, treft met dezelfde kracht als de eerste keer, en dat zegt veel over de dichter: hij schrijft zonder opsmuk, zonder verheffing, en bereikt daardoor een precisie die de meeste poëzie niet haalt.
Als straks de schimmen komen omvat de 154 door Kavafis zelf erkende gedichten in een nieuwe, nauwgezette vertaling door Hero Hokwerda, na vijftig jaar studie en vertaalwerk. De band is voorzien van uitvoerige toelichtingen die niet decoratief zijn maar wezenlijk.
In het boek wordt de technische dimensie van Kavafis' dichterschap nadrukkelijker zichtbaar dan in de eerdere Nederlandse vertalingen. Kavafis koos bewust voor een sobere, directe stijl en schreef in een eigenzinnige mengeling van het gesproken Grieks en de klassieke schrijftaal, een combinatie die in zijn tijd als hoogst ongewoon gold.
Waar G.H. Blanken (1977) de geëxalteerde toon benadrukte en Hans Warren en Mario Molegraaf (1984) een droge, ironische Kavafis presenteerden, een vertaling die tot stand kwam zonder rechtstreekse kennis van het Nieuwgrieks, op basis van bestaande vertalingen en woordenboeken, brengt Hokwerda nu de taalvirtuoos in beeld: het subtiele spel met rijm en ritme, de berekende plaatsing van de caesuur, de bewuste tweeslachtigheid van zijn woordkeuze, die in het Nederlands per definitie niet te reproduceren valt maar waarvan de vertaler de lezer via zijn commentaar nauwgezet bewust maakt.
Hokwerda waarschuwt in zijn toelichtingen terecht voor de neiging om de gedichten al te snel als rechtstreekse autobiografische bekentenissen te lezen. Kavafis was een van de eersten die, noodgedwongen subtiel maar onmiskenbaar, schreef over homo-erotische verlangens, over verloren liefdes en de lichamelijke herinnering daaraan, en hij deed dat door zijn gevoelens te situeren in een ver verleden of te beschrijven als terugblik, nooit als openlijke bekentenis. Dat maakt zijn werk tegelijk buitengewoon persoonlijk en consequent gemaskeerd, nauwelijks anekdotisch maar des te zwaarder doorvoeld, en de toewijding van Hokwerda bestaat er mede in dat hij die spanning respecteert en nooit forceert.
Kavafis is een dichter van de eindigheid, van de vergankelijkheid van schoonheid en genot, en van de weerbarstige weigering om dat verval te sentimentaliseren. Kaarsen beschrijft met sobere precisie hoe het verleden zich onverbiddelijk opstapelt achter ons; Ithaka vat het leven op als avontuur dat zijn betekenis ontleent aan de weg zelf, niet aan de aankomst. Zijn levenshouding kent geen transcendente troost en geen verlossingsbelofte, maar evenmin cynisme of gelatenheid, en dat is de reden dat hij mij al jaren niet meer loslaat: hij houdt van het tijdelijke, hartstochtelijk en zonder zelfbedrog, met een ernst die nooit zwaar wordt.
Kavafis schreef over de herinnering aan liefde, over de pijn van wat niet werd gezegd, over de gewaarwording van vluchtige lichamen en voorbijgaande nachten, en hij deed dat met een onversierde directheid die nu, bijna een eeuw na zijn dood in 1933, op exact zijn zeventigste verjaardag, aan keelkanker, niet aan kracht heeft ingeboet.
Kavafis en de Oostenrijkse dichter Rainer Maria Rilke (1875-1926), een van de grote stemmen van het Duitstalige modernisme, waren tijdgenoten die elk op hun manier de vergankelijkheid van schoonheid tot onderwerp maakten, maar waar Rilke die vergankelijkheid omhoogtrok naar het transcendente, hield Kavafis haar resoluut op aarde: in het lichaam, in de herinnering, in de verloren middag.
Wie Hero Hokwerda's vertaling leest, voelt wat een bestemming als Ithaka werkelijk kan betekenen.
Benny Madalijns