29 oktober 2026
Poëtica
De inleiding bij de nieuwe vertaling in het Nederlands van dit werk van Aristoteles (384-322 v.C) begint als volgt: “De Poëtica is het oudste en het invloedrijkste boek in de geschiedenis van de westerse literatuurtheorie.” Casper de Jonge, de auteur van deze zeer instructieve inleiding, windt er geen doekjes om dat we hier met een sleuteltekst te maken hebben. Vervolgens legt hij overtuigend uit waarom dit zo is.
De vertaling is van de hand van twee classici. Piet Gerbrandy is dichter, classicus en literatuurcriticus; Casper de Jonge is hoogleraar Griekse taal en letterkunde aan de Universiteit Leiden. Het boek verschijnt in de reeks Aristoteles in Nederlandse vertaling van de Historische Uitgeverij.
Aristoteles schreef vier werken over de dichtkunst, maar de andere werken kennen we slechts indirect. Er bestaan op dit moment geen exemplaren meer van. En zelfs van deze Poëtica is slechts het eerste deel overgeleverd. Dit deel spitst zich toe op het epos en de tragedie.
De Poëtica is een vroege literatuurgeschiedenis die bijdraagt aan ons begrip van de klassieke Griekse literatuur. Daarnaast is het een vroege taalkundige verhandeling, een eerste aanzet tot een grammatica. Opvallend is dat de alleroudste, nu bekende grammatica – voor het Sanskriet van de Indiase geleerde Panini – ook uit de vierde eeuw voor Christus stamt. In later grammatica’s zijn de termen van Aristoteles overgenomen. We kennen ze tot op de dag van vandaag. Echter, de betekenis van de termen is wel verschoven. Daarmee wordt het lezen van de Poëtica soms wel een kwestie van zeer goed opletten.
Maar het belang van de Poëtica gaat nog verder. Aristoteles introduceert hier begrippen als ‘plot’, ‘eenheid’, ‘peripetie’ (plotselinge omslag in een tragedie, bijvoorbeeld bij de komst van een boodschapper). Volgens Aristoteles is een wezenlijk kenmerk van poëzie de mimesis: gedichten beelden een bepaalde handeling uit in een samenhangend plot (muthos). Impliciet reageert Aristoteles hiermee op Plato, die mimesis negatief omschreef als imitatie. Aristoteles definitie is veel positiever, maar zijn begrip van poëzie overlapt niet meer geheel de onze. Voor Aristoteles behoren de epen van Homerus, de tragedies van Sophocles en de komedies van Aristophanes, maar ook de narratieve liederen ter ere van Apollo tot de poëzie. Het voordeel van Aristoteles ruime definitie is dat zijn beschrijvingen en kwalificaties ook van toepassing zijn op dans, muziek en schilderkunst en zelfs op kunstvormen die de auteur zelf niet gekend heeft als film. Opvallend daarbij is ook zijn positieve beoordeling van emoties in de kunst. Ze zijn functioneel. Kunst kan emoties oproepen en daarmee psychische heling tot stand brengen. Ze is om van te leren, niet in de laatste plaats over onszelf, en om van te genieten.
Die positieve kijk is meer dan een terloopse correctie. De Jonge leest de Poëtica als een antwoord op Plato’s bezwaren tegen de dichtkunst. Aristoteles neemt diens vertrekpunten over, maar keert de waardering om: dichten is een leerbaar vak (technè), uit uitbeelding leren doet ieder mens plezier, en omdat poëzie op het universele gericht is, staat ze dichter bij de filosofie dan de geschiedschrijving (inleiding, pp. 21–26).
Het meest omstreden begrip blijft katharsis, dat Aristoteles nergens uitlegt. De inleiding zet vier lezingen naast elkaar: de moraliserende, de medisch-psychologische ‘ontlading’ van Jacob Bernays, de intellectueel-didactische (onder meer Halliwell en Nussbaum) en de emotioneel-reflectieve van Jonathan Lear. De vertalers kiezen voor die laatste en vertalen katharsis als ‘verlichting’ (pp. 26–30), een keuze die ze openlijk verantwoorden.
