Trui Missinne en Christine Franckx
Benny Madalijns
Non-fictie
  • 414 keer bekeken
  • minuten leestijd
  • Reacties

Waardering boekreview

30 maart 2021 Eros op de scène. Psychoanalytische en artistieke beschouwingen
Slechts enkele artiesten, schrijvers of wetenschappers ontsnappen aan de koude douche van de normalisatie, aan het braaf inschuiven in de goede orde, aan het laten verglijden van die magische tijd toen alles nog mogelijk leek. De hoop bewaren dat alles kan in vraag gesteld worden, dat alles op zijn kop kan gezet worden, dat alle plannen mogen, betekent een aanfluiting van de wetten die de menselijke relaties regelen. Het is in die zin dat elke kunstuiting, elke vernieuwende gedachte grensoverschrijdend is.” (p. 145) - McDougall, J. (1978). ´Playdoyer pour une certaine anormalité´. (Ed Gallimard. Vertaling citaat Christien Franckx)McDougall, J. (1978). Playdoyer pour une certaine anormalité. (Ed Gallimard. Vertaling citaat Christien Franckx)
Ik hou onvoorwaardelijk van dit soort gespierde en buiten de lijntjes kleurende logica ver voorbij de zoutloze taal van vrijdag-visdag. Absolute taal als statement. Om af te rekenen met het gros van het plenum nieuwerwetse cultuurboekhouders.
En omdat er een duidelijk element van loslaten in zit, ben ik me na het lezen van deze deugddoende passage meer dan bewust van de zwakte van mijn eigen bewoordingen en weet het nu wel zeker: dit is een van de boeken die ik rond mijn achttiende zocht en niet vond, gewoon omdat ze toen nog niet bestonden. Boeken die je (zo nu en) dan nodig hebt als ultieme ontsnappingspoging naar de magische wereld van het stillaan vloeibaar wordende leven, waar niets is wat het lijkt.

Wanneer ik deze nota’s nog eens doornam, herlas ik tussen de regels wat ik al een tijdje vreesde: psychoanalyse wordt ongetwijfeld nog steeds al te stiefmoederlijk benaderd. Zeker door dat soort dames en heren van stand die een andere tijd uitademen.

Hopelijk is er met het infernale duo Missine & Franckx een nieuwe generatie “levensdriftigen” opgestaan. Die vandaag alsnog schoon schip proberen maken met wat cultuurbeknibbelaars overdag doen: de kunsten (en de andere dingen die er echt toedoen) niet langer afrasteren in een oudbakken leugen.
Hun boek gaat aan de hand van bijdragen van meerdere psychoanalysten na hoe de psychoanalyse vandaag naar eros kijkt. Het stelt via gevalbeschrijvingen, histories & situaties de vraag hoe mensen tijdens de psychoanalyse ertoe gebracht kunnen worden om “eros op de scène te brengen”. Mijns inziens best te vertalen als: hoe spreek ik vrank & vrij over het vaak onuitsprekelijke van mijn psychoseksuele drijfveren. En daarenboven, hoe spreek ik erover “niet al te klassiek wat vooropgestelde regels betreft”.

De verhalen vegen graag én goed de vloer aan met de krakkemikkige braafheid waarbinnen nogal wat moraalridders van de moderne tijden zich zonder meer proberen recht te houden. Met of zonder pamflet, megafoon, toeters of modische bellen. Over de hele lijn antidogmatische schetsen van het echte- en het paralelle leven dat zich niet wil en laat opsluiten in een strak theoretisch keurslijf.

De uitgave verscheen als 29ste deel in de reeks Psychoanalytisch Actueel. Met bijdragen van Lut De Rijdt, Blandine Faoro-Kreit, Christine Franckx, Marc Hebbrecht, Françoise Labbé, Arlette Lecoq, Trui Missinne en Rudi Vermote. Centraal in alle bijdragen staat de Nieuw-Zeelandse psychoanalyste Joyce McDougall (1920-2011), die in Londen bij Melanie Klein studeerde en later in Parijs colleges volgde bij Jacques Lacan, zonder zich overigens ooit tot een van de rivaliserende psychoanalytische scholen te “bekeren”.

McDougall hecht bijzonder veel belang aan de zogenaamde innerlijke scene of het daarbij aanleunende intieme theater van de analyticus, die open en vrij van vooringenomenheid moet zijn om de patiënt in psychoanalyse tegemoet te kunnen treden.
Missine & Franckx geven resoluut een glorieuze aanzet om het wild woekerende gezwel te stoppen dat “de macht van de vanzelfsprekendheid” heet. Ze nemen het heft van “het sowieso onvoorspelbare” liever in eigen handen. En laten de honderdkoppige draak van de (vervangende) schaamte bijgevolg graag sudderen in al het lekkers dat de psychoanalyse hen te bieden heeft: “la grande bouffe & le feu artifice”. AKA de dualiteit en het lijden, de eenzaamheid en de angst die hand in hand opstappen met de liefde en de schoonheid:


And as imagination bodies forth

The form of things unknown, the poet’s pen

Turns them to shapes, and gives to airy nothing

A local habitation and a name.

