23 februari 2026
De leeuw en de eenhoorn
Oorspronkelijk verscheen ‘De leeuw en de eenhoorn’ van George Orwell in 1941 onder de titel ‘The Lion and the Unicorn’. Het wordt mijns inziens niet opnieuw uitgegeven uit gewoonte of nostalgie, maar omdat het nog altijd iets te zeggen heeft over hoe wij vandaag leven en samenleven.
Boom nam dit oorlogspamflet op in de reeks Kleine Klassieken, een reeks die korte maar inhoudelijk gewichtige teksten opnieuw toegankelijk maakt voor een breed lezerspubliek. Het gaat hier niet om decoratieve klassiekers voor in de boekenkast, maar om boeken die ertoe doen. In dezelfde reeks vinden we denkers als Epictetus, Kierkegaard en Gadamer. Orwell hoort daar thuis, al wordt hij vaak nog herleid tot de auteur van Animal Farm en 1984.
Wie hem alleen via die twee boeken kent, mist een belangrijk deel van wat Orwell als denker betekent. Hij was niet alleen een waarschuwende stem tegen totalitarisme. Hij schreef vanuit wat hij zelf had gezien en ondergaan. Geboren in 1903 als Eric Arthur Blair werkte hij bij de koloniale politie in Birma, leefde hij onder arbeiders in Parijs en Londen, vocht hij in de Spaanse Burgeroorlog en ontwikkelde hij een diep wantrouwen tegenover ideologische zekerheden. Zijn denken kwam voort uit betrokkenheid, niet uit theoretische overdenkingen.
De leeuw en de eenhoorn werd geschreven in de donkerste maanden van 1940, tijdens de Blitz. Londen werd gebombardeerd. Orwell opent het boek met de beroemde zin: “Terwijl ik schrijf, vliegen er hoogbeschaafde mensen over die mij proberen te doden.” De oorlog was geen abstractie, maar dagelijkse werkelijkheid. Engeland bevond zich in een existentiële crisis. Dat voel je van begin tot einde.
Vanwege chronische longproblemen werd Orwell afgekeurd voor militaire dienst. Hij kon niet deelnemen aan de strijd, maar koos ervoor zijn pen als wapen te gebruiken.
Het essay verscheen in de reeks Searchlight Books, goedkope pamfletten die een zo groot mogelijk publiek moesten bereiken. De inzet was duidelijk: niet alleen het nazisme bestrijden, maar ook de eigen samenleving kritisch onderzoeken. Volgens Orwell kon een democratie slechts geloofwaardig weerstand bieden aan fascisme als zij bereid was haar interne ongelijkheden onder ogen te zien. Dat uitgangspunt is vandaag nog altijd herkenbaar.
Het boek bestaat uit drie delen.
Het eerste deel, Engeland als vaderland, vormt het hart van het werk. De schrijver Arthur Koestler noemde dit deel ooit “een van de meest ontroerende en tegelijk scherpzinnige portretten van de Engelse volksaard”. Dat oordeel klopt nog altijd. Orwell tekent hier een genuanceerd beeld van zijn land, zonder verheerlijking en zonder cynisme.
Hij schrijft:
“We zijn een volk dat bestaat uit bloemenliefhebbers, maar ook uit postzegelverzamelaars, amateurhoutbewerkers, couponknippers, darters en kruiswoordpuzzelfans. Alle vormen van cultuur die ons het meest eigen zijn, draaien om dingen die zelfs als ze gemeenschappelijk zijn niet-officieel zijn: de pub, de voetbalwedstrijden, de achtertuin, de open haard en een ‘lekkere kop thee’. Men gelooft hier nog altijd in individuele vrijheid, haast net als in de negentiende eeuw. Maar het heeft niets te maken met economische vrijheid, oftewel het recht om anderen uit te buiten voor het halen van winst. Individuele vrijheid is de vrijheid om zelf een huis te hebben, je vrije tijd te besteden zoals je zelf wilt en zelf je eigen vermaak te kiezen in plaats van dat een meerdere die keuze voor je maakt. (…) Net als alle andere moderne volkeren worden de Engelsen op dit moment geteld, gelabeld, opgeroepen voor het leger en ‘gecoördineerd’. Maar ze zijn geneigd een andere kant uit te gaan, en het soort tuchtiging dat hun kan worden opgelegd zal daarom moeten worden aangepast. Geen partijbijeenkomsten, geen jongerenbewegingen, geen gekleurde shirts, geen Jodenvervolging of ‘spontane’ demonstraties. Naar alle waarschijnlijkheid ook geen Gestapo.” (pp. 29–30)
Hier wordt Orwells kracht als waarnemer zichtbaar. Hij verbindt alledaagse gewoonten met politieke mentaliteit, huiselijkheid met vrijheid, individualisme met weerstand tegen massadiscipline. Engeland verschijnt niet als ideologisch project, maar als een leefwereld met eigen ritmes en grenzen. Voor mij is dit een bijzonder sterke passage.
