23 juli 2026
GNOSIS Oost en West - Bevrijdend weten door de eeuwen heen
André van der Braak stipt in het eerste hoofdstuk van dit boek een fragment uit Robert Musils ‘De man zonder eigenschappen’ aan, en hij kon mijns inziens geen treffender aanloop kiezen voor een onderneming die precies probeert te doen wat Musils personages zeggen dat onmogelijk is, namelijk spreken over het onzegbare zonder het geweld aan te doen.
Zij spreken over een overvloeiende glans. Over een onreidende weidsheid, een oneindige rijkdom en licht. Over een zwevende 'eenheid' van alle dingen en zielskrachten. Over een wonderbaarlijk en onbeschrijflijk opbloeien van het hart. Over inzichten die zo snel zijn dat alles er tegelijk in gebeurt, en die als vuurspetters zijn die in de wereld vallen. En anderzijds spreken zij over vergeten en niet-meer-begrijpen, zelfs ook over een vergaan van de dingen. Zij spreken van een immense rust, van alle hartstochten verlost. Een verstommen. Een verdwijnen van de gedachten en de bedoelingen. Een blindheid waarin zij helder zien, een helderheid waarin zij dood zijn en bovennatuurlijk levend. Zij noemen het een "ontworden" en beweren toch voller te leven dan ooit.
(Robert Musil, De man zonder eigenschappen, Meulenhoff, 1996, p. 978).
Robert M. Pirsig, van wie verderop in deze recensie nog sprake zal zijn, deed in zijn tweede roman Lila: een onderzoek naar zeden (oorspronkelijke titel Lila: An Inquiry into Morals) uit 1991 een verwante vaststelling, zij het vanuit een heel andere invalshoek. Hij betoogde dat de mens zichzelf in hoofdzaak leert kennen via de blik van anderen, zoals een spiegel die het beeld teruggeeft dat de omgeving, de ouders, de opvoeding, de maatschappelijke verwachting, op iemand projecteert, en dat die opgelegde beelden precies datgene versluieren wat iemand werkelijk is.
Wat de gnostische tradities die Van der Braak beschrijft nu juist beogen, is een weten dat zich grotendeels aan die spiegels onttrekt, een rechtstreeks kennen dat niet loopt via het oordeel of de verwachting van de ander maar via een onmiddellijk contact met de eigen grond van bestaan. Het is die belofte, een zelfkennis voorbij de vertekening door de blik van buitenaf, die het uitgangspunt vormt van Van der Braaks onderneming.
Van der Braak, filosoof en publicist met een lange staat van dienst in het snijvlak van westerse filosofie en oosterse contemplatieve tradities, waagt zich in dit boek aan een onderneming van indrukwekkende reikwijdte. Hij wil aantonen dat de mensheid, van de Griekse mysteriën tot de hedendaagse ayahuasca-ceremonie, in wezen altijd al gezocht heeft naar wat hij bevrijdend weten noemt, een vorm van kennis die niet louter informatief is maar transformatief, die de kennende zelf verandert in het kennen. Het is een these die bij eerste lezing wantrouwig maakt en tegelijk mateloos intrigeert, en die spanning tussen argwaan en fascinatie maakt naar mijn aanvoelen precies de kracht van het boek uit.
De opbouw van het boek is didactisch sterk doordacht. Na een inleidend hoofdstuk waarin het begrip gnosis wordt afgebakend van verwante noties als esoterie, symbolisme en literalisme, voert Van der Braak de lezer eerst door de westerse traditie, van de Griekse religie via de vroegchristelijke gnostiek naar het neoplatonisme van Plotinus, om vervolgens de bocht naar het oosten te maken met hoofdstukken over de Indiase jnana yoga, het Chinese taoïsme en het Japanse zenboeddhisme. Het derde deel keert terug naar het westen met Spinoza en Nietzsche, om af te sluiten met een hoofdstuk over ayahuasca-gnosis dat terecht wordt aangekondigd als een verrassing. Deze wandeling doorheen zoveel tradities gebeurt met een compactheid en helderheid die menig academisch overzichtswerk zou benijden, en Van der Braak slaagt erin telkens de kern van een denksysteem bloot te leggen zonder in oppervlakkigheid te vervallen.
