8 oktober 2026
Barakstad. JMH Berckmans gebundeld
Met ‘Barakstad. JMH Berckmans gebundeld’ brengt Pelckmans Uitgevers voor het eerst het volledige gepubliceerde oeuvre van Jean-Marie Henri Berckmans samen in één band. De meeste van zijn vijftien boeken waren, voor zover ik kon nagaan, al jaren enkel tegen woekerprijzen op de tweedehandsmarkt te vinden.
Tom Lanoye schreef het voorwoord, Ellen Van Pelt verzorgde de tekstbezorging, en Hans Demeyer en Arnout De Cleene tekenden voor de redactie en het nawoord. Zij kozen voor een chronologische ordening volgens de eerste publicatiedatum, met één uitzondering: As op jazzwoensdag verscheen pas in 2003, maar staat hier op de plaats die overeenkomt met 1999, het jaar waarin de tekst klaar was, omdat het een pivotale plaats inneemt in het oeuvre.
Ik heb twee hoofdbezigheden in dit ondermaanse:
op mijn bed liggen en in mijn bed liggen
(JMH Berckmans, uit: Tranen voor Coltrane, pagina 172)
Berckmans zelf sprak zich uit over die vertraagde publicatie in een interview met Herman Jacobs voor De Morgen van 22 november 2000, een tekst die ik bij mijn opzoekingen voor deze recensie tegenkwam en te waardevol vond om links te laten liggen. Het boek had eigenlijk vóór Na het baden bij Baxter en de ontluizing bij Miss Grace moeten verschijnen, vertelde hij, maar uitgeverij Houtekiet weigerde het uit te geven toen bleek dat hij terugkeerde naar Nijgh & Van Ditmar. Berckmans vatte die gang van zaken droogjes samen: "Verkeerde volgorde, maar ja, soit."
Diezelfde tekst noemde hij een boek over de dood van zijn moeder en van zijn vriend, de beeldhouwer Albert Szukalski, geschreven volgens de grondregels van de free jazz, naar zijn eigen zeggen een "zeer experimenteel boek". Twee verhalen beschouwde hij als het beste dat hij ooit geschreven had: "Als plots aan Ratata een eind zal zijn gekomen" uit Bericht uit Klein Konstantinopel en het slotverhaal "Eindstation Butebeton" uit Baxter. Zijn eigen werkwijze omschreef hij niet als fictie maar als een grafie van zijn leven, een weergave van hoe hij het beleefde, ook al was er veel in verzonnen.
(…) Ik ben verzot op al zijn boektitels. Ze zijn allemaal pareltjes en vormen op zich al het bewijs van zijn talent. De schrijver die zijn boeken slappe titels geeft, kan geen goede schrijver zijn.
Zet ze onder elkaar, die titels van hem, of lees ze hardop, met je wijsvinger langs de ruggen gaand waar ze verzameld staan, en je zult merken: ze vormen een readymade-gedicht dat geschreven had kunnen zijn door de Beat Poets bij wie Jean-Marie ook deels zijn mosterd vandaan moet hebben gehaald. Allen Ginsberg, William S. Burroughs, Diane di Prima, Gregory Corso, Lawrence Ferlinghetti - hun echo's klinken mee. Zelfs de stem van Samuel Beckett resoneert, zo nu en dan, als het gaat om de herhaling als stijlkenmerk, met hier en daar een kleine maar betekenisvolle variatie. Die techniek beheerste Berckmans als weinig andere van zijn Nederlandstalige collega's.
