Dyane Til en Marloes Boere
Floris van den Berg
Non-fictie
  • 30 keer bekeken
  • minuten leestijd
  • Reacties

Waardering

14 januari 2026 Dier, natuur en mens. Milieufilosofie en dierethiek
Morele vooruitgang bestaat, het ligt hier voor me: het handboek dierethiek en milieufilosofie voor HAVO-scholieren. (HAVO staat voor Hoger Algemeen Voortgezet Onderwijs en is een vijf-jarige middelbare schoolopleiding die toegang geeft tot ofwel Voorbereidend Wetenschappelijk Onderwijs (VWO) ofwel het Hoger Beroepsonderwijs (HBO).
Filosoof A.C. Grayling beschrijft in Toward the light of liberty (2007) een cultuurgeschiedenis van morele vooruitgang. Hij schrijft over de afschaffing van slavernij, van marteling en de doodstraf, over vrouwenemancipatie, het homohuwelijk, rechtsbescherming van burgers, gezondheidszorg, seksuele vrijheid en mensenrechten. Niet overal op de wereld, maar dat het überhaupt bestaat, is wat morele vooruitgang is. Het is onder woke social justice warriors bon ton om op de slechte kanten van het Westen te focussen en Nederland primair te zien als een slavenhandelende, koloniale uitbuitingsstaat met discriminatie die tot op de dag van vandaag in de witte, cis- en heteronormatieve patriarchale samenleving voortduurt. 
Wat dan uit het zicht blijft is dat er lichtpuntjes zijn, dat er vooruitgang is. En dat Nederland een morele pionier is. Zo was in 2001 Nederland het eerste land in de geschiedenis van de mensheid dat het homohuwelijk legaliseerde. In 2006 was Nederland het eerste land in de geschiedenis van de mensheid die twee Tweede Kamerleden had die opkwamen voor de belangen van niet-menselijke dieren in het parlement. De Partij van de Dieren zit nog steeds in de Tweede Kamer en er zijn in andere landen zusterpartijen ontstaan. Nederland heeft progressieve wetgeving op het gebied van medische ethiek als abortus, euthanasie en stamcelonderzoek. Het land is tolerant tegenover naaktrecreanten, met officiële naaktstranden. Softdrugs zijn toegestaan. Er is vrijheid van expressie. Het is als de eend-konijn tekening waar Wittgenstein naar verwijst: je kunt de werkelijkheid op twee manieren interpreteren, ze zijn allebei waar. 
Wie de bril van morele verontwaardiging opzet, loopt het risico om de positieve elementen te negeren en niet te zien dat Nederland in vele opzichten toch echt te prefereren is en – politiek incorrect om te zeggen maar desalniettemin waar – moreel superieur is aan landen en culturen waar homoseksuelen ter dood worden veroordeeld, waar vrouwen geen gelijke rechten hebben, waar marteling en doodstraf legitiem zijn, waar abortus gezien wordt als moord en waar euthanasie verboden is, waar er geen vrijheid van expressie is, waar er lijfstraffen op scholen zijn. De lijst is lang. Dat alles laat onverlet dat morele vooruitgang een proces is en dat het nog een lange weg naar utopia is.
Een stapje richting dat morele utopia waar de morele kring is uitgebreid is het nieuwe HAVO-eindexamenonderwerp dierethiek en milieufilosofie. Daarin is er niet alleen aandacht voor de fysische aspecten van de ecologische crisis (klimaatverandering, zeeniveaustijging, ontbossing, verzuring, erosie, overbevissing, plasticvervuiling et cetera), maar ook en vooral voor de morele aspecten ervan.
Wanneer mensen horen dat ik milieufilosoof ben, vragen ze: Wat is milieufilosofie? Men kan zich niet makkelijk een beeld vormen van het soort vragen waar milieufilosofie over gaat. Scholieren met het vak filosofie zullen het antwoord kunnen geven. Milieufilosofie gaat over de vraag: wat heeft waarde en waarom? Waarom zouden we ons moeten bekommeren om toekomstige generaties? Wat maakt het uit als soorten uitsterven? Wat maakt het uit als de wereld onleefbaar wordt voor een groot deel van de mensheid? Wat maakt het uit als het klimaat verandert – het klimaat verandert toch immers altijd? Wat maakt het uit als wij miljarden niet-menselijke dieren ellendig laten lijden en doden? Wat maakt het uit als de lucht vervuild raakt? Wie is verantwoordelijk voor wat? Het zijn enkele van de fundamentele vragen waar velen, zodra ze er kennis van hebben genomen, hard van weglopen of de kop voor in het zand steken omdat ze vermoeden dat het nadenken over die vragen consequenties zal hebben voor hun eigen leven. En dat is ook zo. 
