1 juni 2026
De au pair-paradox
Mijn blik viel deze ochtend op de plattegrond van New York aan de keukenmuur. Ik werd plots tien jaar terug in de tijd gekatapulteerd: de vochtige septemberlucht, gebouwen die de hemel leken aan te raken, een kakofonie aan ongeduldig getoeter en luide straatpredikers, de geur van gebraden vlees op straat, koffiebekers in haastige handen. En de nieuwsgierigheid. Ik was vierentwintig toen ik naar Amerika vertrok als au pair. Ik ben nu vierendertig. Ik was vroeg uit huis gegaan en het idee van een tweede gezin, een andere cultuur, iets kunnen betekenen voor kinderen en hun ouders, voelde als groots en genereus.
Na een uitgebreid screeningsproces vertrok ik met het gevoel dat ik wist waar ik aan begon. Hoewel het gezin oudere kinderen had dan waar ik mij oorspronkelijk op gericht had, boog ik dat voor mezelf om naar ‘dan kan ik een soort grote zus zijn’. Maar toen ik later aan een van de kinderen vroeg ‘hoe zien jullie mij eigenlijk?’ en ik het antwoord ‘iemand die mijn was doet’ kreeg, werd dat beeld snel doorgeprikt. De vuile was die overal behalve in de wasmand lag, ruimde ik iedere dag op, waarna ik de kleren ijverig op kleur sorteerde. Ik bracht uren in de kelder door, tussen de wasmachine en de strijkplank. Ik haalde de jongste tienertelg van school, hoewel die op wandelafstand lag. Als ik dan toch met de auto reed, moest ik meteen ook de vriendjes thuis afzetten. Enkele voorbeelden uit het takenpakket die op zich niet onredelijk zijn, maar zonder emotionele wederkerigheid voelt werk als dit aan als labeur.
De feministische zorgethiek legt precies de vinger op de zere plek: het verschil tussen zorg als relationele en wederkerige praktijk enerzijds, en zorg als werk met duidelijke taken en verwachtingen anderzijds. In een au pair-situatie is die relatie vaak ongelijk omdat de au pair afhankelijk is van het gastgezin voor woonst en inkomen. Wanneer een van de kinderen buiten mijn weten spontaan begon te koken, werd ik op het matje geroepen. Dit was mijn verantwoordelijkheid en niet de hunne. Pogingen om een echt gesprek met de gastmoeder te voeren, werd snel afgekapt door de vraag: ‘Moet je je trein niet halen?’ Bij binnenkomst en bij het slapengaan werd er amper gegroet. Vrienden van de kinderen riepen spontaan dan weer eens ‘hola?!’ naar me, als ik passeerde met de wasmand. Toen ik uiteindelijk aangaf dat ik me niet goed voelde in het gezin, reageerde de organisatie aanvankelijk begripvol. Er werd meegezocht naar oplossingen. Toen ik overwoog om ermee te stoppen, veranderde de toon plots. Alsof een abonnement werd stopgezet. Geen nazorg. Geen vragen. Er moest dan maar een nieuwe au pair komen. Ik noem haar hier Cat. De au pair aan wie ik het huis heb getoond alsof ik een ploegendienst overdroeg. Dit is de slaapkamer, de badkamer. Ik herinner me nog hoe verwarrend en dubbel dat voelde. Alsof ik tegelijk wilde vertrekken en haar wilde waarschuwen. Het onthult de paradox van het au pair-systeem: er wordt van je verwacht dat je de onvoorwaardelijke warmte van een gezinslid biedt, maar zodra het erop aankomt, gelden de kille wetten van de vrije markt.
Ik zag Cat later nog eens terug. Ze vertelde me dat zij niet zomaar alles slikte. De handdoeken werden niet telkens opnieuw gewassen na eenmalig gebruik. Ze was stelliger in wat ze wel en niet deed. Ik vond haar dapper. Ze had grenzen op een manier die ik toen nog niet had. En misschien is dat uiteindelijk wat ik het meest heb meegenomen uit die periode: inzichten en verscherpte waarden. In hoe gemakkelijk jonge vrouwen zichzelf aanpassen aan verwachtingen die nooit volledig uitgesproken worden. Moeten we niet durven te erkennen dat termen zoals ‘familie’ en ‘culturele uitwisseling’ hier misbruikt worden; als een handig schild om de verantwoordelijkheid te ontduiken en een fundamenteel ongelijke arbeidsrelatie te verbergen? Ik vraag me soms af wat er werkelijk wordt uitgewisseld in zulke programma’s. Ik kwam terug met een minder naïef wereldbeeld en meer zelfkennis. Van wat ik later nooit meer vanzelfsprekend wilde vinden. Met inzicht in het verschil tussen zorg en onderdanigheid. Ik hoop ook dat Cat onderweg iets heeft geleerd wat niets met New York te maken had. Zolang het au pair-systeem balanceert in de grijze zone tussen een warme familieband en goedkope arbeid, blijft het een constructie waarin kwetsbaarheid heel gemakkelijk wordt uitgebuit. De belofte van een ‘tweede familie’ blijkt in de praktijk te vaak een contractuele verplichting tot onvoorwaardelijke beschikbaarheid. Cat had destijds de moed om grenzen te stellen die ik nog moest leren ontdekken. Maar het zou niet van de dapperheid van individuele jonge vrouwen moeten afhangen of ze in zo’n systeem overeind blijven. En dus rest mij, tien jaar later, nog steeds die ene fundamentele vraag: kunnen we ooit spreken van cultuuruitwisseling en een tweede familie, zolang we de zorg voor onze kinderen uitbesteden aan een systeem dat draait op de emotionele afhankelijkheid en de goedkope beschikbaarheid van jonge vrouwen?