6 april 2026
Eindeloos vertier
Dertig jaar geleden schreef een Amerikaan een boek van ruim duizend bladzijden over een film die zo ondraaglijk en onweerstaanbaar vermakelijk is dat wie hem eenmaal heeft bekeken, geen enkele behoefte meer voelt aan iets anders dan steeds opnieuw naar diezelfde film te kijken, tot hij langzaam en gewillig wegzakt in een catatonische gelukzaligheid waaruit geen enkele werkelijkheid hem nog kan verlossen.
Wallace noemde die film "The Entertainment", en wat aanvankelijk leest als de duistere en bijzonder geestige vondst van een begenadigde literaire grappenmaker, blijkt bij nader en aandachtiger inzien een koelbloedige en verrassend nauwkeurige beschrijving van een diepgeworteld maatschappelijk proces dat al onomkeerbaar aan de gang was toen hij begon te schrijven. Een al geruime tijd smeulend en onstuitbaar proces dat sindsdien alleen maar verder en dieper in onze levens is doorgedrongen.
Het verhaal speelt zich af in een nabije maar fictieve Amerikaanse toekomst, in een land dat zo grondig en meedogenloos door het kapitalisme en de entertainmentindustrie is doordrongen dat zelfs de jaren officieel naar hun commerciële sponsor worden vernoemd: het Jaar van het Depend Incontinentie-Ondergoed, het Jaar van de Zuivelproducten uit het Amerikaanse Heartland.
Wallace plaatst zijn verhaal op twee locaties die hij met een bijna chirurgische precisie naast elkaar zet: de Enfield Tennis Academy, een elitaire en veeleisende instelling waar hoogbegaafde jongeren worden klaargestoomd voor een topsportcarrière die hen uiteindelijk meer zal kosten dan ze op dat jonge en nog onbeschreven moment kunnen beseffen, en het nabijgelegen Ennet House, een weinig glamoureus afkickhuis waar mannen en vrouwen dag na dag en met wisselend succes proberen te overleven in de wreed alledaagse nasleep van hun verslaving aan drank, drugs en al wat het menselijk bewustzijn tijdelijk kan verdoven.
Rondom deze twee werelden wemelt het van kleurrijke en soms ronduit buitensporige personages, subplots en vertakkingen die het verhaal voortdurend openbreken en onverwacht verrijken: Quebecse separatisten die de dodelijke filmcartridge koste wat het kost in handen willen krijgen, een Amerikaanse overheid die zich bedient van undercoveragenten en zorgvuldig vermomde operatoren. En dan is er natuurlijk ook nog de familie Incandenza, met aan het hoofd een tegelijk geniale en diepbedroefde filmmaker die zijn meest volmaakte werk, "The Entertainment" zelf, heeft gecreëerd en daarmee onbedoeld de wereld onherroepelijk in gevaar heeft gebracht.
Het is een familie die zo grondig stukgelopen is, zo kwistig bedeeld met talent en tegelijk zo volkomen onmachtig om er iets mee aan te vangen zonder zichzelf en elkaar daarbij ernstig te beschadigen, dat ze op zichzelf al een hartverscheurende roman vormt.
De twee centrale figuren zijn Hal Incandenza, het zeventienjarige en schrikbarend begaafde wonderkind van de tennisacademie, breed belezen en verbaal buitengewoon trefzeker maar emotioneel volkomen afgesneden van zichzelf en van de mensen om hem heen, en Don Gately, de voormalige inbreker en Demerol-verslaafde die als begeleider in het afkickhuis werkt en die met een taaie volharding tracht te blijven wie hij heeft besloten te zijn.
Wallace brengt deze twee zo verschillende en toch zo verwante levens samen met een structurele durf die geen enkel compromis sluit met de traditionele romanconventies en die de lezer van meet af aan duidelijk maakt dat hij hier niet met een gemakkelijk leesbaar boek te maken heeft.
Vooraleer ik verder inga op de bredere betekenis en de maatschappelijke draagwijdte van dit boek, wil ik stilstaan bij drie passages die mij het diepst hebben geraakt en die samen de kern van Wallace’ project blootleggen.