Je kunt die readymade-oefening ook zelf uitproberen, hier en nu, dankzij de inhoudstafel die op pagina's 12 en 13 staat. Verander de volgorde van de titels, knip en plak naar hartenlust, en je zult zien dat de stemming en betekenis van je readymade veranderen. Dit is mijn gooi:
Brief aan een meisje in Hoboken
Bericht uit Klein Konstantinopel
Café De Raaf nog steeds gesloten
Slecht nieuws voor Doctor Paf
Tranen voor Coltrane
Na het baden bij Baxter
En de ontluizing bij Miss Grace
Het zomert in Barakstad
Vergeet niet wat de zevenslaper zei
Je kunt geen twintig zijn op suikerheuvel
As op jazzwoensdag
Ontbijt in het vilbeluik
Het onderzoek begint
(Inleiding door Tom Lanoye, pagina 8)
Wie van jullie waagt een kansje? Stuur me je readymade, ik ben benieuwd naar de eigenzinnige gedichten die uit Berckmans' titels ontstaan.
Afijn. Berckmans werd geboren in Leopoldsburg in 1953 en verhuisde als kind naar Antwerpen. Hij begon aan een studie Germaanse filologie, maar werd nog voor het academiejaar goed en wel begonnen was opgenomen in een psychiatrische instelling, waar hij tot zijn drieëntwintigste verbleef.
Ten tijde van dat interview met Herman Jacobs voor De Morgen, in 2000, woonde hij in de Antwerpse Lemméstraat, samen met zijn hondje Charlowietje, dat ook een vaste plaats kreeg in zijn boeken. Zijn vriend Geert Breës, in eerdere werken nog "de Brees" genoemd, figureert in Na het baden bij Baxter en de ontluizing bij Miss Grace onder de naam "Goedertier".
Berckmans typeerde zichzelf in dat gesprek als een "absolute Einzelgänger in de literatuur", iemand die zich niet bekommerde om de vraag waar hij in het literaire landschap paste. Zijn weerkerende grap over commercieel succes wees in dezelfde richting: wie brood op de plank wilde, moest volgens hem boeken schrijven "over Janneke en Mieke", iets wat hij welbewust nooit deed, omdat hij eerlijkheid tegenover zichzelf en zijn lezers belangrijker vond dan verkoopcijfers.
Over zijn ouders sprak hij openhartig. Zijn moeder omschreef hij als een vrouw die haar hele leven hard werkte voor haar vijf kinderen en die, ondanks amper voortgezet onderwijs, de wereldliteratuur kende. Over zijn vader, die hem als schrijver nooit enig respect betoonde, sprak hij met een bitterheid die na diens dood niet was weggeëbd.
Een ernstige bipolaire stoornis en een langdurige verslaving aan drank en tabak kenmerkten zijn hele leven. In 2008, vierenvijftig jaar oud, werd hij dood aangetroffen op de sofa van zijn Antwerpse flat.
Bij de samenstellers van Barakstad zelf leeft een vergelijkbaar spanningsveld. Hoe meer de mythe rond zijn ellendige leven, zijn drank en zijn ziekte groeit, hoe makkelijker die mythe de blik op het eigenlijke literaire werk vertroebelt. Demeyer en De Cleene leggen in hun nawoord daarom bewust de nadruk op de auteur en het werk, en niet op de anekdote.
Rond de heruitgave zelf ontstond intussen al een kleine industrie: een hommage-avond in De Studio, een vitrine in het Letterenhuis en een podcastreeks die naar zijn levenswijze verwijst. Berckmans, die tijdens zijn leven weinig erkenning kreeg, zou vermoedelijk gemengde gevoelens gehad hebben bij zoveel postume belangstelling. Dat alles bevestigt dat Berckmans postuum is uitgegroeid tot een cultfiguur, ook al bleef die erkenning hem tijdens zijn leven grotendeels ontzegd.
Berckmans' oeuvre laat zich niet gemakkelijk samenvatten. Vijftien titels, geschreven tussen 1977 en 2009, in enkele bladzijden vatten is, mijns inziens, een schier onmogelijke opdracht.
Bij Berckmans is de afrekening met de ouders zelden filosofisch en bijna altijd persoonlijk. In het verhaal De menagerie van de schamele drie, opgenomen in Bericht uit Klein Konstantinopel uit 1996, noemt de verteller zich een "misbakken bruine nageboorte" in de ogen van zijn eigen vader en moeder.
