• |
Jesse Ball
V De Raeymaeker
fictie
  • 60 keer bekeken
  • minuten leestijd
  • Reacties

Waardering boekreview

14 oktober 2020 Het duikersspel
´Het Duikersspel´ is een roman in drie delen (waarvan het tweede deel opgesplitst is in twee gebeurtenissen) en speelt zich af in een maatschappij in een ongewisse toekomst, na een grote ramp/oorlog/gebeurtenis die blijkbaar alles op zijn kop zette.
In het eerste deel ontmoeten we twee kinderen die in een dystopische maatschappij leven die openlijk ongelijkheid als “normaal” beschouwd en erop hamert dat dit de juiste levensopvatting is. Hoe dat gekomen is, leren we meteen in een les geschiedenis waarin de leraar geschiedenis, Mandred, bezig is de vorige lessen te herhalen aan de hand van een vraag-en-antwoord sessie.

Jesse Ball gebruikt deze “les” om duidelijk te maken waar vrees, onwetendheid gecombineerd met een gevoel van superioriteit toe leiden kan. (Hij denkt daarbij duidelijk aan het rechtse denken dat op dit ogenblik welig tiert in de wereld, opvallend meer in de Westerse democratieën en een land, zoals de VS of Israël). Het is een prachtige “les” in het moedwillig veranderen van de waarheid. Dat kan je maar enkel doen door min of meer subtiel de woordenschat aan te passen.
Het is prachtig om zien hoe Jesse Ball dat illustreert. De leraar moet zich immers in allerlei bochten kronkelen en met woordbegrippen “spelen” om de verschillende historische etappes als juist, logisch en moreel aanvaardbaar voor te stellen. Zo leren we dat dit werelddeel ooit met een instroom van vluchtelingen te maken kreeg die zo groot was dat die “ons dwong om te veranderen”. Die verandering was er geen van begrip en empathie, zoals je zou verwachten, maar hield in dat de vluchtelingen een rode muts op hun wang getatoeëerd kregen, zodat ze herkenbaar waren, want ”ze waren anders dan wij” en dus kregen ze “geen juridische status als persoon”…
Bal schrijft: “Sommige mensen vatten sympathie op voor de nieuwkomers” en vormden zelfs een soort gewapende burgerbescherming om ze te verdedigen.” Dat namen de “volwaardige burgers” (rechts) niet zomaar, er “vloeide veel bloed” en de “populatie van de groep vluchtelingen slonk meetbaar” (werden uitgemoord…) “maar ze verdween niet”. Er ontstond een “vitale moraal”, “een nieuwe definitie van geweld”, ”die tot op heden het fundament is waar onze natie op berust” en die stelt dat onze moraal datgene is “wat we doen”. Daardoor houdt wat we doen op echt geweld te zijn en dus zijn we dan “niet langer plegers van geweld” en wat laaggeplaatste mensen wordt aangedaan is geen echt geweld. Maar vermits we een “goede en billijke samenleving zijn” was het duidelijk “dat de vluchtelingen niet zomaar, zonder problemen, te midden van ons konden wonen” en dus moest een “Allereerste Voorstel” voor verandering zorgen en ging “de overheid” gebieden inrichten en besturen buiten elke stad, ”kwadranten” genaamd,” (getto’s) omringd door muren”, “met wachters erop”, ”een pre-beschaafde ruimte” (wetteloze vluchtelingenkampen) waar iedereen wel naar binnen kan. Dus was het noodzakelijk ”Om ze de baas te blijven wanneer ze naar buiten treden, in de natie, ongeacht hun aantal, ongeacht hun bedoelingen” de superieure burgers te voorzien van “gereedschap” (een moord- en verdedigingswapen). Die bestaat uit een spray gevuld met gas in vier kleuren die ieder een specifieke uitwerking hebben: Dodelijk geel gas, verlammend groen, verwarring veroorzakend rood en “de sluipmoordenaar”, het misselijkmakende bruine gas. Om zichzelf te beschermen tegen het gas, heeft iedere burger altijd een gasmasker bij zich.

Met een “Allertweedste Voorstel” werd besloten om criminelen niet langer “met duizenden en miljoenen tegelijk naar strafinrichtingen, gevangenissen en cachotten te sturen” maar ze simpelweg toe te voegen aan de bevolking van de kwadranten. Als kenmerk werd bij iedere gevangene de rechterduim verwijderd (afgehakt) en “met het oog op consequentheid” dus ook bij de kwadrantenbewoners. Om consequent te blijven, moesten de criminelen natuurlijk eveneens gebrandmerkt worden met een rode muts op de wang.
Het voornaamste deel van de les bestaat uit een lange film die tientallen “duimnemingsoperaties” (hoe de duimen afgehakt worden) toont. De volwaardige burgers vermoorden soms bijna achteloos de “kwadra’s” (de bewoners van de kwadranten), zeker bij het minste idee van bedreiging en soms wordt er zelfs mee gepocht als iemand er twee of drie in één klap van kant maakt. Een ´verfijnde´ morele vraagstelling luidt: “Zou je iemand vergassen als het niet nodig was? Als je er gewoon zin in had?”
De goede burgers worden overal en regelmatig aangemaand “de belijdenis” mee te zingen, waarvan de laatste regels luiden: ”Het gas dat vloeit, er bloeit een wolk. Het legt ze om, dat lage volk.”