De openingsscène van de roman is meteen een van de meest onvergetelijke die ik in lange tijd heb gelezen. Hal zit in een koele en klinische toelatingscommissie aan de universiteit van Arizona, omringd door drie dekanen, zijn oom en zijn coach, en hij zwijgt ondoorgrondelijk. De mensen om hem heen vullen zijn bedreigende stilte op met een stortvloed van zelfverzekerde welbespraaktheid en bezorgdheid, terwijl Hal zelf gevangen zit in een innerlijke wereld waaruit geen enkele begaanbare brug naar buiten meer lijkt te leiden. Wallace schrijft:
“Stilte. DeLint verschikt zijn rug tegen de lambrizering en vindt een nieuw zwaartepunt. Mijn oom straalt en trekt een rechte horlogeband recht. 62,5% van de gezichten in het vertrek zijn naar mij gekeerd, innemend verwachtingsvol. Mijn borst bonkt als een wasdroger met schoenen. Ik construeer wat ik me voorstel dat als een glimlach zal overkomen. Ik draai me deze en deze kant op, een beetje, globaal mijn gezichtsuitdrukking tonend aan iedereen aanwezig. Opnieuw stilte. De wenkbrauwen van de gele dekaan gaan in circumflex.” (p. 7)
Ik koos deze passage omdat ze in een handvol compacte zinnen samenvat wat Wallace honderden bladzijden lang uitwerkt en wat mij als lezer het diepst heeft getroffen: de nauwelijks te overbruggen kloof tussen wat een mens van binnen ervaart en wat de beoordelende wereld om hem heen van hem ziet en verwacht. Hal construeert een glimlach zoals men een lastig technisch probleem oplost, hij berekent het percentage gezichten dat naar hem is gekeerd met de afstandelijke precisie van een statisticus die zichzelf buiten de vergelijking heeft geplaatst. En zijn borst bonkt als een wasdroger met schoenen, een beeld dat zo verrassend raak is dat het je als lezer bijna fysiek treft.
Dit is geen gewoon tienerdrama en geen alledaagse pubertaire onzekerheid. Dit is de beschrijving van iemand die zichzelf volledig en misschien wel definitief is kwijtgeraakt aan de meedogenloze verwachtingen en de verstikkende prestatiedwang van een systeem dat hem al van zijn prille zevende heeft gevormd en geslepen. En hem zodoende langzaam heeft uitgehold.
Maar Wallace laat het daar niet bij.
Want terwijl Hal zwijgt en grijnst en zijn gezichtsspieren zorgvuldig ontspant tot alle herkenbare menselijke uitdrukking vervaagt, dendert de koude en zelfgenoegzame institutionele machine gewoon door over hem heen, met een bureaucratische efficiëntie en een onverstoorbare zelfverzekerdheid die beangstigend herkenbaar is:
“De ongerijmdheid tussen gelaats- en handkleur van toelatingen is bijna flagrant. ‘... mondelinge scores die toch wel iets dichter bij de nul liggen dan wat we gewend zijn, vergeleken met een schoolrapport van het instituut waar zowel je moeder als haar broer een bestuursfunctie hebben,’ leest hij rechtstreeks van de stapel binnen de ellips van zijn armen, ‘en het afgelopen jaar, ja, wat achteruitgegaan zijn, al bedoel ik met achteruitgegaan tot uitmuntend van het eerlijk gezegd ongelofelijk van de drie voorgaande jaren.’ ‘Cijfers gingen door het dak.’ ‘De meeste instituten hebben niet eens een hoogste cijfer met meerdere plussen erachter.’ ‘Van deze... hoe zal ik het zeggen... ongerijmdheid,’ zegt toelatingen met een open en bezorgde blik, ‘gaan bij ons eerlijk gezegd alarmbellen rinkelen voor potentiële problemen bij de toelatingsprocedure.’” (p. 8)
Ook deze passage koos ik met voorbedachten rade, omdat ze op een tegelijk komische en diep ontluisterende manier toont hoe het systeem een veelzijdig mens reduceert tot een reeks kille scores en vervelende ongerijmdheden die zo snel en zo efficiënt mogelijk administratief gladgestreken moeten worden. De dekanen spreken over Hal zoals men spreekt over een dossier dat niet klopt, over een hinderlijke anomalie die dringend verklaard moet worden. Niemand in dat vertrek lijkt ook maar een vluchtig ogenblik te overwegen dat er achter die ‘subnormale mondelinge scores’ en die ‘negen adembenemend stellaire essays’ misschien een buitengewoon en kwetsbaar mens schuilgaat die iets heel anders nodig heeft dan een sportbeurs en een netjes ondertekende intentieverklaring.