Die formulering is exemplarisch voor een toon die door het hele boek terugkeert. Afstand en ironie ontbreken er vrijwel volledig, en wat overblijft is de rauwe blootlegging van een gewond gezinsleven.
En dan… Dan vanuit het huis het wereldlijk gejank van mijn grootmoeder. Of ik haar op de pot wil helpen. En ik sta op en loop schemerig en suf het huis in en help haar op de pot. Mijn grootmoeder is het meest onbeschaamd walgelijk mens dat ten tijde van de Revolutie in deze gebieden leefde. Ze is afschuwelijk, ik zal later over haar schrijven.
(Heil de historiografen, uit: Geschiedenis van de revolutie, pagina 17)
Vrouwen komen er in Barakstad zelden beter vanaf. In Aantekening over De Beuckelaer Jean-Pierre, uit Het zomert in Barakstad uit 1993, ontleedt Berckmans een personage van binnenuit, via diens dronkenschap en seksuele obsessie. Die mannelijke, drankzuchtige begeerteblik verklaart naar mijn aanvoelen meer over de vrouwonvriendelijkheid van dit werk dan het etiket alleen ooit zou kunnen.
Het scherpste punt van dit oeuvre ligt echter niet bij ouders of vrouwen, maar bij de vele marginale figuren die Berckmans tekent zonder mededogen. Hun tics, hun gedragingen en hun lichamelijke kenmerken worden uitvergroot tot het karikaturale, in wat zich laat lezen als een ommegang van gebrekkigen.
Want dit walgelijk soort volk kent totaal geen respect voor zijn medemens. In deze gebieden vind je deze klotetroep maar al te veel, uitschot, rapalje, krapuul, krengen. Ik ken ze wel : nozempjes van een technische school, vies en ongewassen, aartsdom bovendien en lelijk als de nacht en ongeschoren en ongekamd. Ik ken ze wel, zuipen en neuken op hun zestiende! Geen boek in hun handen, geen ene culturele interesse!
(De verontwaardiging van een fatsoenlijk burgermens, uit: Geschiedenis van de revolutie, pagina 115)
Dat is een vorm van kwetsing die niet raciaal of seksistisch geëtiketteerd hoeft te worden om problematisch te zijn. Precies daardoor valt ze ook moeilijker te becommentariëren dan de simpele term "racistisch" of "vrouwonvriendelijk" laat vermoeden.
Ook zijn behandelaars ontsnappen niet aan die blik. Zijn psychiater figureert doorheen het oeuvre onder de naam "Frieda Vindevogel", een personage dat telkens terugkeert en telkens weer het mikpunt vormt van dezelfde compromisloze spot als zijn ouders en zijn ex-vrouw.
Veelzeggend is ook een interviewtitel uit 1997, waarin Berckmans het in één gesprek heeft over leven aan de rand van de samenleving, seks, vrouwen, kiesgedrag, afkomst en dood. Vrouwen en afkomst worden daar letterlijk in één adem genoemd, als thema's die bij hem blijkbaar onlosmakelijk samen opduiken, en dat zegt naar mijn aanvoelen meer over zijn wereldbeeld dan één enkele geciteerde passage ooit zou kunnen.
Uiteindelijk ontsnapt Berckmans zelf niet aan die blik. Doorheen het boek noemt hij zichzelf "Pafke het meest konkrete Mafke" en "de gaskamerman", formuleringen die suggereren dat de grofheid evenzeer naar binnen als naar buiten gericht is.
Het leven was voor hem, zo blijkt uit zijn eigen teksten, zo weerzinwekkend dat de gewone woorden tekortschoten om er recht aan te doen. Die tekortkoming zelf werd bij hem een stijlprincipe.
Eén zin komt in tal van varianten telkens terug doorheen het hele oeuvre: "Het zijn vreemde tijden en het zomert in Barakstad." Ze staat oorspronkelijk in het verhaal Kaddisj voor een groene rat en fungeert er, mijns inziens, als een soort tijdsaanduiding voor een wereld die uit het lood hangt.