Samen met hun alcoholische leraar gaan Lois, Lethe en Gerard naar een dierentuin waar er in kooien arenden, haviken, gieren, uilen en valken te zien zijn - allemaal opgezette roofdieren, buiten dan één enkele haas die bezig is zijn laatste adem uit te blazen. Alle dierlijk leven is trouwens uitgestorven! Mandred zelf pocht dat hij ooit een levende uil gezien heeft toen hij zo oud was als zijn leerlingen nu, maar nu is er zelfs niet één enkel vogeltje over dat zingt….

De kinderen raken van elkaar gescheiden, wat aanleiding zal geven tot het drama van “het duikersspel”.
In het tweede hoofdstuk maken we kennis met kinderen van het eerste of tweede kwartier, Gall Roads en Row House, “afschuwelijke achterbuurten”. 

Daar is het “Ogiasdag”, een feestdag. Tijdens een raadselachtig ritueel wordt een jong meisje (“Lessen”) de “infanta” van het festival. Ze wordt gekleed in een kleed van appelrode brocade, ze krijgt een leger van “schoorsteenvegers” (mannen met veegborstels) tot haar beschikking. Ze wordt er tijdens de repetitiedag verschillende keren aan herinnerd dat ze moet oppassen wat ze zegt, de volgende dag, want iedereen zal haar gehoorzamen en letterlijk uitvoeren wat ze beveelt. Vermits ze te jong is om te kunnen oordelen over de ernst van haar daden, is dit zeer bedreigend. Ze begint dan ook meteen te fantaseren over wat ze gaat doen. Om die dreiging nog te accentueren, wordt er gesuggereerd dat ze iets verkeerds kan doen waardoor ofwel haar tweeling-pop of zijzelf aan stukken zal gereten worden door de menigte (zonder dat ooit aan de lezer duidelijk gemaakt wordt waarom, hoe of waardoor die keuze bepaald wordt).

In het derde en kortste hoofdstuk komen we te weten dat de vrouw van Mandred zich vergast heeft. Ze heeft - voor de eerste keer - een Kwadra instinctief gedood met het gele gas omdat het even leek alsof die haar bedreigde. Toen kwam toch haar oermenselijke natuur naar boven. Ze voelde dat ook kwadra’s mensen waren en dat ze dus iemand vermoord had. Daar kon ze niet mee leven en dus pleegde ze zelfmoord. Toen Manfred haar vond, ”kon hij niet anders dan aan de drank gaan”.
Dit fictieve verhaal heeft genoeg aanknopingspunten om er onze maatschappij, van vroeger en nu, in te herkennen, zeker wat betreft de behandeling van migranten, antisemitisme, geslachtsongelijkheid en slavernij. Het is duidelijk dat de auteur ons moreel wil shockeren en confronteren door ons zicht te geven op dat waarmee we bezig zijn… Viktor De Raeymaeker
Dit is sterk, lyrisch proza, spannend, vreemd, poëtisch. De ochtendmassa van mensen op weg naar hun werk: “De meute had de ingang drie tellen geleden gepasseerd. Ze kon hem daar bijna voelen, die woeste meute van armen en benen, van duwen en nabijheid.”

Dit is een vreemd, wreed boek dat niettemin spannend is en fascineert. Dit komt vooral doordat de schrijver meesterlijk overal angst, onzekerheid en spanning weet in te bouwen en die laat toenemen. Hij plant regelmatig hints in die pas bladzijden later uitgelegd worden of soms helemaal niet. Zo moet je lang wachten om te weten te komen waarin het duikersspel bestaat en je weet wel dat Lessen zich kinderlijk enthousiast op haar rol gooit van” infanta”, maar je komt niet te weten of ze het er levend van af brengt of niet. Dat zou in een andere roman normaal heel vervelend zijn, maar het stoort in dit boek niet; het past gewoon in de grilligheid van deze onmogelijke allegorie.
Alles wat gebeurt en gezien wordt, wordt verteld vanuit de ervaring van opgroeiende kinderen en gezien door hun ogen. Door die truc krijg je alles opgediend met korte zinnetjes, in een eenvoudige, ongekunstelde, directe taal die weinig omfloerst enkel zegt wat moet gezegd worden, “as a matter of fact”, naakt en bloot, zonder dat de schrijver kan beschuldigd worden van het opzettelijk aanspreken van een zucht naar platte wreedheid. Hij is immers gedekt door kinderlijke onschuld. Het is dus ook normaal dat er ook veel ongezegd blijft en de lezer veel moet raden en invullen, want kinderen drukken zich ook meestal onvolledig uit. Hierdoor is het ook aanvaardbaar dat Bal nergens uitleg geeft, zodat hij het gevaar kan ontlopen zijn sterk, volgehouden gecondenseerd (en toch lyrisch) proza te verminken.

Nog een tegengewicht voor het gebruik van gemakkelijke sensaties, is zijn taalgebruik die zowel beheerst als literair en poëtisch is en zó gedoseerd dat er op gepaste ogenblikken eilandjes van schoonheid en rust ingelast worden waar de lezer even kan verpozen.

Kortom: een roman die beklijft en blijft nadeinen door de sterk literaire kwaliteit, het ongewoon fantasierijke  van een allegorisch soort sciencefiction. Vooral omdat Bal doorheen metaforen en een netwerk van symbolen een teken aan de wand brengt, een voorafspiegeling van wat zou kunnen gebeuren met de wereld en de mensheid als die blijft verdergaan op de ingeslagen weg van afbrokkelende moraal, blind fanatisme, gespletenheid en egoïstisch individualisme.
Jesse Ball
V De Raeymaeker
fictie
-
_V De Raeymaeker -
Meer van V De Raeymaeker

_Van zelfde auteur

_Nieuwste recensies

Bekijk alle nieuwe recensies