Ronald Commers
Benny Madalijns
Non-fictie
  • 234 keer bekeken
  • minuten leestijd
  • Reacties

Waardering

24 november 2022 Elisabeths vraag. Een wijsgerige rapsodie.
Ronald Commers (Antwerpen, 20 januari 1946) is emeritus-hoogleraar, moraalfilosoof, publicist en vrijdenker. Hij was werkzaam als gewoon hoogleraar aan de Universiteit Gent en was verbonden aan de Vrije Universiteit Brussel en aan het Limburgs Universitair Centrum. Hij is evenzeer een uit de spreekwoordelijke kast geklommen vrijmetselaar, actief binnen de Grootloge van België.
I
Eerst dit, bij wijze van inleiding: in 1643 ontmoette Rene Descartes in Den Haag de jonge prinses Elisabeth van de Palts. De erudiete dochter van de protestantse keurvorst Frederik V, die met zijn complete hofhouding na een nederlaag tegen de rooms-katholieke Duitse keizer in 1621 vanuit midden-Europa naar de Hollandse stad vluchtte en er asiel kreeg van Maurits van Oranje. De prinses - door haar moeder spottend 'de Griekse' genoemd vanwege haar belangstelling voor klassieke talen, wiskunde, flosofie en geschiedenis - maakte grote indruk op de filosoof met haar kritische reacties op zijn theorieën. Zij begonnen een sprankelende correspondentie die tot Descartes' dood zou worden voortgezet en werden vrienden voor het leven. Elisabeth blijkt alras een filosofische correspondente van formaat die in scherpzinnigheid niet onderdoet voor de vele geleerden in heel Europa waar Descartes epistolaire betrekkingen mee onderhoudt.
In de zes jaar die volgen op hun eerste brieven ontspon zich een correspondentie die behoort tot de meest interessante briefwisselingen in de moderne geschiedenis. Wie zich interesseert in de geschiedenis van de 17de eeuw zal in deze brieven veel van zijn gading vinden, maar de correspondentie tussen Elisabeth en Descartes is in de eerste plaats boeiend voor wie ‘filosofie in ontwikkeling’ wil zien. In de periode dat hij met Elizabeth correspondeerde werkte hij ondermeer aan de Principes van de filosofie, zijn voorlaatste boek dat in 1644 werd gepubliceerd. Hij droeg het dan ook resoluut op aan zijn enthousiaste lezeres en vriendin. De gedachte dat vrienden alles met elkaar delen, amicorum communia omnia, in het bijzonder intellectueel bezit, is door humanisten als Erasmus herhaaldelijk toegejuicht en hartstochtelijk verdedigd.
Speelden er ook romantische gevoelens tussen de twee intellectueel begaafde correspondenten? In elk geval vond Elisabeth het allerminst amusant dat de kloeke vijftiger René in de winter van 1648 naar het hof van koningin Christina van Zweden vertrok. Hij stierf er ijlings aan een longontsteking. Elizabeth zou uiteindelijk abdis worden in het Lutherse klooster van Herford, Nordrhein-Westfalen, waar ze in 1680 stierf.
Zij zal hem, voor zover bekend, 26 brieven schrijven. Zowat 4 brieven per jaar. En hij schrijft haar, voor zover bekend, 34 brieven. Het valt allemaal na te lezen in onder meer: René Descartes en Elizabeth van de Palts. Briefwisseling, met een inleiding van René Gude, vertaald en van een nawoord voorzien door Jeanne Holierhoek, Amsterdam, Wereldbibliotheek, 2000:32.
II
Ik sla het boek ‘Elisabeths vraag. Een wijsgerige rapsodie’ van Roland Commers open, ervaar de mokerslag van de eerste hoofdstuktitel, Protasis. De brieven over een onbekende, en lees de eerste zinnen: ‘Dit is het begin. Ooit moet men beginnen. Beginnen is niet gemakkelijk. Het doet geweld aan. De oogleden vallen toe. Slaap maakt weerloos. Men wil niet slapen. Men wil niet dromen. Men wil beginnen’. (pagina 7)
Deze zinnen alsook de zeventig bladzijden die erop volgen treffen me als een aanstormende trein. Ze lezen en er over nadenken gaat vergezeld met een buitengemeen vreemde gewaarwording, die me (mogelijk ongewild) doet terugdenken aan het oorspronkelijk beluisteren van De Rhapsody in Blue van George Gershwin, een van de meest iconische stukken voor orkest en piano uit de 20ste eeuw en ook een van de meest gespeelde. De gelijktijdigheid van een coctail van verschillende muziekstijlen. Het glissando van de (mede hierdoor) beroemde openingsmaat was aanvankelijk een grapje van een klarinettist tijdens de repetities voor de toenmalige première.
Superieur mooi is het allemaal niet, of, wat mij betreft is het eerder ‘anders’ mooi: het werkt gewoon. Niet op en top aangenaam, maar wel een markante ervaring, niet ontroerend maar eerder verontrustend. Zoals een anonieme klarinettist vandaag opnieuw de toon zou zetten met een verrassende herschepping van de toenmalige unieke voordracht van het 17 noten lange (jankende) glissando aan het begin van Gershwins rapsodie, zo lees ik Commers’ eerste hoofdstuk als een welomlijnd, maar desalnietemin onderling inwisselbaar compositum van spanningsopbouw, escalatie en rust. Een bruikbare tijdruimte die de ritmische (rondwentelende) opgang van de rapsodie niet aflatend escorteert.
Wie is de hoofpersoon en het lijdend voorwerp van de 9 brieven (ontboezemingen) die een evengoed onbepaalde brievenontvanger gretig leest en herleest? Wie is de zijn toekomst voor zich uit schuivende croniqueur en wie de uit het oog verloren (gewaande) schrijver? Als lezer wil ik hen ook wel eens in het echt ontmoeten. De 9 brieven hebben immers best indruk op me gemaakt. Er komt vast nog weleens een gelegenheid. Mogelijk met behulp van het theoretische model dat de Poetica van Aristoteles hem bood. Misschien via een van de volgende klassieke kapittels van de tragedie: intermezzo, epitasis, catastasis & peripetie?
In een filosofisch gesprek wil je graag meer vragen stellen dan antwoorden geven. Ik zou na het lezen met geen mogelijkheid kunnen zeggen wie er nu (wel of niet) de tijd wil terugdringen en/of de toekomst voor zich uit wil schuiven? Wie de tijd tegenwoordig maken wil? Wie in die tegenwoordige tijd alsnog tegen het woord in wil gaan? De brievenontvanger of zijn spiegelbeeld? En waarom is de voltooid toekomende tijd hem zo lief? Wat is de rode draad die doorheen de 9 kronieken loopt?
De brieven verwijzen letterlijk naar een (on)bepaalbaar gebied, waar een even (on)bepaalde sfeer van weemoed heerst. Een mistroostigheid vol van woorden die iemand dreigen los te scheuren van alles wat hij weet en wil. De regelmatige herhaling van een reeks arrangementen (bemiddelingsvoorstellen en compromissen) registreert op die manier, voor wie goed luistert, de polsslag van het innerlijke. De onbenoembare maat der dingen:

