23 juli 2026
De brandmeester
Van Oorschot bracht ‘De brandmeester’, de bloemlezing die in 2019 als zevende deel van de reeks ‘Gedundrukt’ verscheen, in juni 2026 opnieuw uit, zonder dat er aan de samenstelling zelf iets veranderd is.
Dat de reeks na Bomans nog is voortgezet met achtereenvolgens Komrij, Biesheuvel, Wilmink, Stip, Van Keulen, Heeresma en Snijders, bewijst dat het dundrukformaat zelf een literair-historisch project is geworden, een soort levend museum van de Nederlandse cursiefkunst. Bomans heeft daarin zeer zeker zijn plaats, al bleef zijn reputatie bij leven altijd dubbelzinnig: gevierd als amuseur, zelden au sérieux genomen als stylist.
Nu ja. Bomans schreef in een tijd waarin de televisie nog een instituut was, en zijn talloze optredens op dat scherm hebben zijn reputatie gevormd op een manier die tegelijk zijn grootste kracht en zijn grootste blok aan het been is gebleven. Hij werd de eerste werkelijk bekende Nederlander avant la lettre, en de literaire kritiek van zijn tijd, gevoelig als zij was voor het onderscheid tussen ernst en amusement, heeft hem dat nooit helemaal vergeven. Vandaag is dat onderscheid veel minder vanzelfsprekend, en precies daardoor leest zijn werk gemakkelijker dan ooit.
Binnen de Nederlandse en Vlaamse letteren vertegenwoordigt Bomans een traditie waarin stijl, precisie en een zuiver gevoel voor ritme zwaarder wogen dan een verheven onderwerp, een traditie die zelden de grote literaire prijzen heeft opgeleverd maar daarom niet minder invloedrijk is geweest.
Tegelijkertijd is hij in Vlaanderen sterker weggezakt uit het collectieve geheugen dan in Nederland. Ik vermoed dat dit te maken heeft met zijn verhouding tot ‘het geloof’ die veel dubbelzinniger was dan zijn imago van brave, Sinterklaas-minnende katholiek laat vermoeden.
Een pilaarbijter was hij niet: het opvallend lange essay in deze bundel over de vraag of God nu werkelijk dood is, toont een schrijver die zijn eigen geloof voortdurend bevroeg zonder het ooit helemaal op te geven, en precies die dubbelzinnigheid maakt hem voor een kritische, vrijzinnige lezer van vandaag interessanter dan zijn imago van gezellige huisvader doet vermoeden.
Als we alleen eens de afgelopen honderd jaar nemen, dan heeft het christelijk leergezag zich verzet tegen de evolutieleer, de inzichten van Freud en het ergst van al, de emancipatie der arbeiders, waartegen het successievelijk stelde een letterlijke interpretatie van Genesis, een ongewijzigde opvatting van de vrije wil en het door God bedoeld zijn der standen. Al deze bewegingen hebben zich, individuele uitzonderingen daargelaten, doorgezet buiten de kerk, die zich wel schoorvoetend heeft aangepast, maar net als Italië telkens te laat om nog in de vruchten van de overwinning te delen.
Zo is het gegaan in de ontwikkeling van kleding, lichaamscultuur en sport en zo zal het ook gaan met de nieuwe opvattingen inzake geboorteregeling.
Deze dingen hebben zich allang in de praktijk gerealiseerd, eer de kerk er haar sanctie aan hecht. Het imprimatur komt telkens te laat. Oscar Wilde heeft dat eens aardig uitgedrukt in zijn epigram: de wetenschap is het kerkhof van de godsdienst. Telkens als het profane denken een stuk van het kenbare heeft ingepolderd, gaat die landwinning ten koste van de kerk, die verzuimde het tijdig in te dijken of, beter nog, er helemaal af te blijven. Het door haar bestreken gebied wordt niet alleen voortdurend kleiner, maar omtrent het overblijvend restant stellen de gelovigen zich met recht de vraag: is dat dan waar?
(Is God wel dood?, pagina 118)
Bomans vatte zijn eigen werkwijze ooit kernachtig samen in de uitspraak “Schrijven is schrappen. Schrijven is wat er overblijft”, en wie de bundel doorbladert, ziet voortdurend hoe hij die stelregel in de praktijk bracht: geen zin te veel, geen bijvoeglijk naamwoord dat zijn plaats niet verdient. Precies daarom blijft hij, ondanks het feit dat hem tijdens zijn leven nooit een literaire prijs is toegekend, naar mijn overtuiging een van de grootste stilisten die de Nederlandse taal heeft voortgebracht.
De bundel zelf is samengesteld uit korte verhalen, columns, sketches en één sprookje, en de samenstellers hebben ervoor gekozen thematisch verwante stukken bij elkaar te plaatsen, zodat de lezer bijvoorbeeld na een reeks luchtige verhalen over spoken en jubilarissen ineens wordt geconfronteerd met een tekst over de vraag wat een Nederlander eigenlijk is, of met het aangrijpende relaas over de laatste, woordeloze ontmoeting met zijn vader. Die overgangen zijn wat mij betreft waar de bundel haar kracht aan ontleent: Bomans bewijst er telkens weer mee dat humor bij hem geen ontsnapping is aan de ernst, maar een verlengstuk ervan, een manier om het ondraaglijke net dragelijk genoeg te maken om erover te kunnen schrijven.