 

William Shakespeare, 1595/1596,
A Midsummer’s Night Dream (p. 9)
_Deel 1: De duizend en een gezichten van Eros
“Elke psyche is in haar unieke complexiteit een meesterwerk”.
Joyce McDougall
 

Eros is hier niet alleen de mythologische figuur die de allesomvattende liefde personifieert, maar ook de oerkracht die het universum in blinde passie samenhoudt. Een voorbeeld.

Psychiater en emeritus hoogleraar Rudi Vermote schrijft in zijn bijdrage Over liefde over drie soorten liefde: de romantische, de langdurige en de mystieke liefde. (pp. 51-65) Terwijl de romantische liefde als het ware blind en onverwacht iemand treft, is de langdurige liefde eerder een geïnstitutionaliseerde vorm. In de langdurige liefde zou er een evenwicht zijn tussen de verschillende driften, en wordt voorspelbaarheid belangrijk.

Geliefden sluiten het “vreemde” gaandeweg steeds meer uit, met als gevolg de libodo-dodende voorspelbaarheid van de ander, terwijl liefde eigenlijk “het vreemde” nodig heeft.

Mystieke liefde draait dan weer rond het onzegbare en de overgave: (…) Alle mystieke geschriften hebben het over het onvoorspelbare, het niet-gerepresenteerde en niet-representeerbare. Een Japanse meester zei: “mijn leer is zonder woorden”, en Meester Eckhart wist: “als je over God kan spreken, dan is het God niet.”(p. 59) (1)

Het ondermaanse een tranendal? Ach, in de liefde manifesteert zich het wonder van de onkenbare complexiteit van onze soort én van het leven tout court. Zelfs Freud beweerde dat hij het onderwerp liever aan de dichters overliet. Met dank aan hun respectievelijke moeders natuurlijk:
(…) Haar oog is licht, ontsnapt aan de drift

Der jaren door mij aan te zien en mij

Haar blijde zoon te noemen.


(…) Samen, ben ik niet, ben ik niet dan in uw aarde.

In mij vergaat uw leven wentelend, gij keert

Niet naar mij terug, van u herstel ik niet.

 
Hugo Claus, fragmenten uit: De Moeder (p. 23)
Feit is dat de psychoanalyse bij uitstek een theorie is die de illusie van innerlijke coherentie en van een netjes afgebakende (seksuele) identiteit doorprikt. Vanuit haar jarenlange ervaring met kinderen en kunstenaars ontwikkelde McDougall de notie neosexualiteit waarin perverse constructies als artistieke, singuliere creaties opgevoerd worden, en niet als perverse pathologie. Neosexualiteiten kunnen soms verslavende, wanhopige pogingen van het kind zijn om zichzelf te genezen, zoals het erotisch bezweren van een angst om te vallen.

In tijden van gender, transgender en belangstelling voor het lichaam waagt Trui Missine zich in haar bijdrage aan het centrale concept “psychische bisexualiteit” en laat er vragen en beelden de revue passeren die tasten naar de (on)mogelijkheden om zich te identificeren met de primair mannelijke en vrouwelijke complexiteit om te kunnen gebruik maken van de creativiteit van de bisexualiteit. Als voorbeeld roept ze het vooralsnog aan Marcel Duchamp (1887-1968) toegeschreven wandurinoir Fountain op. (2)  

Is het een ordinair, aanstootgevend pissijn? Of ontving het door de zachte kanteling een vrouwelijke, erotische, seksuele vorm? Of metamorfoseerde het tot een klassieke madonna? Of nog, tot een wieg? Biseksueel symbool? (3)
_Deel 2: Psychoanalyse en kunst
“This is where art and psychoanalysis have their deepest affinity – in choosing to stay rather than abandon the darkness…”
Josh Cohen

In het tweede deel gaan de auteurs in dialoog met kunstenaars over de vraag Hoe zij erop op de scène brengen. Voor theatermaker Alain Platel is het feit dat mensen moeten sterven een nauwelijks te verwerken gegeven, dat zijn oeuvre steeds weer heeft bepaald, ondanks de levensdrift die ook een grote rol speelt. En kunstenares Berlinde De Bruyckere bekent zonder al te veel gêne dat het haar enorm veel moeite heeft gekost om zichzelf bloot te geven in de eerder sensueel-erotische componenten van haar werk.