Aristoteles schreef de Poëtica als onderdeel van een filosofische visie die gekenmerkt wordt door een teleologisch denken en een voorliefde voor een systematisch onderverdelen als middel tot analyse. De invloed hiervan op de westerse kunstvisie is nauwelijks te overschatten.
Wat mij het meest trof, is de passage over de ideale plot in hoofdstuk 13. Aristoteles schrapt er nuchter drie mogelijkheden: een deugdzaam mens die in het ongeluk stort, wekt afschuw; een schurk die geluk vindt, raakt ons niet; en de val van een doortrapte schurk bevredigt wel ons rechtvaardigheidsgevoel, maar wekt vrees noch medelijden. Blijft de figuur ertussenin: iemand van aanzien, niet uitzonderlijk goed of slecht, die ten val komt door een misstap (hamartia), eerder een vergissing dan een zonde. Koning Oedipus is het schoolvoorbeeld. Een dubbele afloop, waarin de goeden beloond en de slechten gestraft worden, noemt hij een toegeving aan het publiek die eerder bij de komedie hoort (pp. 67–69; zie ook de inleiding, pp. 31–34). Die les is vandaag nog actueel. Veel hedendaagse pulp, van de bestsellerthriller tot de streamingserie, kiest juist voor die dubbele afloop: helden en schurken in zwart-wit, en een goede afloop die netjes wordt afgeleverd. Zulke verhalen lezen vlot, maar ze blijven niet hangen. Wat beklijft, is het verhaal van een mens die op ons lijkt en zich vergist.
Wie na deze uitgebreide inleiding, waar nog veel meer in staat dan ik hier heb samengevat, vervolgens de tekst gaat lezen wordt getroffen door de helderheid van de taal, de korte hoofdstukken en de eenvoudig te volgen opbouw. Hier zijn de vertalers zeker debet aan. Wat een goed leesbare tekst hebben ze hier gemaakt. De Poëtica is hiermee zeer toegankelijk geworden en is nu helemaal geen enge klassieke tekst meer die zoveel gezag inboezemt dat je er maar niet eens aan begint. Iedereen geïnteresseerd in literatuurwetenschappen of kunstkritiek kan dit lezen en zou het misschien in de opleiding ook verplicht moeten doen. Ik vind deze vertaling veruit te verkiezen boven die uit 2004 die verscheen bij Atheneum, Polak & van Gennep.
De vertaling volgt bovendien de nieuwe kritische editie van Tarán en Gutas (2012), en een nawoord over de receptie, een glossarium en registers maken er een volwaardig studieboek van (pp. 37–39, 107–170).
In tegenstelling tot sommige belangrijke stromingen van de literatuurwetenschap van de laatste honder jaar is Aristoteles benadering van teksten niet instrumenteel. Hij heeft een visie op mens, diens karakter en de functie die kunst voor de mens kan vervullen. Daarmee raakt de analyse doorbloed en met het echte leven verbonden. Die sensatie bij een tekst die meer dan twee millennia oud is, vond ik bijzonder.
Ik heb een zwak voor zulke beklijvende boeken: nieuwe vertalingen die grootmeesters terugbrengen die iedereen bij naam kent, maar die nog maar weinigen echt lezen. Hoort de Poëtica dan ook op de leeslijst van iedere vrijdenker?
Ik denk het wel, en om meer dan één reden. Aristoteles haalt de kunst weg uit de sfeer van de goddelijke inspiratie en maakt er een menselijk vak van, dat je met je verstand kunt leren, ontleden en beoordelen. Hij durft zijn eigen leermeester tegen te spreken, zonder hem af te branden. Hij wantrouwt emoties niet, maar ziet ze als een vorm van inzicht, die je in de veilige ruimte van het theater kunt oefenen. En hij verbindt literatuur met de vraag hoe mensen handelen, falen en zich vergissen: de tragische held is geen zondaar, maar iemand die een misstap begaat.
Wie vrij wil denken over kunst, begint mijns inziens dan ook best bij wie dat als eerste systematisch deed.
Benny Madalijns