Dit is voor mij de meest schrijnende kern van wat Wallace wil zeggen: niet alleen over Hal en zijn gebroken familie, maar over de fundamentele manier waarop onze samenleving is ingericht rond prestatie, consumptie en institutionele efficiëntie, en hoe daarin voor de kwetsbare innerlijke wereld van een individuele mens stelselmatig en zonder veel omhaal geen waardige plaats meer is.
Maar Wallace zou Wallace niet zijn als hij het daarbij liet. Want tegenover de versteende perfectie van Hal plaatst hij verderop in de roman een passage die ik bewust koos als tegengewicht. Een scène die op pagina 787 speelt en waarin Joelle Van Dyne, een van de meest complexe en fascinerende vrouwelijke personages uit de roman, schoonmaakt in het afkickhuis. Wallace schrijft:
“Joelle werd vroeger graag high en dan maakte ze schoon. Nu ontdekte ze dat ze graag schoonmaakte. Ze stofte het blad van het spaanplaten dressoir dat zij en Nell Gunther deelden. Ze stofte de ovalen bovenrand van de lijst van de dressoirspiegel en lapte de spiegel zo goed ze kon. Ze gebruikte kleenex en verschaald water uit een glas naast Kate Gomperts bed. Ze voelde een vreemde weerzin om sokken en klompen aan te doen en beneden in de keuken echte schoonmaakspullen te halen. Tot hier hoorde ze het rumoer van de bewoners die zich wilden aanmelden. Toen de tandartsnachtmerrie haar met een schok wekte, stond haar mond open voor een gil, maar de gil kwam van Nell G. beneden in de woonkamer, die altijd lachte alsof ze geslacht werd. Nell maakte Joelle’s gil overbodig. Toen maakte Joelle schoon.” (p. 787)
Dit fragment toont in zijn schijnbare eenvoud en zijn bijna terloopse alledaagsheid iets wat Wallace zelden zo onopgesmukt laat zien: dat de weg terug naar zichzelf niet via de grote gebaren loopt en ook niet via perfecte en niet zelden uitputtende prestaties, maar via de kleine en ogenschijnlijk volkomen betekenisloze handelingen van het gewone leven. Joelle stoft een dressoir. Ze wast een spiegel met verschaald water en een papieren zakdoekje. En in die vrij onbeduidende handelingen ligt, bij Wallace, meer menselijke waardigheid en hoop besloten dan in alle tennistrofeeën en academische eerbewijzen van de roman bij elkaar.
De drie passages leggen samen op treffende wijze het hart van dit boek bloot: de versteende binnenwereld van de hoogbegaafde die zichzelf is kwijtgeraakt, de meedogenloze en ijzigkille buitenwereld die hem niet ziet en ook niet wil zien, en de stille weg terug die Wallace, tegen alle verwachting in, toch mogelijk acht.
David Foster Wallace was voor zijn generatie wat men in de Angelsaksische literatuurkritiek een “voice of a generation” noemt, maar dan op een manier die deze wat verroeste uitdrukking opnieuw van een zekere inhoud voorziet. Hij was met name de schrijver die de postmoderne ironie en de zelfbewuste literaire spelletjes van zijn voorgangers, Pynchon, DeLillo, Barth, serieus nam maar ook ernstig in vraag stelde. Hij was het die de metafictie van binnenuit openbrak en er een schrijnend menselijk hart in blootlegde. Hij gaf een hele generatie jonge Amerikaanse schrijvers en lezers het gevoel dat de literatuur iets mocht en moest zeggen over de werkelijkheid van hun dagelijkse, door media en consumptie doordrenkte leven. En dat de roman daarvoor niet hoefde te kiezen tussen de eisen van de zogenaamde hoge literatuur en de veel minder ambitieuze eisen van de lezer die gewoon geroerd wil worden.
Buiten Amerika is de schrijver met wie ik Wallace het meest verwant voel de Oostenrijkse obsessieve taalgrootmeester Thomas Bernhard: dezelfde meedogenloze en nooit rustgevende herhaling en variatie, dezelfde diepe en nauwelijks verholen wanhoop over de toestand van de mens in een wereld die hem systematisch verkleint en verdooft. Iemand die krek dezelfde paradoxale en onuitputtelijke energie uitstraalt waarmee die wanhoop zich ontwikkelt in een proza dat je als lezer gelijktijdig uitput en opwindt, en dat je lang nadat je het boek hebt neergelegd blijft achtervolgen met de hardnekkige vasthoudendheid van iets wat je liever niet had geweten maar wat je niet meer uit je hoofd kunt zetten.