Missine & Vermote schreven een bijdrage over haar die ik met veel plezier las. Voor mij is deze tekst op twee punten bijzonder. Ten eerste omdat mijn belangstelling voor het werk van Berlinde De Bruyckere teruggaat naar haar eerste grote solotentoonstelling in het Middelheimmuseum (1995): Onschuld kan een hel zijn, maar ook persoonlijk, omdat haar werk ‘Kreupelhout – Cripplewood`, de indrukwekkende installatie die De Bruyckere in 2012 en 2013 maakte voor de Belgische vertegenwoordiging op de Biënnale van Venetië, me destijds totaal omver blies.

De Gentse kunstenares bezit immers de gave dat soort beelden te maken die bij de keel grijpen en niet meer (nooit meer) loslaten: “Beelden over vergankelijkheid en verval, afscheid en verlies, lijden en dood, maar ook over schoonheid, troost en mededogen, over herstel en nieuw leven, over sensualiteit en erotiek.” (p. 149)
In een brief aan de kunstenares schreef Philippe Van Cauteren, directeur van het SMAK in Gent, over 'Kreupelhout - Cripplewood': “Maar ondanks de apocalyptische dreiging ademt het monumentale beeld de kwetsbaarheid van de gevallene, de menselijkheid van een piëta. Kreupelhout heeft een ondraaglijke, donkere schoonheid, een erotische, dreigende geladenheid.” (p. 153) Alsof er zich iets denkends, iets voelends in de holten van de sculptuur heeft verstopt, iets dat klaar is om “te gebeuren”. Iets dat je zinnen en woorden wil influisteren. Missinne & Vermote leggen haar daarop een citaat van Michael Borremans uit een aflevering van Goudvis voor (VRT, Aflevering 6, Seizoen 1 - 2009). Daarin spreekt hij over een verslaving aan wachten tot ‘het’ gebeurt.

“Meestal gebeurt er niets. Maar op een gegeven moment breng ik iets tot stand dat mezelf verwondert. Dan denk ik: wat is er gebeurd? Maar het is gebeurd! Ik heb dan niet meer de indruk: Ik heb dat gemaakt. Een werk is pas goed als het me raakt en als het snijdt. A cut in the eye! (p. 153) (4)   

De Bruyckere bekent vervolgens onomwonden dat ze “iets heeft” met abjecte materialen, met bloed, met ingewanden, met de vreemde, afgrijselijke en tezelfdertijd méér dan vitale binnenwerelden. Dat soort werelden waar we liever niet naar kijken: “In mijn dekensculpturen zitten veel gaten en spleten, veel holtes en open wonden. En achter die dekens hangt veel dubbelzinnigheid en veel geheimen. Een deken is dan ook het meest intieme object dat je in huis aantreft.”(p. 156) En natuurlijk heeft ze ook iets met morbide plekken. Neem nu de oude huidenwerkplaats in Anderlecht: “Die mannen met die enorme laarzen en die grote handschoenen, zout strooiend met die immense schoppen. Ik zag ook daar weer Eros; ik zag dat zaad lozen op dat vel, de boer die zaait op zijn akker, die leven brengt. Zout om te conserveren, zout om niet te laten rotten. De schoonheid daarvan. Ook al is het daar een vuile, vieze, gruwelijke plek met modder, bloed, zout, stinkende walmen. Het beeld van de mannen die die huid in één beweging openslaan op een metalen kolom, voor mij was dat ook een enorme vagina, het keren van de huid.” (p. 157)
En even zijn er geen woorden meer, het hedendaagse leven is zijn alledaagsheid ontstegen. En wij stervelingen worden weggeblazen, meegesleurd in een andere wereld. Waarin we ons belachelijk klein voelen tegenover zoiets groots, zoiets overweldigends als deze nieuw geboren evenbeelden van Eros en Thanatos.

Tot slot laat ik graag de auteur die de aanleiding was voor de redactie van dit boekje nog één keer aan het woord. Haar niet-dogmatische benadering van allerhande seksuele constructies is dan ook bijzonder verfrissend. Zo ziet ze de hier eerder geciteerde ‘neoseksualiteiten’ niet zozeer als ‘perversies’, omdat dit te stigmatiserend klinkt, maar als gangbare overlevingsstrategieën die je als jong kind bij wijze van spreken inzet om niet ten onder te gaan aan de tsunami aan boodschappen over identiteit en seksualiteit. (p. 77)