… Hoezeer maakt de samensteller van de schriften zich om zijnentwille een gewaagde en gefantaseerde voorstelling van de correspondentie! Niet alleen lapt hij de chronologie aan zijn laars – respecteert hij de dateringen niet en plaatst hij brieven in een willekeurige volgorde – maar hij schrijft aan de prinses en Descartes ook gevoelens en gedachten toe waarvoor geen enkel bewijs te vinden is in de bestaande bronnen. Maar om eerlijk te zijn, ook bij mij was wel eens twijfel gerezen over de keurige academische lezing van de prinses en de filosoof. ‘Stel dat er een deel van waarheid schuilt in de inbeeldingen van de samensteller van de schriften,’ zo vraag ik me af. (pagina 162)
Fictie en werkelijkheid zijn in het boek zo innig met elkaar verweven dat we bijwijlen heel dicht in de buurt van het magisch - realisme zijn gekomen. Het is niet altijd even makkelijk om de talloze verhaallijnen te ontwarren. De bijzondere structuur van het boek brengt met zich mee dat er geen sprake is van een chronologische volgorde, maar van gelaagdheid. Zo zijn er meerdere ontwerpen die eerst naast elkaar voorkomen, vervolgens geleidelijk naar elkaar toegroeien en daarop weer afstand nemen. Of was het net andersom? Commers stijl van schrijven is misschien nog best te vergelijken met een 'montage- en collagetechniek' waardoor verschillende lijnen en lagen van herinnering door elkaar heen lopen, geheel in de stijl van Marcel Prousts À la recherche du temps perdu...
III
De brieven van Descartes en Elisabeth vormen een bijzondere vindplaats voor filosofische discussies terwijl deze plaatsvinden. Uiteindelijk, daar ben ik van overtuigd, gaat het de gelauwerde emeritus-hoogleraar echter om iets anders. Via de brieven, via de reizen en zeker via de taal die hij in het boek hanteert, gaat het hem erom zichzelf te onderzoeken. Als mens onder de mensen moet hij nu eenmaal zo nu en dan de dalen en de hoogtepunten van het eigen leven in ogenschouw nemen en er zich aan verkwikken. De volheid van zijn schrijverschap is hem hierbij een veilige en getrouwe leidsman en gezel. Gewoon omdat er vandaag nog steeds een teveel aan verhalen in hem wonen; geschiedenissen die er dringend vandoor moeten. Denken en schrijven (als epitasis - via intrige naar climax - over ‘de schriften over een prinses’ bijvoorbeeld) als een manier om de wereld en zichzelf te leren begrijpen.
Commers wordt naar mijn aanvoelen tijdens het schrijven van dit soort ‘handelingsverknopingen’ voortgestuwd door een onafgebroken bespiegeling (terugkaatsing) over datzelfde schrijven. Zij is de kracht die zijn creatieve proces voortstuwt en op gang houdt, die bepaalt hoe de tekst er gaat uitzien en die maakt dat het materiaal (de bouwstenen, de taal) geschikt (gestructureerd) wordt in functie van de mogelijke betekenissen. Voor een vrijmetselaar als Commers is het specifieke verlangen naar transformatie (van gedaante veranderen, een beter mens worden) dan ook voortdurend aanwezig.
Als boeken die onstaan zijn uit een psychische bewogenheid bij de lezer een vergelijkbare sensitiviteit kunnen teweeg brengen is hun taak meer dan volbracht. Toch? Alhoewel. Hij vraagt zich wel eens af of hij alles wat hij moet willen ook waarachtig dient te willen. 