Wat mij bij deze lectuur bijzonder aansprak, is dat de auteur nergens de illusie wekt dat gnosis een onbetwistbaar goed is. Hij toont integendeel, met name in het hoofdstuk over de vroegchristelijke gnostiek, hoezeer de gnostische impuls kan omslaan in een minachting voor de wereld en het lichaam, een neiging tot dualisme die de kerkvaders niet zonder reden bestreden hebben. Diezelfde ambivalentie keert terug in het derde deel van het boek bij Nietzsche, waar de dionysische roes die de filosoof najaagt evenzeer bevrijding als ontworteling in zich draagt. Van der Braak schrijft daarover met een zekere afstandelijkheid die weldadig aandoet, want een boek dat de lezer alleen maar naar verlichting wil voeren zonder de schaduwzijden ervan te belichten, zou zijn eigen onderwerp tekortdoen.
Van der Braak vat de faustische denkstijl daarbij bondig samen: wie kennis wil vergaren, moet bereid zijn grote risico's te lopen, en Nietzsches experimentele filosofie illustreert dat treffend, want de filosoof gaat het labyrint in op zoek naar mogelijk meer waarheid dan goed voor hem is, geleid door een wil tot weten tot elke prijs. Wat het godsbegrip betreft, stelt hij de faustische God tegenover de apollinische en de magische: waar de apollinische God een Demiurg is die orde schept uit chaos en de magische God zich op onoverbrugbare afstand van de mens bevindt, is de faustische God de Almachtige waaraan de mens zich moet onderwerpen of tegen wiens macht hij juist in opstand komt. Faustische religiositeit is volgens Van der Braak wezenlijk dogmatisch, met het gevaar van literalisme steeds op de loer, en hij voegt er een zin aan toe die mij als recensent het meest is bijgebleven, namelijk dat ook atheïsme kan uitgroeien tot een dogmatische positie (zie: pagina's 123-124).
Sta mij toe een zijsprong te maken bij deze passage over het faustische denken en de denkbare uitwassen van het atheïsme.
Het atheïsme zou inderdaad kunnen uitgroeien tot een dogmatische positie, en naar mijn aanvoelen is dat een van de meest onderschatte gevaren binnen het vrijdenken zelf, want wie zich afzet tegen elke geopenbaarde waarheid loopt het risico zijn eigen ongeloof te verheffen tot een nieuwe catechismus. Waar het gelovige dogma zijn autoriteit ontleent aan een geopenbaarde tekst, ontleent het dogmatische atheïsme die autoriteit aan de wetenschap of de rede, maar het onderliggende mechanisme blijft hetzelfde, een sluiting van het denken die geen vragen meer duldt, en mijns inziens houdt atheïsme dan op vrijdenken te zijn en verwordt het tot een geloofssysteem zonder God.
Auguste Comte illustreert dit treffend, want hij wilde in de negentiende eeuw het religieuze wereldbeeld vervangen door een "religion de l'humanité" compleet met priesters, een kalender en vaste rituelen, alsof de mens niet zonder een dwingende structuur van waarheid kan leven, ook niet wanneer die structuur zich seculier voordoet, en iets gelijkaardigs deed zich voor in het staatsatheïsme van de Sovjet-Unie, waar het ongeloof geen persoonlijke overtuiging meer was maar een verplichte doctrine, gehandhaafd met dezelfde onverdraagzaamheid die men het gelovige fanatisme placht te verwijten.
Ook de existentiële Vlaamse denker Leopold Flam waarschuwde voor datzelfde gevaar wanneer hij stelde dat het twijfelen zichzelf voortdurend opnieuw moet bevragen, ook wanneer het uitkomt bij het ongeloof, omdat elke definitieve conclusie het denken verstart, en de ware vrijdenker beoefent het atheïsme naar mijn aanvoelen dan ook niet als een eindpunt maar als een blijvende houding van wantrouwen tegenover elk dogma, inclusief het eigen.