Ik selecteerde drie stukken uit de bundel die de spanning tussen luim en ernst voor mij het scherpst tonen, al zijn er ongetwijfeld meer die dat evengoed zouden kunnen.
In het titelverhaal drijft de komische kracht volledig op de onverstoorbare ernst waarmee de brandmeester weigert een brand te blussen, een weigering die met zoveel plechtstatige overtuiging wordt volgehouden dat de absurditeit ervan pas geleidelijk tot de lezer doordringt.
Onmiddellijk na de brand spoedden wij ons naar de brandmeester van Amsterdam, de heer Koperbuik, die ons handenwrijvend in de deuropening tegemoet trad.
'Dat!' riep de heer Koperbuik uit, 'was weer eens echte, ouderwetse, uitslaande brand, nietwaar?'
'Wat is een uitslaande brand, brandmeester?
'Dat weten wij niet. Wij onderscheiden: loos alarm, schoorsteenbranden, binnenbranden en uitslaande branden. Maar wat dat zijn, dat weten wij niet.'
'Maar hoe wist u dan dat dit een uitslaande...'
'Van de journalisten. Die zien dat direct. Wij blussen alleen. Verder staan wij erbuiten. Hoe vond u het dit keer?'
'Een verrukkelijk schouwspel.'
'Nietwaar? Eerst dachten we dat de vuurzee zich tot de benedenverdieping zou beperken, maar jawel hoor, de bovenverdieping ging er ook aan.'
'En de huizen ernaast, brandmeester?'
'Pardon?'
(De brandmeester, pagina 219)
In De honderdjarige rijgt Bomans in een adembenemend tempo een reeks steeds ongeloofwaardiger gebeurtenissen aaneen rond een eeuweling die zich, bij het bezoek van de verteller, aan touwen ophangt om een vogelnestje te bouwen, en juist dat tempo, zonder ooit een moment van rust te gunnen, maakt het verhaal tot een van de sterkste staaltjes komisch proza uit de bundel.
'Ik kom iets vragen,' zei ik, 'vooreerst: hoe bent u zo oud geworden?'
'Het ging vanzelf,' antwoordde de jubilaris, 'elk jaar word je een jaar ouder, dat ligt in de natuur der dingen. Toen ik zeventig was, was ik zeventig, en toen ik tachtig werd, was ik tachtig. En zo maar door tot honderd.'
(De honderdjarige, pagina 8)
Heel anders werkt De laatste ontmoeting, waarin de verteller terugdenkt aan de kille vader die hem kort voor zijn dood zwijgend een fles wijn kwam brengen op zijn studentenkamer, zonder dat een van beiden nog tot een woord in staat bleek: hier legt Bomans zijn ironie volledig af en bereikt hij, in een paar bladzijden, een stijl-kaalheid (koelheid) die weinig van zijn tijdgenoten hem hebben nagedaan.
De laatste ontmoeting die ik met hem had, was ook vreemd. Ik denk er nog dikwijls over na, zonder de toedracht geheel te begrijpen. Het is misschien goed dat ik het eens opschrijf, dan denk ik er wat minder aan. Ik woonde toen in Nijmegen op kamers en leefde, evenals ik dit in Amsterdam gedaan had, van wat ik zelf verdiende. Dit was niet veel. Plotseling kwam hierin verandering. Er verscheen een tweede boekje, Erik geheten, en ik kon opeens wat eten. Ik woonde op de Pater Brugmanstraat en stond toevallig voor het raam, toen de zwarte Mercedes van mijn vader geluidloos de straat in gleed. Hierin zaten mijn ouders. Mijn moeder bleef zitten, maar mijn vader stapte uit en liep langzaam naar de voordeur, met iets onder zijn arm. Ik had beiden in geen jaren gezien en ging in een hoek van de kamer staan, met mijn rug tegen de muur. Nog hoor ik zijn trage voetstap op de trap en daar verscheen hij op de drempel. We keken elkaar een ogenblik aan. Toen begaf hij zich naar het raam en keek naar buiten. 'Mooi uitzicht,' zei hij en draaide zich langzaam om. Ik antwoordde niet. Hij bleef een ogenblik bewegingloos staan en zette toen een fles wijn op tafel. Ik zei nog steeds geen woord. Mijn vader kruiste de handen op de rug en keek strak naar het behang. Zo verliepen enkele seconden. Toen knoopte hij zijn jas dicht en verliet de kamer. Ik hoorde het portier dichtslaan en de auto wegrijden. Enkele dagen later kreeg ik een telegram. Hij was gestorven.
(De laatste ontmoeting, pagina’s 22-23)
Of deze herdruk het werk van Bomans opnieuw onder een breed publiek zal brengen, durf ik sterk te betwijfelen, maar dat is mijns inziens niet noodzakelijk de maatstaf waarmee men een dergelijke uitgave moet beoordelen.
Deze editie is hoe dan ook een goede aanleiding om Bomans opnieuw te lezen, niet als curiosum uit een vervlogen tijdperk, maar als een schrijver wiens precisie de tand des tijds beter heeft doorstaan dan zijn reputatie.
Benny Madalijns