McDougall toont hier naar mijn aanvoelen trouwens overtuigend aan hoezeer “mensen” kunnen lijden onder de doorwerking van dat soort eigen infantiele psychische constructies. (…) Een al te ernstige analysant lijdt in periodes dat haar man op zakenreis is, onder onbeschrijfelijke nachtelijke angsten belaagd te zullen worden door een inbreker. Op een bepaald moment besluit ze haar een grap te vertellen over een vrouw die droomt dat een knappe man met een vreemd licht in zijn ogen, haar bed bedandert. De vrouw schreeuwt: “Wat ben je van plan met mij te doen?”, waarop de man in de droom antwoordt: “Ik weet niet wet er nu zal gebeuren. Het is jouw droom!” (5) (p. 71)
Kom alvast een stukje dichterbij en leg ook jouw hoofd op de schouders van één van de in het boek gepresenteerde creërende reuzen, want “De taak van een kunstenaar bestaat erin zijn limieten constant op te schuiven. Het is zijn plicht zichzelf op te offeren om in staat te zijn een beeld te vinden dat hij nog niet kende maar moet leren kennen op het moment dat hij het aan het maken is, een beeld dat een breuk vormt met het voorafgaande… het is een wachten tot het lichaam één grote zenuw is, ontvankelijk, wanneer de twijfel en de angst op hun maximum staan… Wanneer is een werk af? Nooit… ik stop met het aan te raken als het werk naar mij kijkt en mij opzuigt in haar mysterie.” (p. 162) (6)   

Beter nog wat wachten dus? Of toch niet?


Zullen we wachten? Zullen we wachten

tot de kinderen groot zijn en de aardbeien

rood, ze zijn te bleek nog, te klein, te hard.

Zullen we wachten tot de avond valt

En de nacht waarover wij nog een keer

willen slapen

 
Maud Vanhauwaert, fragmenten uit: Wij zijn evenwijdig (p. 168)
_Noten
1. Eckhart von Hochheim, bekend als Meester Eckhart, was een belangrijk laat-middeleeuws scholastisch theoloog en filosoof die behoorde tot de orde der Dominicanen. Vaak aangeduid als mysticus.  

2. Duchamps roemruchte urinoir zou niet door hemzelf zijn bedacht, maar door een Duitse kunstenares, Elsa von Freytag-Loringhoven (1874-1927). En dus zou zij volgens haar pleitbezorgers de ‘oermoeder’ van de moderne kunst zijn, en niet meneer Duchamp.

3. (…) Het prozaïsche ligt voor de hand, wat is er banaler en meer utilitair dan een urinoir? Bovendien was het oorspronkelijke exemplaar – waarvan inmiddels meerdere nagemaakte versies bestaan – gewoon een standaardmodel, zoals dat in talloze toiletten voorkwam. Duchamp zou het zelf gekocht hebben, maar dat is misschien een legende. Geen legende is dat Duchamp het urinoir niet vereeuwigd heeft zoals het aan een muur hangt, maar gekanteld, als het ware plat­gelegd. En daar begint de poëzie. In de kanteling. Voor wie het wil en kan zien, spreekt het vanzelf: het pissijn heeft nu manifest een vrouwelijke vorm. Niet alleen duidelijk erotisch en zelfs seksueel, maar bijvoorbeeld ook die van een klassiek verbeelde madonna. Mogelijk valt er zelfs een wieg in te zien Dewulf, B. (20 september 2018). De poëzie van het pissijn. De Standaard.

4. In het VRT programma Goudvis volgt de camera Belgische topkunstenaars een jaar lang: op het podium, in hun atelier, maar ook thuis, achter de coulissen van hun ‘publieke’ leven.

5. McDougall, J. (1995). The many faces of Eros. A psychoanalytic exploration of human sexuality. New York: Norton & Company.

6.  Met Kamikaze bracht de Hamburger Kunsthalle onder leiding van curator Brigitte Kölle in 2019 een omvangrijke retro-spectieve tentoonstelling van de Belgische kunstenaar Philippe Vandenberg (1952-2009), wiens radicale werk steeds meer internationale erkenning krijgt. Philippe Vandenberg creëerde een divers oeuvre dat zijn Zeitgeist reflecteert en een antwoord probeert te bieden op fundamentele vragen. De titel Kamikaze verwijst naar de werkmethode van de kunstenaar: de vernietiging van voorafgaande werken en vastgeroeste denkbeelden opende voor hem de weg tot creatie.
Trui Missinne en Christine Franckx
Benny Madalijns
Non-fictie
Madalijns is van opleiding Leraar Beeldende Kunsten en doctor in de Archeologie & Kunstwetenschappen. Hij is schrijver van amper te publiceren verhalen over denken & doen, zoals het boek 'Ondanks alles / Malgré tout' (ASP). En schilder & collagist van zo maar wat bedenkingen van geest & gemoed. Hij is ondervoorzitter bestuursorgaan Instelling Morele Dienstverlening Vlaams-Brabant. (Foto: Jean Cosyn - VUB)
_Benny Madalijns -
Meer van Benny Madalijns

_Van zelfde auteur

_Nieuwste recensies

Bekijk alle nieuwe recensies