Die dubbelzinnigheid ziet Orwell als een kracht. Ze verklaart waarom Engeland niet massaal bezweek voor fascistische verleiding. Maar dezelfde samenleving blijft kwetsbaar zolang ze vasthoudt aan een rigide klassenstructuur.
In het tweede deel, De winkeliers voeren oorlog, analyseert hij de economische machtsverhoudingen. De Britse elite, zo stelt hij, heeft gefaald. Ze verdedigt privileges die niet langer te rechtvaardigen zijn. Een oorlog voeren tegen tirannie terwijl men sociale ongelijkheid ongemoeid laat, noemt hij zelfbedrog. Dat betoog komt ook vandaag nog hard binnen.
In het derde deel, De Engelse revolutie, werkt Orwell zijn alternatief uit: een democratisch socialisme dat geworteld is in nationale tradities en niet in doctrinaire schema’s. Hij pleit voor nationalisering van sleutelindustrieën, herverdeling, uitbreiding van onderwijs en sociale zekerheid. Niet als dogma, maar als voorwaarden voor een leefbare democratie.
Wat mij vooral treft in dit boek, is dat Orwell zich niet laat inkapselen door één ideologische richting. Hij is scherp voor conservatieven, maar even kritisch voor delen van links. Hij verwijt de linkerzijde wereldvreemdheid en minachting voor het dagelijkse leven van gewone mensen. Politiek die de taal van de bevolking niet spreekt, verliest haar geloofwaardigheid.
Orwell stoorde zich in zijn tijd aan socialisten die vooral met elkaar spraken, zich moreel superieur waanden en weinig voeling hadden met wat er werkelijk leefde onder de bevolking. Voor hem was dat geen detail, maar een fundamenteel probleem: wie geen aansluiting vindt bij het dagelijkse bestaan van mensen, verliest zijn politieke betekenis.
Naar mijn aanvoelen blijft die waarschuwing vandaag relevant. Ook nu zie je soms hoe goedmenende linkse drukkingsgroepen discussies voeren die vooral binnen hun eigen kring blijven. Thema’s rond identiteit, taal of symboliek kunnen belangrijk zijn, maar wanneer ze losraken van wat mensen concreet bezighoudt, ontstaat opnieuw een kloof tussen engagement en leefwereld - precies wat Orwell toen al scherp doorzag.
Een van de belangrijkste bijdragen van dit essay is zijn onderscheid tussen nationalisme en patriottisme. Nationalisme staat voor machtsdenken en superioriteitsdrang. Patriottisme betekent gehechtheid aan een concrete leefwereld, zonder blindheid voor haar tekortkomingen. Betrokkenheid bij het eigen land sluit internationale solidariteit niet uit, maar maakt haar mogelijk.
Dat inzicht blijft nodig. Zeker vandaag, in een klimaat van polarisatie en wantrouwen, waarin identiteitspolitiek en populisme het debat beheersen. Orwell toont dat verbondenheid en kritiek geen tegenpolen hoeven te zijn.
Zijn kernstelling blijft eenvoudig en veeleisend: politieke vrijheid is leeg zonder sociale rechtvaardigheid. Democratie is meer dan verkiezingen. Ze vraagt structuren die echte deelname mogelijk maken. Waar ongelijkheid groeit, verzwakt het morele fundament van de samenleving.
Orwell is geen naïeve optimist. Hij weet dat macht corrumpeert en dat idealen ontsporen. Sommige van zijn voorspellingen zijn niet uitgekomen. Zijn vertrouwen in de noodzaak van een socialistische hervorming bleek te groot. Het boek draagt het stempel van zijn tijd en is sterk Brits van toon.
Maar precies die combinatie van tijdgebondenheid en morele helderheid maakt het vandaag nog overtuigend. We zien een schrijver die midden in een crisis probeert te denken zonder zich te verliezen in slogans. Hij schrijft niet als partijman, maar als burger die zijn samenleving ernstig neemt.
De uitgave van Boom is verzorgd en helder. De inleiding van Thomas Heij biedt context zonder belerend te worden. De vertaling bewaart Orwells directe en sobere stijl.
Waarom zou je dit boek vandaag nog lezen? Omdat het ons dwingt na te denken over onze eigen democratie. Over vrijheid, ongelijkheid, engagement en verantwoordelijkheid. Over hoe we kritisch kunnen blijven zonder cynisch te worden.
Voor wie zich rekent tot de vrijzinnig-humanistische traditie is dit geen vrijblijvende lectuur. Het confronteert zonder belerend te worden. Het nodigt uit tot zelfonderzoek, niet tot zelfgenoegzaamheid.
De leeuw en de eenhoorn blijft een boek dat aan het denken zet en niet met gemakkelijke antwoorden komt.
Zonder overdrijving: een must read.
Benny Madalijns