Er wordt veel gezeurd en gezanikt in Nederland. Zeuren en zaniken zijn een luxe. Wij hebben de luxe om ons druk te maken over zaken waarvan men in het verleden geen weet had omdat het ondenkbaar was dat het ooit zover zou komen. Zeuren en zaniken kunnen gevaarlijk zijn wanneer, door gebrek aan historisch en kosmopolitisch perspectief, proportionaliteit uit het oog wordt verloren en mensen achter woede en verontwaardiging opkloppende populisten aanlopen die deze problemen tot groteske proporties opblazen en drastische maatregelen voorstellen die de morele vooruitgang ondermijnen.
Toen ik in 1991 eindexamen geschiedenis op het VWO deed was het thema vrouwenemancipatie. De keuze voor een eindexamenonderwerp dat op landelijk niveau wordt vastgesteld, heeft een politieke lading. Zelfs zonder de feiten te verdraaien maakt het uit welk onderwerp je in de spotlight van het eindexamenonderwerp zet: de Verenigde Oost-Indische Compagnie, de koloniale oorlog in Indonesië (die eufemistisch met ‘politionele acties’ wordt aangeduid) of vrouwenemancipatie? Dat zijn vragen op het terrein van onderwijsfilosofie: wat is het doel van onderwijs? Ik sprak onlangs met een Spaanse studente die in Barcelona op de middelbare school zat. Ze vertelde dat het geschiedenisonderwijs daar gepolitiseerd is vanwege de afscheidingskwestie van Catalonië: wordt er geschiedenisonderwijs gegeven vanuit Spaans of vanuit Catalaans perspectief? Worden leerlingen door het geschiedenisonderwijs dat ze hebben gehad, Spaanse burgers of voelen ze zich Catalaans? (Hopelijk vooral Europeaan en Aardeling).
Ik ervaar een vreemde vorm van jaloezie: ik wou dat ik nu op de HAVO zat met het vak filosofie met als lesboek Dier, natuur en mens. Milieufilosofie en dierethiek (2025) van Dyane Til en Marloes Boere. Ik kwam pas aan het eind van mijn studie filosofie op de universiteit in aanraking met milieu- en dierfilosofie in een keuzevak. Tijdens de studie filosofie was er geen enkele aandacht voor niet-menselijke dieren en natuur. De opleiding was geheel antropocentrisch – zowel in Utrecht als in Leiden waar ik studeerde. Er wordt gezegd dat ideeën zo’n vijftig jaar nodig hebben om tot een breed publiek door te dringen. In 1975 publiceerde Peter Singer zijn iconisch gebleken boek Animal Liberation (waar in 2025 een geheel vernieuwde versie van verschenen is, Animal Liberation Now). Dierethiek is nu dus tot filosofieleerlingen HAVO doorgedrongen. Maar het door Singer gepopulariseerde woord voor discriminatie van niet-menselijke dieren, speciësisme (of soortisme) is nog niet in Van Dale opgenomen, noch is het een wijdverspreide term. Speciëcisme heeft wel een lemma op Wikipedia omdat dieractivisten het hebben aangemaakt. 
Het eerste dat opvalt aan Dier, natuur en mens is dat het een prachtig, kleurrijk boek is met een heldere indeling en veel illustraties, tekstboxen voor extra uitleg en in de kantlijn staan de kernconcepten. Het boek nodigt uit om het door te bladeren en te lezen. Het is een breinvriendelijk boek. Zoals een schoolboek betaamt, heeft elk hoofdstuk een duidelijke inleiding en een samenvatting. Er zijn fragmenten primaire tekst in opgenomen. Het werk is een gebalanceerde combinatie van milieu- en dierfilosofie, allebei recente specialisaties in de filosofie. Dat wil niet zeggen dat er daarvóór niet over dergelijke onderwerpen is nagedacht. De auteurs schetsen relevante denkers uit de geschiedenis van de filosofie, zoals Aristoteles met zijn hiërarchische ordening van de natuur (scala rerum naturae) en René Descartes die een harde scheiding maakt tussen geest en materie en tussen de mens en de rest van de natuur. 