Zodra de alethotoop waarover Sloterdijk spreekt verstart tot een vaste overtuiging, is men niet langer aan het vrijdenken maar aan het belijden.
Afijn.
Bij de wijze waarop het boek de spanning tussen rationaliteit en mystieke ervaring behandelt, is niettemin een kanttekening op haar plaats. Van der Braak presenteert het apollinische, rationele denken en de magische of mystieke denkstijl in hoofdzaak als complementaire polen die elkaar aanvullen, en de vraag is of die harmonieuze voorstelling recht doet aan een geschiedenis die evenzeer een geschiedenis van conflict is, van kerken die ketters vervolgden en van filosofen die elkaar de maat namen over wat werkelijk bevrijdend weten mocht heten. Een iets scherpere reflectie op die machtsdimensie van gnostische kennisclaims, op de vraag wie bepaalt wat telt als bevrijding, had het boek naar mijn aanvoelen nog een extra laag van diepgang gegeven.
De grote verdienste van het boek ligt in de vergelijkende methode zelf. Door de Indiase advaita vedanta naast Plotinus te leggen, of de Daodejing naast Spinoza, laat Van der Braak zien dat de menselijke behoefte om door de sluier van de alledaagsheid heen te kijken zich overal en in elke tijd op vergelijkbare wijze manifesteert, ook al verschillen de vocabulaires en de kosmologische kaders sterk. Dat inzicht alleen al maakt de lectuur de moeite waard voor wie gewend is filosofie en religie eerder als afzonderlijke werven te beschouwen dan als onderling verwante zoektochten naar wat het betekent om werkelijk te zien wat er is.
Het slothoofdstuk over ayahuasca, waarin Van der Braak de actor-netwerktheorie van Bruno Latour inzet om de hedendaagse plantengeneeskunde te duiden, vormt een gedurfde en actuele afsluiting die het boek uit de zuiver historische sfeer tilt en verankert in vragen die vandaag volop leven. Het is die bereidheid om het verleden voortdurend te laten spreken tot het heden die het boek, ondanks het voorbehoud dat ik hierboven formuleerde, tot een waardevolle gids maakt voor wie de eigen manier van zien op de proef wil stellen.
En misschien is het precies die queeste, het verlangen om zichzelf te leren kennen voorbij de spiegels die anderen ons voorhouden, die dit filosofische boek verbindt met een heel ander soort reisverhaal van diezelfde Pirsig. Nog voor hij in Lila de vraag naar het zelf achter de spiegel stelde, publiceerde hij in 1974 Zen and the Art of Motorcycle Maintenance, het verslag van een motorrit die hij met zijn twaalfjarige zoon aflegde van Minneapolis naar San Francisco, een boek dat sindsdien meer dan vijf miljoen keer over de toonbank ging en terecht als een literaire klassieker geldt.
Waar Van der Braak zijn lezer langs de kaart van de tradities voert en de overeenkomsten tussen die tradities blootlegt, voert Pirsig zijn zoon en zijn lezer letterlijk over de weg zelf, en beide boeken delen het inzicht dat het weten waarnaar gezocht wordt zich niet op een eindpunt bevindt maar onderweg. Ik ben ervan overtuigd dat Pirsig onderweg een gedachte vond die evengoed als motto voor Van der Braaks boek had kunnen dienen: "It's the sides of the mountain which sustain life, not the top" (Robert Pirsig, Zen and the Art of Motorcycle Maintenance, 1974). Wie zich, net als Pirsig en zijn zoon, op weg begeeft door het Amerikaanse continent, of wie eenvoudigweg de eigen alledaagsheid wil doorprikken, vindt in beide boeken een betrouwbare reisgenoot.
Benny Madalijns
Dit boek werd eveneens gerecenseerd door Johan Gezels.