Nog dit. De glanzende tennisacademie en het sobere afkickhuis, de twee leefwerelden die Wallace met chirurgische precisie beschrijft, draaien ondanks hun schijnbare tegenstelling steevast om hetzelfde universele grondmotief: de wanhopige, niet zelden hartverscheurend mislukte poging om aan zichzelf te ontsnappen via een stevig extern houvast, via de lichamelijk uitputtende discipline van de getrainde topsporter enerzijds en de totale, tijdelijk weldadige overgave aan een of ander verdovend middel anderzijds.
Wallace laat met een schrijnende, maar op geen enkel moment moralistische nauwkeurigheid zien dat verslaving geen banaal moreel falen is en zeer zeker geen karakterzwakte, maar een diep menselijke en eigenlijk volkomen begrijpelijke existentiële strategie om de ondraaglijke pijn van het zijn even, en zo nodig herhaaldelijk, te kunnen vergeten. Hij toont ons duidelijk dat het onschuldig lijkende entertainment, in al zijn onweerstaanbaar glanzende gedaanten, gewoonweg een geraffineerde, sociaal aanvaarde en bovendien aangemoedigde maar zeer verslavende vluchtvariant is.
Dat alles wordt gedragen door een eigenzinnig proza dat de nietsvermoedende lezer meedogenloos meesleurt langs bochtige en tochtige zijpaden en langs eindeloze voetnoten die aanvankelijk weinig verhelderend lijken en mogelijk wat vervelen, maar uiteindelijk toch steeds mooi terugkeren naar de diepste kernen van zijn diepmenselijke betoog.
Zo gezien zijn de honderden voetnoten, sommige slechts een halve cryptische regel lang, andere uitgewerkte en zelfstandige verhalen op zichzelf, geen ijdel decoratief procédé maar een wezenlijk en doordacht onderdeel van de architectuur van het boek. Een formele manier om de associatieve en compulsieve manier waarop de menselijke geest functioneert onder aanhoudende druk na te bootsen met een consequentie die ronduit indrukwekkend is.
De vertaling van Robbert-Jan Henkes doet dit buitengewoon veeleisende en op talrijke plaatsen bijna onvertaalbare werk recht met een trefzekerheid en een gevoel voor wisselend ritme en register die voor dit soort weerbarstige en veelstemmige taalkunst geen vanzelfsprekende prestatie is.
Ik heb dit boek gelezen met het enigszins ontluisterende gevoel van iemand die iets pijnlijk bevestigd ziet wat hij al lang had vermoed maar liever niet zo onontkoombaar precies onder ogen had willen zien. Gewoon omdat de scherpte van de diagnose onvermijdelijk ook iets zegt over de toestand van de patiënt: wij allen dus.
Want Wallace heeft dit niet verzonnen vanuit een wereldvreemde literaire ivoren toren. Neen, hij noteerde met een onthutsend onbeleefde helderheid gewoonweg wat hij om zich heen zag gebeuren en wat hij, zo wil ik graag geloven, ook in zichzelf herkende en vreesde: de onopvallend sluipende maar des te effectievere omvorming van het alomtegenwoordige entertainment tot een allesoverheersende en nauwelijks nog te weerstane levenshouding. Het hersenloze vermaak als diepste en meest aanvaarde existentiële verdoving. Een cultuur die zichzelf met graagte en zonder schroom opeet in een eindeloze en zichzelf voortdurend versterkende stroom van prikkels waaraan men zich alleen nog lijkt te kunnen onttrekken door er volledig en gewillig aan toe te geven.
En toch betreft mijn niet geringe huiver bij dit boek niet alleen het beschrevene maar ook en misschien wel vooral de paradoxale en veelzeggende wijze waarop het nu, dertig jaar na zijn eerste verschijnen, in de Nederlandstalige literaire wereld wordt ontvangen en met niet geringe bombarie gevierd. Een boek dat met ongekende en soms beangstigende helderheid de structurele terreur van het alledaagse amusement blootlegt, wordt zelf met toeters en bellen omgetoverd tot een groots cultureel evenement waarover men in elk geval iets gezaghebbends moet hebben gezegd of gedeeld.
