Almar Otten
Benny Madalijns
fictie
  • 11 keer bekeken
  • minuten leestijd
  • Reacties

Waardering

15 oktober 2026 De rode erfenis
Thrillers lees ik zelden. De enkele keren dat ik er toch een ter hand nam, steevast op een zuiders strand met een glas witte wijn binnen handbereik, hield ik er een kater aan over, en was het dan nog maar van de wijn geweest. Alleen Dan Brown en Georges Simenon wisten mij echt te bekoren, de ene met zijn belezen symboliekexpert Robert Langdon, de andere met zijn onverstoorbare commissaris Maigret.
Dat ik onlangs op Kreta toch De rode erfenis van Almar Otten las, had twee redenen. De eerste was Connie Palmens Johnnie Walker, waarin Palmen de RAF-terroriste Ulrike Meinhof als haar schaduwzus opvoert. Na dat boek was ik benieuwd hoe een thrillerauteur vandaag met diezelfde geschiedenis zou omspringen.
De tweede reden was persoonlijk. Toen ik in de herfst van 1977 als eerstejaars aan de VUB begon, hield de RAF werkgeversvoorzitter Hanns-Martin Schleyer gegijzeld. Als negentienjarige was ik, dat geef ik grif toe, stevig onder de indruk van wat velen toen voor revolutionaire daadkracht hielden, en ik was benieuwd hoe een romancier die fascinatie vandaag in een verhaal zou gieten.
Otten kende als scholier dezelfde fascinatie. In zijn verantwoording (pp. 347-349) vertelt hij hoe hij samen met zijn vriend Lammert gretig het nieuws over de ETA, de IRA, de Bende van Nijvel en de RAF volgde, naast het leven van Keith Richards en de romans van Hermann Hesse. Hij geeft eerlijk toe dat de morele kant van al dat geweld hen koud liet, en vergelijkt hun drang naar vrijheid met die van Goldmund tegenover Narziss.
Bij die vergelijking plaats ik een kanttekening. Hesse liet zijn Goldmund de vrijheid zoeken in de liefde en in het beeldhouwen, en bijna vijftig jaar later zie ik daarin een wezenlijk andere vrijheid dan die van wie bommen legt. Ik was dan ook benieuwd of de volwassen Otten die morele vraag alsnog zou stellen.
De directe aanleiding voor het boek vond Otten in de arrestatie van het voormalige RAF-lid Daniela Klette op 26 februari 2024. In De rode erfenis plegen onbekenden in Amsterdam, Brussel en Frankfurt aanslagen uit onvrede over de kloof tussen arm en rijk, telkens ondertekend met een rode ster. Rechercheur David zoekt oud-RAF-leden die al decennia spoorloos zijn, terwijl Lore haar verdwenen moeder probeert te vinden.
Otten heeft zijn huiswerk grondig gemaakt. Hij gebruikt veelal de echte namen van daders en slachtoffers en noemt het resultaat zelf “geen accuraat historisch verslag, maar spannende fictie” (p. 348). De historische laag vond ik degelijk en leerrijk, de beloofde spanning voelde ik echter nauwelijks.
Otten vertelt dat hij het boek na zijn eerste gesprek met de uitgeverij op de kop gooide en “puzzelde wat af om alles te laten kloppen” (p. 349). Dat gepuzzel voelde ik al te vaak: de wendingen zag ik van ver aankomen, en de ontknoping kwam mij vrij haastig bijeengeharkt voor. Ook de morele vraag waarop ik had gehoopt, vond ik in de plot zelf nauwelijks terug.
Op één plek maakt Otten die hoop wel waar. Op pp. 122-125 kijken zijn personages Sybille en Encey naar het werk van de performancekunstenaars Marina Abramović en Ulay. In Rhythm 0 liet Abramović in 1974 het publiek zes uur lang vrij met tweeënzeventig voorwerpen, waaronder een geladen pistool, tot bezoekers haar kleren stukknipten en het wapen op haar richtten.
In Rest Energy hield Abramović een boog vast, terwijl Ulay de pees spande met een pijl op haar hart gericht. Encey vroeg Sybille geregeld of ze hem in zo'n situatie genoeg zou vertrouwen, en zij kon daar nooit zonder voorbehoud op antwoorden. Met die vraag naar overgave, vertrouwen en geweld raakt Otten mijns inziens de kern van elke gewapende beweging.
In The Lovers stapten Abramović en Ulay in 1988 vanaf de twee uiteinden van de Chinese Muur naar elkaar toe, om elkaar na drie maanden in het midden vaarwel te zeggen. Sybille vraagt zich af of zij en Encey in vijftig jaar elk de helft van de Muur hebben afgelegd, en ze zoekt hem op om te herstellen wat stukging.
In die vier bladzijden vond ik het boek dat ik had willen lezen. In de ruim driehonderd andere bladzijden zocht ik het tevergeefs.
Thrillers zullen wellicht nooit mijn genre worden, al twijfel ik er niet aan dat ontelbare liefhebbers van stevig gedocumenteerde spanningsliteratuur er hun vingers bij zullen aflikken. Zelf hield ik er deze keer geen kater aan over, hooguit een lichte ontnuchtering, en die kon ik moeilijk op rekening van de Kretenzische wijn schrijven.

Yamas!

Benny Madalijns
Almar Otten
Benny Madalijns
fictie
Madalijns is doctor in de Letteren en Wijsbegeerte (VUB) en auteur van een beperkt en bewust selectief gepubliceerd oeuvre op het snijvlak van filosofie, literatuur en kunst. Daarnaast ontwikkelt hij een beeldende praktijk als schilder en collagist, in voortdurende wisselwerking met zijn schrijfwerk. Hij publiceert essays en reflecties op zijn blog Wemelende Kantlijnen. (Foto: Jean Cosyn - VUB)
_Benny Madalijns -
Meer van Benny Madalijns

_Van zelfde auteur

_Nieuwste recensies

Bekijk alle nieuwe recensies