“Als de aarde ons laat zien dat onze huidige manier van denken tekortschiet om de problemen van deze tijd het hoofd te bieden, wat moeten we dan doen?” Dit citaat uit het voorwoord zet de toon. Dit is wetenschappelijke filosofie, dat wil zeggen filosofie die uitgaat van de best beschikbare wetenschappelijke kennis over de stand van de natuur en het klimaat. En dat is niet best. In onze hevig gepolitiseerde samenleving wordt de klimaatproblematiek gezien als een linkse hobby. In radicaalrechtse kringen is de acceptatie van de wetenschappelijke consensus over de ecologische crisis laag. Dat heeft ermee te maken dat radicaalrechts mordicus tegen overheidsbemoeienis is en juist die is nodig om de problemen te lijf te kunnen gaan. Radicaal rechts steekt de kop in het zand. Als een roker die niet wil horen dat zij longkanker heeft en stug door blijft roken. De aarde heeft longkanker en wij gaan collectief door met roken, met uitstoot van broeikasgassen en het omkappen van tropische regenwoud. “Filosofie helpt ons om kritisch te kijken naar wat we vanzelfsprekend vinden en nieuwe antwoorden te zoeken.” Zo eindigen de auteurs hun voorwoord. 
Filosoferen gaat niet alleen over vragen, soms zijn er ook antwoorden. Zoals atheïsme wat mij betreft een noodzakelijke uitkomst is van filosoferen, zo is veganisme dat ook. Filosofische reflectie over milieu- en dierethiek zal leiden tot veganisme. De ultieme test van dit schoolboek is dan ook niet of de leerlingen slagen voor het filosofie-examen, maar of ze veganist worden. Als ze geen veganist zijn na bestudering van deze literatuur en het doorwerken van de aangereikte argumentaties, dan zie ik dat als een mislukking van filosoferen. Er kan veel misgaan bij filosoferen. Zoals dat filosofieonderwijs tot op heden vaak helemaal niet over milieu- en dierethiek ging. Maar ook wanneer mensen wel de argumenten kennen, maar hun gedrag niet aanpassen. Dat is net als een cursus filosofie van de mensenrechten en wel slaven blijven houden. Of een cursus milieufilosofie en producten blijven kopen die in sweatshops zijn gemaakt. De auteurs wijzen expliciet op morele dissonantie: ‘19 procent van de Nederlanders heeft last van vliegschaamte. Dit leidt er overigens niet toe dat vliegen afneemt.’ (p. 176) Dat is morele dissonantie: wel weten dat iets slecht is en het toch doen. Vliegschaamte is volkomen nutteloos als het mensen er niet van weerhoudt om te vliegen. Naast veganisme is niet-vliegen een conclusie die uit de argumentatie van dit boek volgt. De vraag is: kun je als docent dit boek doceren als jezelf dierlijke producten gebruikt (carnist bent) of vliegt? Ik denk van wel, maar dan neem je wel een hypocriete houding aan. 
Nu is het wel zo dat hypocrisie een schaalverdeling kent. De ene vorm van hypocrisie is de andere niet. Een veganist gispen vanwege bijvoorbeeld het dragen van leren schoenen, schiet zijn doel voorbij. De veganist is immers goed bezig. Beter een hypocriete veganist dan een niet-hypocriete carnist. De hypocrisie-intolerantie die mensen elkaar voor de voeten werpen is lang niet altijd constructief. 
Als milieufilosoof ben ik benieuwd wat er in een handboek voor middelbare scholen staat. Er is een commissie die een syllabus heeft gemaakt met wat zij vinden dat er in het curriculum voor dit onderwerp moet. Op basis van deze syllabus schreven de auteurs dit handboek. Ik weersta niet aan de neiging om een lijstje te maken van filosofen en begrippen die er volgens mij in hadden gemoeten: filosofen Gary Francione, Wim Zweers, Henry Salt en concepten ecocide, morele blinde vlek en presentisme. 