Zal hij het nog kunnen willen? Honderden boeken die moeten worden gelezen, maar waarvan men de inhoud weken later al is vergeten. De schrijver en de lezer denken daarbij ieder op zijn beurt terug aan de woorden van de dichter Paul van Ostaijen: “Ik wil mijn debacle geven. Ik wil naakt (bloot) zijn en beginnen.” (pagina 136)
Alsof de schrijver met Arthur Rimbaud wil zeggen: ‘Je est un autre’ (ik, dat is een ander). Alhoewel de in het boek optredende personages veelvuldig voor de spiegel staan, reflecteert hij niet hun beeld zoals het is. De spiegel die Commers zijn protagonisten voorhoudt reproduceert hun ‘ik’, zonder hen zelf te reproduceren. De spiegel, een soort binnen én buiten, zal opnieuw leeg zijn van zodra ze zich van hem verwijderen. Wat kennis is en hoe ze tot stand komt wordt dan ook herhaaldelijk, en vaak primair, onder woorden gebracht door spiegelmetaforen en in termen van licht en zien. Net zoals in Lewis Carrolls Through the Looking Glass en bij Jean Cocteaus Orphée.
En ook in de schilderkunst (waar de driedimensionale werkelijkheid verschijnt in een tweedimensioneel vlak) zie je dat soort ‘spiegel van de wereld – effecten’. Bij Edward Hopper zijn bepaalde ‘dingen’ veelal maar ten dele weergegeven. Waar komt bijvoorbeeld het licht vandaan dat de muur achter een personage verlicht? Wellicht dat het personage het kan zien, maar wij niet. Dit alles zorgt ervoor dat we een kleine hoeveelheid aanwijzingen krijgen en dat er tegelijkertijd ‘iets’ te gissen overblijft. Juist dat zorgt voor spanning. Spanning die in Commers’ boek nu eens veroorzaakt wordt door vaagheid en dan weer door een gelaagde en gefragmenteerde, maar steevast rake compositie. Door de plaatsing van concrete elementen ten opzichte van elkaar en door een deel van die elementen bewust buiten het (referentie) kader te plaatsen.
In de spiegel herkennen we immers wie we waren, wie we zijn, en het allerbelangrijkste, wie we nog (overnieuw) worden kunnen. Zo beseffen we dat zelfrealisatie (metamorfoseren) onmogelijk is zonder zelfherkenning. We beschrijven onszelf nog te vaak in termen van voorheen, niet van straks. We moeten bijgevolg leren mogelijk een bestemming te zijn, niet enkel er een te hebben. 

