Daan Doesborgh
Benny Madalijns
fictie
  • 15 keer bekeken
  • minuten leestijd
  • Reacties

Waardering

18 augustus 2026 OCCO
Daan Doesborgh, tot dusver vooral bekend als dichter en podiumperformer, waagt zich met ‘Occo’ aan zijn debuut in het historische genre. Het boek verscheen begin augustus bij Van Oorschot en voert de lezer naar het Amsterdam van de vijftiende en zestiende eeuw, waar het de jonge bankier Pompejus Occo volgt die er manifest zal uitgroeien tot mecenas en humanist.
In zijn verantwoording achteraan het boek stelt de auteur dat het grootste deel van de plot, voor zover na te gaan, echt gebeurd is, gebaseerd op eigentijdse bronnen. Details als Maximiliaans doodskist die hij overal meenam, Sigbrits ontsnapping in een vat, en de mogelijke vergiftiging van Duveke met een mandje kersen worden genoemd als voorbeelden waar de bronnen uiteenlopen of onzeker zijn. Hij erkent dat het boek geen naslagwerk is: waar de geschiedschrijving hem in de steek liet, heeft hij historische feiten aangevuld en soms naar zijn hand gezet, met een mogelijk wat arcadischer beeld van de zestiende eeuw dan de wetenschappelijke consensus toelaat. Sommige toenmalige maatschappijkritische opvattingen liggen dichter bij de onze dan verwacht, zoals de twijfel aan de kerkelijke leer.
Vervolgens licht hij toe hoe hij te werk ging: sommige gebeurtenissen zijn naar het einde van het verhaal verplaatst omwille van de vertelling, de personages Claes en Aldert zijn verzonnen, maar de meeste andere figuren hebben echt bestaan. De indeling van het huis van Occo moest hij zelf invullen, geholpen door een 3D-reconstructie van het Paradijs. Hij bedankt er de meelezers en de eindredacteur, en verwijst ook graag naar zijn eigen podcast Een Ander Amsterdam voor wie meer wil weten over de Heilige Stede en het Paradijs, met verwijzingen naar fysieke sporen in de stad (Amsterdam-Noord, het Rokin).
Zijn verhaal is gesitueerd rond de Amsterdamse familie Occo en het Habsburgse hof. Centrale figuren zijn Pompejus Occo, bankier en kerkmeester van de Heilige Stede, huisbankier van de Deense koning en vertegenwoordiger van de Fuggers, en zijn vrouw Gerbrich Claesdochter, telg uit een voorname Amsterdamse familie. Hun zoon Sybrandt komt ook voor.
Aan het hof staan Christiaan II van Denemarken, getrouwd met Isabella van Habsburg maar in de ban van zijn minnares Duveke Sibrechts, en diens moeder Sigbrit Willemsz, die als financieel adviseur van Christiaan feitelijk minister van Financiën wordt genoemd. Rond hen figureren onder meer bisschop Erik Valkendorf, die de ontmoeting tussen Christiaan en Duveke bemiddelde, en Harmen Willemsz, tussenpersoon tussen de Occo's en de familie Sibrechts.
Verder verschijnen de Habsburgse machthebbers Margaretha van Oostenrijk (landvoogdes der Nederlanden) en haar vader keizer Maximiliaan, opgevolgd door Karel V. Ook de kunstschilder Jacob Cornelisz van Oostsanen wordt genoemd, huisvriend van de Occo's die voor hen werkte. Twee jeugdvrienden, Claes en Aldert Simonsz, worden expliciet als verzonnen figuren aangeduid.
Ik moet bekennen dat ik na de eerste bladzijden overwoog het boek weer weg te leggen. De proloog, gesitueerd in maart 1345 en verteld door een naamloze verteller aan het ziekbed van haar broer, roept weliswaar een sfeer van middeleeuws Amsterdam op die zintuiglijk overtuigt, met de geur van de looierij, de dampende kookpotten en de rioolstank vermengd met lenteregen. Deze proloog situeert zich meer dan anderhalve eeuw vóór het eigenlijke verhaal, dat in maart 1511 aanvangt.