Men viert Wallace met een collectief enthousiasme dat op zichzelf veel weg heeft van de mateloze en weinig kritisch bevraagde consumptiedrift die de roman zo indringend en zo ongemakkelijk precies aan de kaak stelt. Men vraagt zich onwillekeurig af of Wallace, die in september 2008 een einde maakte aan zijn leven nadat ook de medicatie hem niet langer kon redden van zichzelf, dit alles met een grimmige tevredenheid zou hebben gadegeslagen of eerder met de moedeloze vaststelling dat zelfs de meest lucide kritiek uiteindelijk wordt opgeslorpt door het systeem dat ze bekritiseert.
Het is precies op dit paradoxale punt dat ik onwillekeurig denk aan Richard Rorty, de Amerikaanse filosoof die in zijn persoonlijk doorleefde essay De wilde orchideën en Trotski beschreef hoe hij als jonge en gepassioneerde intellectueel twee werelden probeerde te verzoenen die weigeren samen te vallen: de betoverende schoonheid van de wilde orchideën, de zuivere en vrijblijvende esthetische en filosofische zelfontplooiing van de denkende mens die zich verliest in kostbare ideën en veeleisende teksten en de ijle en weinig bewoonde hoogten van het abstracte denken, en de brandende rechtvaardigheid van Trotski, de onafwendbare morele en politieke verantwoordelijkheid voor het concrete en dagelijkse lot van anderen en van de kwetsbare samenleving als geheel.
Rorty was moedig genoeg om ronduit toe te geven dat hij die diepe en wellicht onoverbrugbare spanning nooit heeft opgelost en ook nooit kon oplossen, dat de wilde orchideën en Trotski nu eenmaal in fundamenteel verschillende en nauwelijks communicerende werelden leven en dat wie beweert ze moeiteloos en zonder verlies te verzoenen zichzelf en anderen op een aangename maar gevaarlijke manier bedriegt
Wallace staat pal in diezelfde quasi onoplosbare spanning, maar dan met een existentiële wanhoop die Rorty’s koel getempereerde filosofische ironie ver overstijgt. Want wat hij in zijn roman beschrijft, is precies wat er gebeurt met een samenleving die definitief kiest voor de orchideën en Trotski achteloos laat vallen. Hoe het finaal zal aflopen met een maatschappij die kiest voor het onmiddellijke en het onbegrensde, voor het steeds extremere genot, en de wezenlijke maatschappelijke verantwoordelijkheid systematisch en zonder noemenswaardige schuldgevoelens verdooft tot ze niet meer voelbaar en herkenbaar is.
Want de glanzende tennisacademie is de wereld van de kostbare orchideën, de wereld van de gedreven en meedogenloze perfectie en de uitputtende zelfontplooiing en de eindeloze en nooit bevrijdende prestatiedrang, en het sobere afkickhuis is wat er overblijft en achterblijft wanneer die zelfontplooiing omslaat in haar duistere tegendeel en de uitgeputte mens zichzelf onherroepelijk verliest aan wat hem aanvankelijk moest redden en verlossen. En “The Entertainment” is de ultieme en onweerstaanbare synthese van beide: de verleidelijke en fatale belofte van volmaakte zelfvervulling via definitieve verdoving, de wilde orchidee die zichzelf opeet.
Wie zich vandaag enigszins maatschappijkritisch noemt, wie beweert de mechanismen van onze door entertainment en consumptie gedomineerde cultuur werkelijk te willen begrijpen, moet dit boek gewoonweg lezen. Omdat Wallace met een profetische helderheid heeft beschreven wat wij collectief en individueel aan het worden zijn wanneer wij onvoorwaardelijk enkel nog orchideën koesteren en elke maatschappelijke verantwoordelijkheid definitief de deur wijzen.
Afijn. Dit is geen tragikomisch én encyclopedisch epos dat men zo maar eventjes leest en daarna netjes en tevreden terugzet tussen de andere boeken in de kast. Neen, het is een literair fenomeen dat blijft nazinderen, dat ongemakkelijke maar noodzakelijke vragen blijft stellen, lang nadat men de laatste bladzijden van deze pil van bijna 1,7 kilogram heeft omgeslagen. Een gewicht dat op zichzelf al iets zegt over de fysieke aanwezigheid van dit monumentale cultuurdocument.
Een uniek cultuurdocument dat ons herinnert aan de enige vraag die er werkelijk toe doet: wat blijft er van ons en van onze samenleving over wanneer het vermaak ophoudt en de stilte invalt. Zijn wij dan nog in staat die stilte te verdragen zonder instinctief terug naar het scherm te grijpen?
Benny Madalijns
Vertaling: Robbert-Jan Henkes