Er staan in het boek enkele filosofen die ik niet kende. Zo is de Ierse politicoloog Garvan Walshe mij onbekend. Hij schreef een paper over Green Libertarianism oftewel ecolibertarisme. Green libertarianism is een antropocentrische politieke ideologie die een minimale overheid bepleit (nachtwakersstaat) zonder inmenging door subsidies en regulering. De vrije markt is volgens deze visie de ultieme oplossing voor alle problemen, inclusief milieuproblemen. Libertarisme leidt in de praktijk tot neoliberalisme waarbij de grote multinationals carte blanche krijgen van de overheid en zich onttrekken aan belasting door zich in belastingparadijzen te vestigen. Toen ik jaren geleden premier Rutte een ecoalarmistische brief schreef, kreeg ik als antwoord de mededeling dat groene economie (een ander woord voor green libertarianism) de oplossing was. Green libertarianism is een dode letter. Het woord green hier staat voor green washing. Green libertarianism hangt nauw samen met ecomodernisme (dat ook in het handboek wordt behandeld). Ecomodernisme is het vertrouwen dat technologische innovatie de milieuproblemen zal oplossen door technologische ontwikkeling te stimuleren en vooral geen milieumaatregelen te nemen, maar de markt vrij spel te geven. Het techno-optimisme van het ecomodernisme is gelieerd aan het geloof in de vrije markt als panacee voor alle problemen. 
Ik ga hier ongegeneerd reclame maken voor mijn eigen werk Groen liberalisme (deze term is van politiek filosoof Marcel Wissenburg). Groen liberalisme zoals uiteengezet in Groen liberalisme, is fundamenteel anders. Dat gaat uit van het liberale adagium alles mag zolang je een ander geen schade berokkent (die visie van J.S. Mill) en die ander is elk wezen dat pijn kan lijden. Zodoende omvat dit niet alleen menselijke maar ook tal van niet-menselijke dieren. Bovendien houdt groen liberalisme rekening met toekomstige generaties. Die kunnen namelijk ook geschaad worden door handelen van mensen nu, zoals door klimaatverandering.
Dit handboek en deze materie zouden bij alle middelbare scholen bekend moeten zijn. Het frappante van filosofie is dat het niet altijd moeilijk is. Je kunt elk van de onderwerpen en concepten van dit boek aan bijna iedereen uitleggen. Dit onderwijsmateriaal kun je prima aan de bovenbouw van de basisschool uitleggen. De moeilijkheid zit er voor scholieren, vermoed ik, in om de teksten te lezen. Het zou mooi zijn als de auteurs van het boek (of andere enthousiastelingen) per hoofdstuk een video maken om de concepten uit te leggen. Filosofie is een stuk makkelijker dan het leren van een vreemde taal, natuurkunde, scheikunde, biologie en wiskunde. Filosofie gaat over normatieve vragen die bij andere schoolvakken, met uitzondering van maatschappijleer, niet aan bod komen. Filosofie is niet moeilijk, maar wel ongemakkelijk omdat ze kan conflicteren met jouw intuïties, met jouw identiteit. Ze kan wat je wilt geloven (god) en wat je wilt doen (vlees eten, vliegen) ondermijnen. Filosoferen kan je op gespannen voet doen staan met jouw sociale omgeving. Er is niet zozeer sprake van intellectuele moeilijkheid, maar van moreel ongemak.
Mooi vind ik dat in het boek veel biologische kennis over dieren, ecologie, conservatiebiologie, marine biologie en evolutietheorie aan bod komt, met fraaie foto’s en illustraties. Dit boek draagt bij aan Bildung: aan brede algemene vorming. Het zou mooi zijn als docenten moeite doen om aan te sluiten bij kennis uit andere schoolvakken. De geschiedenis van de filosofie, geschiedenis van de wetenschap (en met name biologie) komen langs, cultuurgeschiedenis, aandacht voor niet-westerse filosofie, aardrijkskunde, Engelstalige literatuur (de Amerikaanse dichter Wendell Berry, H.D. Thoreau) en maatschappijleer. In het boek wordt aandacht besteed aan de geschiedenis en het ontstaan van de mens. Dit past bij het onderwijsconcept Big History (dat concept wordt overigens niet genoemd).
Hoe zou je als docent filosofie met eco anxiety om kunnen gaan? Ik doceer milieufilosofie aan universiteits- en hogeschoolstudenten en door telkens te wijzen op rapporten die laten zien hoe slecht het gesteld is met deelaspecten van de ecologische crisis en hoe de trends zich ontwikkelen, is het moeilijk om niet depressief te raken of te vervallen tot defaitisme en nihilisme. Hier komt de filosofische school van het stoïcisme van pas: het heeft geen zin je druk te maken over zaken waar jij niets aan kunt doen. De stoïcijn Seneca betoogt dat je als individu en als burger je verantwoordelijkheid moet nemen, maar dat je je gemoedstoestand niet moet laten beïnvloeden door zaken waar jij niets aan kunt doen. Vertaald naar de ecologische crisis betekent dit dat jij als individu en burger je best moet doen om een bijdrage te leveren aan de oplossing en in geen geval het probleem mag groter maken. Dat jij in je eentje de wereld niet gaat veranderen en dat het mogelijkerwijs überhaupt niet gaat lukken zijn geen redenen om niet te handelen en, volgens Seneca, geen reden om neerslachtig te zijn. 