Het zijn vreemde tijden en het zomert in Barakstad. Ieder sterft z'n dagdagelijkse kleine beetje dood. Sommigen willen sterven zoals Jezus Christus. Met een baard en een snor en in een spijkerbroek. Sommigen willen vernederd en vertrapt en luidkeels eli eli lama sabaktami zingen. Elektrisch en bedolven onder tien ton fuzz. Sommigen willen sterven in een holocaust. Naakt en zonder tranen en tot op het bot ontluisd. Sommigen willen sterven als een gele hond in de steppe van Schellebelle. Sommigen willen andante en tot in den treure sterven. Als de eerste de beste onnozelaar. Vermorzeld en verkoold en verkommerd en verzuurd en verbitterd en verkweld en tot knisperend grijs gruis vergaan. Sommigen willen rijmen en dichten en sterven zonder hun gat op te lichten. Sommigen willen sterven met de schok van een scheet op de schaal van Richter en met een grijns van hier tot ginder en van daar naar elders kris kras dwars door de hele wereldbol heen. Sommigen willen sterven als een otorhinolaryngobrontosaurus. Gestoofd in de koekepan met tienduizend mespunten cayennepeper. Sommigen willen sterven in de uitverkoop aan een spotprijs. Zeg maar tweeënegenennegentig. Sommigen willen sterven in al hun glorie. In al hun naaktheid. Met veel vertoon van snot en slijm willen sommigen sterven. In hun ellende en hun sores en in hun pis en in hun kak. Sommigen willen sterven in een boek van Mickey Spillane. Terechtgesteld door een huurdoder voor de luttele som van vijfentwintig cent. Sommigen willen met veel pathos sterven in een opera van Richard Wagner en sommigen willen roemloos sterven in de eerste de beste ijskoude winternacht in de eerste de beste steeg in de eerste de beste voorstad van de eerste de beste hedendaagse metropool.
(Kaddisj voor een groene rat, uit: Het zomert in Barakstad, pagina 427)
Stilistisch evolueert Berckmans van het nog vrij traditioneel verhalende Café De Raaf nog steeds gesloten uit 1990 naar de radicale fragmentatie van Ontbijt in het vilbeluik, Slecht nieuws voor Doctor Paf de Pierennaaier, Pandemonium in de Grauwzone en As op jazzwoensdag. In die latere boeken werkt hij met klank, ritme, rijm en neologismen op een manier die aan bebop en free jazz doet denken.
Het onderzoek begint en Je kunt geen twintig zijn op suikerheuvel keren nadien terug naar meer structuur, met een kwetsbaarder toon. Vooral de brieven aan zijn overleden ouders behoren, naar mijn aanvoelen, tot het beste wat hij geschreven heeft.
Berckmans wordt doorgaans in één adem genoemd met Louis Paul Boon, Ivo Michiels, Peter Verhelst en Paul van Ostaijen, en ook de namen van Charles Bukowski en Céline vallen geregeld. Die vergelijkingen zijn niet toevallig: net als bij Céline botst bij Berckmans een groteske, compromisloze blik op de wereld met een virtuoze beheersing van ritme en klank.
Toch blijft mijn belangrijkste bezwaar dat die virtuositeit de scabreuze passages nooit relativeert. Een lezer in 2026 kan die scabreuziteit niet meer zomaar wegzetten als iets tijdsgebonden, ook al is de verleiding daartoe groot bij een auteur die zelf zo zwaar geleden heeft.
Ik vond dit boek donderdag 3 september in mijn brievenbus. Aan een tempo van ongeveer honderd bladzijden per dag heb ik, bij 1351 bladzijden, zowat veertien dagen nodig om me een gefundeerd oordeel te kunnen vormen over de waarde van deze bundeling. Dertien romans en verhalenbundels in één band lezen is, mijns inziens, dan ook geen opdracht die je in enkele weken achter de rug hebt. Wie het boek van begin tot einde doorneemt, merkt hoe de stijl zelf verandert, van het nog relatief klassieke verhalende proza van 1990 naar de bezwerende, bijna muzikale herhalingen van na 1997.