Vandaag zou men spreken van sublimatie. Maar de samensteller waagt zich nooit aan zo’n psychologiserende verklaringen. En eerlijk, wat wordt met die verklaringen echt opgehelderd? Hem is het genoeg op te merken dat het gelaat de spiegel vergaf, zoals een dichter het schrijft. De spiegel is Elisabeth. Het gelaat is de gemaskerde. (pagina 326)
Bovendien zou de spiegel de vrijmetselaar helpen om te zien wat hij anders nooit zou kunnen zien,   met name: het menselijk gelaat (een ongrijpbaar visueel beeld). De spiegel als middel tot introspectieve refelecties. Want wie staat voor de spiegel, staat voor de hoogste rechter. Een extreem moment van bezinning en van geestelijke inkeer, doorgaans voor de aanvang van ‘de reizen’.
IV
Grote delen van de gefragmenteerde verhalen uit het boek spelen zich af in een al dan niet onbestemd geografisch kader. In hun onrust en verwarring richten zij zich voortdurend op lichaam én geest. Op nu eens dit, dan weer dat. Voor vrijmetselaars als Commers nemen reizen immers een belangrijke plaats in. Al dan niet symbolische reizen. Reizen die erop gericht zijn het beste in de mens boven te halen. Iedere vrijmetselaar maakt die reizen. En iedere vrijmetselaar kan die reizen naar eigen inzicht, noodzaak of wens duiden. Alhoewel in uitvoering gelijk, door de standaardrituelen die de vrijmetselarij eigen zijn, is geen enkele reis dus identiek, terwijl ze wèl weer leiden tot dat ene doel, te weten méér mens worden en als zodanig gelijkelijk een bijdrage leveren aan een betere samenleving.
Nogal wat verhaalstroken spelen zich geheel of gedeeltelijk af in Hongarije, maar hoever je reist heeft niets met afstand te maken. Elke reiziger heeft zijn eigen bagage mee. Onderweg toont iedereen in vertrouwen de inhoud van zijn rugzak aan de medereizigers.
Tijdens zijn jaren van reizen droomde Descartes ervan zich volledig te wijden aan de wijsbegeerte. Wat hij dan ook deed tot zijn dood in 1650: een voorbeeld van vasthoudendheid op grond van doordachtheid. 

Descartes vat in 1621 zijn late jongelingenreizen aan waarbij hij hofhoudingen van prinsen en hertogen aandoet, maar ook met nieuwsgierigheid acht slaat op de bijzonderheden van de landen, de plaatselijke gewoonten en de mensen die hij ontmoet. Hij noemt dat zijn lectuur van “het grote boek van de wereld”. (…) In de gewoonten van de mensen observeert hij een even grote diversiteit als in dat wat geleerden schrijven. Op die manier daagt hij bij zichzelf de vooroordelen en vergissingen uit, waarvan hij zich tracht te bevrijden. Bevrijden, dat is de geest vrijmaken, zich openstellen voor het begin, voor nu in plaats van toen. Het tegenwoordige komaf doen maken met het imperfecte en het voltooide. (pagina’s 165-166)
Het boek is tevens een studie over in hoeverre tijdspatronen bepalend zijn voor het mens- en wereldbeeld binnen de narratologische modellen van de heersende verhaalcultuur. Waar bij René Descartes’ 17de eeuwse drie-dimensionaalstelsel zintuigelijke ervaring de basis vormde voor de constructie van ruimte, overbruggen de technologieën uit ons tijdscharnier ruim het cartesiaans concept van ruimte en gaan ze voorbij aan de ervaring van afstand. Het gaat hierbij veelal om parabels: teksten die een gedachte willen illustreren. Een mikmak van oude verhalen en nieuwe verhalen en dus moet je goed spitten om bij de essentie terecht te komen. Dat is naar mijn aanvoelen de crux van Commers’ gelaagdheid.
De hoofdstukken spelen zich namelijk allemaal af in de geest én in de buitenwereld. Nu eens los van mekaar dan weer innig verweven. Het mysterie van het bestaan van de wereld en van onszelf; de creatie van Inzicht en Licht uit Niets en Duisternis. Soms aan elkaar gelijmd, doorgaans aan elkaar gegoocheld, maar steevast als soepel in elkaar verweven en daardoor verbindende elementen (perspectieven) tussen toen, nu en straks. Als mogelijke antwoorden op het radicale wantrouwen dat de Franse filosoof in zijn dagen koesterde tegenover het verleden. Omdat wie zich met het oude inlaat nooit het nieuwe zal ontdekken.