Naast het handboek heeft uitgeverij Boom een fraai en beknopt werkboek Dier, natuur en mens uitgegeven, gemaakt door filosofiedocenten Floor Rombout en Olle Spoelstra. Ik houd ervan als de architectuur van een boek logisch, overzichtelijk en uitdagend is. Het werkboek past als een handschoen bij het handboek. Het heeft 26 hoofdstukjes, allemaal een filosoof plus een concept van die filosoof, zoals: hoofdstuk 8: ‘Peter Singer. Utilisme’, In het boek staan oefenvragen met casussen uit de media die aansluiten bij de stof. 
Filosofiedocenten op de HAVO moeten zich voorbereiden op dit thema. Daarom is het julinummer 2025 van het tijdschrift Spinoza! van de Vereniging Filosofiedocenten in het Voortgezet Onderwijs (VFVO) een special over het nieuwe examenthema HAVO. In het blad is, ter verdieping van het onderwerp milieufilosofie, een correspondentie van zes brieven opgenomen tussen ecomodernist Sebastien Valkenberg en mijzelf als ecoalarmist. (Die briefwisseling vind je ook hier.) Er is niet alleen aandacht voor verdieping van de collegestof maar ook voor de onderwijsdidactiek. Zoals, schrijft Marloes Boere, een van de auteurs van het handboek, over Handvatten bij het lesgeven aan een klas vol vleeseters. Boere wijst erop dat in de academische filosofie “de verdediging van vleesconsumptie vrijwel geen rol van betekenis” speelt. Vandaar dat in het handboek geen tegenargumenten aan bod komen. Toen ik mijn boek De vrolijke veganist schreef kwam ik daar ook achter: hoewel bijna geen enkele filosoof veganist is, zijn er geen filosofen te vinden die de bio-industrie verdedigen. De argumenten voor vleeseten zijn, zo laat ik in mijn boek zien, allemaal drogredenen – die telkens weer worden herhaald. Mijn hoop is dat nu dierethiek in het middelbaar onderwijs wordt behandeld en er meer mensen kennisnemen van dierethiek, dat daarmee een kritische massa wordt bereikt om de vermaledijde drogredenen en rationalisaties ten faveure van carnisme uit te bannen. 
In het tijdschrift schrijft een anonieme filosofiedocent: “Ik sta niet voor de klas om leerlingen te overtuigen, maar wel om ze te laten nadenken […]”. Vergelijk dat met een wiskundedocent, die wil dat leerlingen zich de logica van wiskunde eigen maken zodat ze bijvoorbeeld zelf kunnen uitrekenen dat 2 +2=4. Niet omdat de docent zegt dat het antwoord 4 is, maar omdat ze begrijpen hoe rekenen werkt. Carnisme als uitkomst van kritisch denken over dierethiek is als betogen dat 2+2=5. Dat is dus fout. Het gaat er niet om leerlingen te dwingen veganist te worden, maar wel om leerlingen te helpen zichzelf te overtuigen van de morele plicht tot veganisme. Filosofiedocenten dienen wel degelijk leerlingen te helpen tot het bereiken van goede uitkomsten. Filosoferen leidt nu eenmaal tot bepaalde uitkomsten, zoals atheïsme, veganisme, de morele superioriteit van mensenrechten en de morele noodzaak om klimaatmaatregelen te nemen. Dat zal niet iedereen leuk vinden. Filosofie gaat niet over leuk of aardig, maar om het lef om de conclusie van een zorgvuldige argumentatie te accepteren. 
Ik hoop dat dit boek helpt met het bereiken van het morele kantelpunt. Zoals eens het morele kantelpunt kwam voor vrouwenrechten, voor homorechten, voor het recht op abortus, voor het recht op euthanasie. 
 
Floris van den Berg

Dyane Til en Marloes Boere
Floris van den Berg
Non-fictie
Floris van den Berg is filosoof en dus atheïst. Tot voor kort was hij voorzitter van vrijdenkersvereniging De Vrije Gedachte.
_Floris van den Berg -
Meer van Floris van den Berg

_Van zelfde auteur

_Nieuwste recensies

Bekijk alle nieuwe recensies