Die evolutie maakt Barakstad ook tot een document over hoe een schrijver zijn eigen taal steeds verder op de spits drijft, tot op het punt waar de grens tussen roman en rouwbrief nauwelijks nog te trekken valt. Dat geldt vooral voor As op jazzwoensdag, geschreven na de dood van zijn moeder, en voor de latere brieven aan zijn overleden vader.
Barakstad is dan ook geen boek dat je zomaar aanraadt zonder voorbehoud. Het bundelt een oeuvre dat op zijn best, in Het zomert in Barakstad en Taxi naar de Boerhaavestraat, een bezwerende kracht bezit. Weinig Vlaamse auteurs uit dezelfde periode evenaren die kracht. Elders in het boek overheerst echter een meedogenloosheid tegenover ex-vrouw, ouders en psychiater die ik als lezer niet zomaar kan vergoelijken met een verwijzing naar de literaire kwaliteit ervan.
(…) Er ontstaat enige commotie bij de standplaats van Barakstad Tax. De Turken in de shoarmatenten. De mannetjes en de wijfjes in de straten, op de loop voor de verdoemenis die hen als een schaduw achtervolgt en geen oogwenk verpozen meer laat. Een apocalyps van neonlicht en straatlawaai. De zilte geur van de rivier die door de waaigaten van straten ruist en ronkt. Op het mastodontische scherm op de Handschoenmarkt laat Derrick een loeier van een scheet en zegt nee Harry zo komen we er niet uit. Toch heeft die Rosenthal het gedaan, zegt Harry, Rosenthal is de moordenaar, daar steek ik m'n hand voor in het vuur. Berger knipt z'n aansteker aan en Harry steekt de kolf van z'n hand in de vlam. Derrick laat nog een muisstille schuiver en daarna niets meer. Tot Harry het minuten later uitschreeuwt van de pijn gebeurt er niets op de Handschoenmarkt. Dan is het programma plots afgelopen en waaiert de massa uit als een strontveeg op het laken van een kinderloos kraambed en verdwijnt in de nacht die geen medelijden meer koestert.
Beispiel nummer zwanzig. Op de dag van Harmageddon moet je gewoon zo nederig mogelijk uit de hoek zien te komen. Hoe nederiger je op de dag van Harmageddon uit de hoek komt hoe meer aflaten je krijgt. Dat is bekend.
(Taxi naar de Boerhavestraat, pp. 594-595)
Voor wie meer wil weten over de mens achter dit oeuvre, is er de biografie Schrijven in de Grauwzone van Chris Ceustermans uit 2018. Die biografie tekent, naar mijn aanvoelen terecht, een bij momenten ongemakkelijk portret van de rafelrand van Antwerpen waarin Berckmans zich bewoog.
Wie dat weegt en toch verder leest, ontdekt in Berckmans een van de eigenzinnigste stemmen binnen de Vlaamse literatuur van de tweede helft van de twintigste eeuw.
Allergisch als ik ben voor al te politieke correctheid, voor het wederinvoeren van iets dat neigt naar voorvaderlijke boetedoening en moedermaagdelijke betutteling, vraag ik hier graag aandacht voor de disclaimer die Pelckmans Uitgevers vooraan in Barakstad liet afdrukken. Volgens die disclaimer bevat het boek discriminerend taalgebruik, vooral tegenover vrouwen en mensen van kleur, dat aanstootgevend of kwetsend kan overkomen.
De taal van Berckmans is wat ze is. Daar hoeft niemand de lezer voor te waarschuwen: Berckmans is Berckmans. Weg met het puritanisme van dat soort zedenprekers, niet met pakweg Berckmans' eigen grove zelfbenamingen als 'Pafke het meest konkrete Mafke', 'de gaskamerman' of 'misbakken bruine nageboorte'. Zeg dat Tommeke Lanoye, die andere nachtraaf, het gezegd heeft…
Benny Madalijns