Wat mij bij die eerste lezing eerder tegenstond dan meesleepte, was de dichtheid van de beeldspraak waarmee die sfeer wordt opgebouwd. Wolken, vuur en zelfs voetstappen krijgen er een eigen wil en beweging, alsof geen enkel verschijnsel zonder die animatie de tekst mocht binnenkomen.
Ook de vergelijkingen zelf overtuigden me niet. De openingszin, met "een rijtje sloepen, als biggen die aanliggen bij hun moeder," is naar mijn aanvoelen een merkwaardige eerste noot voor een boek dat begint bij het doodsbed van een broer. Diezelfde onbeholpenheid vind ik terug in de zin waarin de broer "verkrampt en hoestend in zijn bed ligt te braken" terwijl bij de verteller "een smeekbede" de mond "uit golft": een parallel tussen braken en smeken die eerder wringt dan ontroert (pp. 9-15).
Toch bracht ik de moed op om door te bijten, in de verwachting dat dit een beginnersreflex zou blijken die wegebt zodra het verhaal op stoom komt, en niet een stijlkeuze die zich door de hele roman zou herhalen. Of die verwachting terecht was, laat ik over aan de eigenlijke lezer.
Ter illustratie een passage uit het slot van het boek (p. 179), waar diezelfde vreemde constructies zich onverminderd voordoen: "Claes dacht terug aan de rillerige opwinding die hij voelde, boven op het suizen van de drank, toen Aldert gisteren op de werf de sleutel in het slot stak en deze bescheiden keet opende waar de geheimen van zijn leven zich afspeelden. Daarna was er nog meer drank, een paar aanrakingen die ook per ongeluk hadden kunnen zijn, een gesprek vol bospaden die niet ingeslagen werden, en de constatering dat het te gevaarlijk was om op dit uur, zo dronken nog over de Lastage naar de stad te lopen, en bovendien was de poort al dicht."
Enkele van die vreemde constructies storen me echt. In "de rillerige opwinding... boven op het suizen van de drank" wordt een fysieke sensatie op merkwaardige wijze op een andere gestapeld. Door de formulering "die ook per ongeluk hadden kunnen zijn" wordt de intimiteit gerelativeerd tot toeval. Het "gesprek vol bospaden die niet ingeslagen werden" is dan weer een omslachtige metafoor voor woorden die niet uitgesproken werden. Met "en bovendien was de poort al dicht" wordt een moment van erotische spanning tot slot teruggebracht tot een praktisch detail over openingsuren.
Of deze aaneenschakeling van bathetische wendingen (een plotse val van het verhevene naar het banale) een bewuste stijlkeuze van Doesborgh vormt dan wel een onhandigheid die tot het einde toe in de roman aanwezig blijft, is, zoals ik reeds schreef, een vraag die ik door de lezer zelf laat beantwoorden.
Ondanks al die stilistische onhandigheden, koos ik uiteindelijk voor drie sterren en niet voor twee. Het verhaal zelf en de historische setting wogen voor mij zwaar genoeg door om de balans net naar de positieve kant te doen doorslaan.
 
Benny Madalijns

Daan Doesborgh
Benny Madalijns
fictie
Benny Madalijns is van opleiding Leraar Beeldende Kunsten en Doctor in de Letteren en Wijsbegeerte (PhD, VUB). Hij is schrijver van amper te publiceren verhalen over denken & doen en schilder-collagist van zo maar wat bedenkingen van geest & gemoed. (Foto: Jean Cosyn - VUB)
_Benny Madalijns -
Meer van Benny Madalijns

_Van zelfde auteur

_Nieuwste recensies

Bekijk alle nieuwe recensies