Het zit zo. Ik ben uit hun tijd getreden. Ik ben zelf tijd geworden. Ik ben de tijd van de eeuwigheid waarin je alles ziet en hoort en voelt. Mij volstaat de werkelijkheid van mijn eeuwigheid die niets is. (pagina 348)
De voormalige en toekomstige lezers zoeken dan ook best troost in de feitelijkheid dat de geloofwaardigheid van dit soort kronieken besloten ligt in de talloze wenken en vingerwijzigingen, ook al kan een literair ideeënboek als dit kan best bestaan als het verschillende betekenisssen tegelijk heeft. Descartes, Elisabeth en Commers ‘kunnen’ begrepen worden, maar net zo goed ook niet. 

(…) Dat ik leef, is nooit gelijk aan: dat ik heb geleefd; het is ten hoogste: dat ik zal geleefd hebben, zonder te weten hoe.’ …Een man die zich buigt over de brieven van de prinses aan de filosoof heeft er een vermoeden van: het belang van het heden, van het hier en het nu, kunnen de correspondenten niet onmiddellijk erkennen. Als er een juiste weg is – ziekten vermeden, harstochten beheerst, disputen uit de weg gedaan, pijn en smart verdragen – dan kan dit slechts veel later blijken. Nadat het allemaal voorbijgaat. Nadat het zal zijn geweest. Futurum exactum. (pagina 300)
De voltooid toekomende tijd (de tijd die eeuwig stroomt, de tijd die niet van hier is noch van nu) en die de samenstellers (de toentertijdse en de hedendaagse schrijvers en denkers) zo dierbaar was in ‘hun spieden naar betekenis en zin’. (pagina 301)
V
Tot slot nog een even simpele als plausibele vraag: als het leven een reis is, wat neem je dan mee als bagage? Wel, doe mij maar een rugzakje met wat gereedschappen die het reizen faciliteren: wat kaarten, reisgidsen en woordenboeken, een Zwitsers zakmes, een kompas en zonder enige twijfel Commers’ nieuwste creatie; een veel omvattend boek, waarin de lotgevallen en tekortkomingen van een plejade aan ‘andere’ reizigers uit de doeken worden gedaan.
Ergo. Commers’ doorknede geschrijf maakte me bijwijlen één met mijn leesomgeving. Ik voelde bij gelegenheid een eigenaardige innerlijke rust en meermaals werd ik bevangen door schoonheid, vrijheid én verbondenheid. Tot ik allengs van mijn toverberg afkwam en het echte leven weer begon. En al gauw een hand naar mijn mond moest brengen. Een gebaar waar ik steevast mijn toevlucht toe neem wanneer de vertwijfeling weer eens toeslaat.
Nuja…
Ik ga huiswaarts. Ik zal er geen brievenbus openmaken. Ik zal geen brieven meer ontvangen. (…) Het zal straks donker worden. Zoals altijd, wanneer de avond valt, en de vogels in de bomen gaan slapen. Elders bewaart de dag het licht. Aurora, dochter van Sol Invictus, kent geen einde. Voor elke dag is zij het begin. Zij straalt in de vlakte. (pagina 374)

Benny Madalijns
Ronald Commers
Benny Madalijns
Non-fictie
Madalijns is van opleiding Leraar Beeldende Kunsten en doctor in de Archeologie & Kunstwetenschappen. Hij is schrijver van amper te publiceren verhalen over denken & doen, zoals het boek 'Ondanks alles / Malgré tout' (ASP). En schilder & collagist van zo maar wat bedenkingen van geest & gemoed. Hij is ondervoorzitter bestuursorgaan Instelling Morele Dienstverlening Vlaams-Brabant. (Foto: Jean Cosyn - VUB)
_Benny Madalijns -
Meer van Benny Madalijns

_Van zelfde auteur

_Nieuwste recensies

Bekijk alle nieuwe recensies