Ruud Hisgen en Adriaan van der Weel
Benny Madalijns
Non-fictie
  • 802 keer bekeken
  • minuten leestijd
  • Reacties

Waardering

22 november 2022 De lezende mens. De betekenis van het boek voor ons bestaan.
Er is altijd wel een goede reden om iets van International Booker Prize 2022 winnaar Marieke Lucas Rijneveld te citeren, maar ‘Ode aan de geschriftsmatrozen’ lijkt wel gemaakt om dit boek mee te beginnen, want het drukt op markante wijze de hoofdgedachte (het motto) van het boek uit…
Nooit het verdwalen voor lief genomen, het tussen kaft en kaft geborgen voelen, zelfs als de wereld gesloten, als we haperen in onze vrijheden, als onze ogen vermoeid en verduisterd de kooi weer opzoeken, jullie zijn er met leeslicht en schipvlucht, jullie zijn de geschriftmatrozen. […] Nooit het verdwalen voor lief genomen, het gestruin en gejutter tussen aangespoelde verhalen, het gejakker van pagina naar pagina, de nooddruft achter alles wat we zoeken en willen vinden, jullie kijken de hele dag naar ruggen, maar geen rug is ongekend, geen geschrift of lezer is ongeliefd (pagina 9).
1.
Leeswetenschappers Ruud Hisgen (schrijver en docent) en Adriaan van der Weel (boekhistoricus) doen in ‘De lezende mens. De betekenis van het boek voor ons bestaan’, dat op 17 februari 2022 verscheen bij Uitgeverij Atlas Contact, hun zoektocht naar de onderliggende betekenis van het lezen voor ons welzijn en onze democratische maatschappij uit de doeken. Ze schreven maar liefst vijf jaar aan ‘hun boek over boeken’. Het schildert nauwgezet de relatief korte geschiedenis van het lezen en de ingrijpende veranderingen die deze bezigheid bracht voor individu en samenleving. Van kleitablet tot e-book, zeg maar.
De auteurs willen met name uitgebreid stilstaan bij hoe lezen structureel ingebed raakte in onze maatschappij, en welke toekomst lezen kan vervullen anno 2022. ‘In dit boek zijn we er zeker niet op uit om een sombere toekomst te voorspellen,’ klinkt het in de inleiding. ‘Wel denken we dat de samenleving veel te onverschillig blijft onder de digitale veranderingen’ (pp. 9 – 17). En in de leeswijzer bekennen de auteurs al snel kleur: ze zullen het niet hebben over laaggeletterdheid, dyslexie en analfabetisme, en ook niet over het belang van verhalen en het lezen van literatuur. De gekozen focus van hun schrijfsel ligt op ‘het enorme belang van lezen voor onze cultuur en voor ons denken, wat de digitale ontwikkelingen betekenen voor ons leesgedrag, de gevolgen daarvan voor ons denken en hoe we daar mee moeten omgaan’ (pp. 18 – 20).
2.
Een meer dan wetenswaardige boodschap is de constatering dat er voorwaar drie ‘rode draden’ doorheen de geschiedenis van ‘ons gebruik van tekst’ lijken te lopen. De eerste beschrijft hoe we dankzij de overvloed aan technologische mogelijkheden elk jaar opnieuw meer tekst produceren. En hoe meer tekst er komt, hoe meer we lezen. (…) We zijn met z’n allen zelf auteur geworden en elke rem op wat en hoeveel we publiek willen maken, ontbreekt. De uitgevers en redacteuren die ooit als filter dienden, hebben we buitenspel gezet. Eigenhandig plaatsen we wat we maar willen in de digitale uitstalkast van het wereldwijde web. (…) De tweede hekelt de gaandeweg afnemende duurzaamheid van de middelen die we gebruiken om onze teksten te bewaren. Van steen en klei zesduizend jaar geleden via vellum en papier in de Middeleeuwen naar de virtualiteit van digitale schermen van onze eigen tijd neemt de verwachte levensduur van tekstdragers stelselmatig af. (…) En de derde duidt aan dat de gemiddelde levensverwachting van de inhoud van tekst steeds korter wordt. Als gevolg daarvan hebben we ook steeds minder verwachtingen over de eeuwigheidswaarde van alles wat we opschrijven (pagina 12).
Ook Hisgens analyse van ‘de ontlezing’ is proefhoudend. De onderzoeker komt tot de slotsom dat het laten lezen van fictieboeken door kinderen niet de meest volmaakte oplossing voor wat hij ‘de ontlezing’ pleegt te noemen. Hierdoor doen kinderen wel leeservaring op, maar om bijvoorbeeld een ingewikkelde brief van de overheid te kunnen lezen is meer nodig. ‘Lezen is niet alleen literatuur, maar alles wat tekst is’, schrijft hij. Als kinderen daadwerkelijk goed moeten leren lezen, moet er in het onderwijs aandacht zijn voor 'diep lezen', zoals hij dat omschrijft. Er zijn drie vormen van lezen: bladerend lezen (iets opzoeken in een encyclopedie), onderdompelend lezen (dat je bijvoorbeeld een thriller leest en niet meer wil stoppen met lezen) en diep lezen (dat je leest en regelmatig bij de tekst stilstaan en denkt: klopt het eigenlijk wel?). Alledrie belangrijk, schrijft hij, maar vooral die laatste is belangrijk om kinderen klaar te stomen in de maatschappij. ‘Want met diep lezen train je je denkkracht, het is de poort tot aandachtig denken, maar op de meeste scholen komt diep lezen niet aan bod want het wordt niet als noodzakelijk gezien’, aldus de onderzoeker (Diep lezen is diep denken, pp. 139 – 176).
Zoals beloofd, voorspellen de auteurs geen doemscenario, maar waarschuwen ze wel dat hyperlezen (verkennend, zoekend en oppervlakkig lezen) vandaag de dag overduidelijk de overhand haalt op het diepe lezen. Nochtans hebben we dit ‘diep lezen’ broodnodig – zelfs bij het lezen van tweets of berichten op je smartphone. Er is dus niet zozeer een massale ontlezing aan de gang – zo toont een PISA-onderzoek van 2018 ook aan dat Belgische jongeren digitale veellezers zijn – maar we dreigen eerder het oppervlakkig lezen als onze standaard leesmodus te nemen. De meest kernachtige oplossing van de auteurs op deze uitdaging kan je nalezen op pagina 239: ‘De beste voorspeller van een goede schermgeletterdheid blijkt de traditionele papieren geletterdheid te zijn. Met diep lezen van boeken draaien we dus de digitale wereld niet de rug toe. Integendeel. De oplossing is daarom niet zo heel moeilijk. […] Als we die drie fundamenteel heel verschillende manieren van lezen (diep, scannend en geabsorbeerd) die we eerder hebben geïdentificeerd dus werkelijk willen blijven gebruiken, zullen we het diepe lezen heel bewust moeten oefenen. De andere twee redden zichzelf wel’ (De leescrisis, pp. 215 – 240).
3.
Afijn. Als ik terugdenk aan de blijmoedigste momenten van mijn leven, dan hebben ze niet zelden te maken met vrienden, met op stap gaan, reizen of boeken. Ik denk met graagte terug aan de uren, dagen en weken die ik als jongeling doorbracht in mijn kamer met enkel muziek en een boek. Ik weet nog naar welke muziek ik luisterde, wat ik las, en welke gevoelens die muziek en die boeken bij me teweegbrachten. Welke vragen ze me stelden. Voornamelijk dat lezen maakte me gelukkig, en dat doet het nog steeds. Maar ruim 300 bladzijden om een weliswaar wijdlopende boodschap over te brengen is veel. Het had korter gekund. Ook het geduld van een gretig en ‘diep’ lezende mens kent zijn grenzen.
In zeven breed uitgesponnen hoofdstukken - Waarom is lezen zo belangrijk? - Hoe werkt lezen precies? - Een boekcultuur ontstaat - Diep denken is diep lezen - Van boekcultuur naar schermcultuur - De leescrisis - Lezen en laten lezen: een handreiking, grasduinen Ruud Hisgen en Adriaan van der Weel traag, bijzonder traag langs kleitablet, schriftrol, gedrukte pagina en beeldscherm. Ze geven naar mijn aanvoelen doorgaans boeiende analyses; zoals die van het zich hier en nu afspelende ‘vluchtiger lezen’ en de volledige ‘ontlezing’, maar die analyses dreigen zo nu en dan echter hopeloos te ontaarden in onvervalste bla bla, bla. Babbelproza om het babbelen. Alsof de auteurs net iets te hard slaan op een net iets te grote trom. En zodoende de trom én oren (ogen) willen stukmaken. En dat klinkt wreed. Dat kan en mag je een gedrukt boek niet aandoen. Want boeken, in hun stoffige analoge traagheid, bieden mij nog steeds een bijzonder warm gevoel. Dat doen ze al zo’n dikke zestig jaar met verve. En ik houd het dan ook graag zo.  Bij wijze van besluit echter nog een paar bedenkingen…
Dat je met lezen een sociale vaardigheid ontwikkelt lijkt vrij paradoxaal, want lezen doe je in je eentje. De wereld die de schrijver oproept, wordt door iedere lezer herschapen in zijn eigen beelden. Door te lezen leiden we niet alleen ons eigen leven maar ook levens van anderen – levens die we hadden kunnen leven.
Daar komt bij dat je als lezer al zo’n 250 tobberige bladzijden over ‘diep lezen’ achter de kiezen hebt vooraleer de samenstellers van het boek je trakteren op wat ronduit krenterige,  conventionele en oudbelegen tips om een betere en enthousiastere lezer te worden. De kans dat degenen voor wie adviezen als ‘Ga eens grasduinen in een bibliotheek’ en ‘Sluit je aan bij een lees- of boekenclub’ nuttig zijn De lezende mens daadwerkelijk zullen lezen, lijkt mij niet groot.
Dit boek ‘diep’ lezen vergt een grote inspanning want ook meest onbeduidende kiezeltje wordt zowaar opgetild, omgedraaid, gewikt én tot slot minutieus gewogen, terwijl de relevantie van nogal wat van die uitweidingen menigmaal zoek is. Toch vormen die uitvoerigheid en herkenbaarheid meteen ook de sterkte van deze bij vlagen wat moralistische ode aan het échte, aandachtige lezen. Want ze staan garant voor nuancering en tekenen derhalve geen eenzijdig doemscenario uit voor de toekomst van het lezen en veroordelen de nieuwe media ook niet tot dé absolute schuldige.

Benny Madalijns
Ruud Hisgen en Adriaan van der Weel
Benny Madalijns
Non-fictie
Madalijns is van opleiding Leraar Beeldende Kunsten en doctor in de Archeologie & Kunstwetenschappen. Hij is schrijver van amper te publiceren verhalen over denken & doen, zoals het boek 'Ondanks alles / Malgré tout' (ASP). En schilder & collagist van zo maar wat bedenkingen van geest & gemoed. (Foto: Jean Cosyn - VUB)
_Benny Madalijns -
Meer van Benny Madalijns

_Van zelfde auteur

_Nieuwste recensies

Bekijk alle nieuwe recensies