25 juni 2026
VERblijf - gedichten
Toen ik de cover van Verblijf voor het eerst zag, viel mijn oog meteen op de manier waarop de titel daar staat afgedrukt, niet als één woord maar gesplitst in VER en blijf, zonder verbindingsstreepje, en die typografische ingreep alleen al zet naar mijn aanvoelen de toon voor de hele bundel, want wat hier opgeroepen wordt is een tegenstrijdige opdracht, ga weg en blijf tegelijk, een spanning die ik in bijna elk gedicht van deze debuutbundel ben blijven terugvinden.
Het openingsgedicht, met de eenvoudige titel Vingerafdrukken, leest voor mij als een soort geloofsbrief waarin de dichteres zich eerst ontdoet van elke pretentie om haar bedoeling helder uit te leggen, om vervolgens toch een aantal heel concrete zekerheden op te sommen, haar eigen lichaam, haar bloedvaten, haar organen, het dna dat in haar huis verspreid ligt, van de tandenborstel tot de printerinkt.
Wat haar daarna wakker houdt, is niet die zekerheid over het eigen lichaam, maar de angst voor de sporen die ze achterlaat bij wie haar dierbaar is, een angst die verbonden wordt met de drie namen die haar zoon draagt en met de woorden op de grafsteen van haar vader, die in zijn moedertaal staan te verweren in een klimaat dat niet het zijne is.
Het gedicht sluit af met een huishoudelijk moment, het buiten zetten van de vuilniszakken op een grauwe ochtend, en de vraag of dat dan wel volstaat om gewoon bezig te zijn, en juist in die overgang van wereldgeschiedenis naar vuilniszak schuilt voor mij de kracht van Namavars register.
VINGERAFDRUKKEN
ik ontdoe mij van alle mogelijke manieren
op eenvoudige wijze uit te leggen
wat ik zeggen wil
over de effecten van de revolutie op het huwelijk van mijn ouders
klei en zand samen, soms keramiek soms baksteen
het leek me iets te simpel
een schaap te slachten op een altaar met een slagersmes
ik ontdoe mij niet van mijn bloedvaten, lymfebanen
ik zie er precies uit als mezelf, draag mijn eigen organen
verdedig mij tegen virussen, bacteriën naar mijn beste kunnen
mijn huis herbergt dna
in mijn tandenborstel, in de inkt van de printer
in het kleine ledikant in de voorkamer
desalniettemin ben ik bang voor vingerafdrukken, bijtwonden
op het lichaam van een dierbare, op het mijne
mijn zoon draagt drie namen
twee daarvan zijn een boodschap (ik zou beter moeten weten)
de grafsteen van mijn vader toont woorden in zijn moedertaal, verweren
in een klimaat waar de zon slechts een uurtje op visite is
in keurige theeglazen amberkleurig licht
(mijn moeder lust geen stroopwafels)
ik blijf zoeken naar een jas die ik niet meer uit hoef te doen
wanneer ik mijn vuilniszakken leeggooi
op de stoep voor mijn huis op een leigrijze donderdagochtend in maart
en het afval recycle in mijn vrije tijd
ben ik dan goed bezig?
(pagina 9)
Een ander gedicht dat me is blijven achtervolgen, is het titelloze gedicht op pagina 26, waarin de spreekster ontdekt dat haar geliefde haar uren in de steek laat voor een ander, een meisje dat ze omschrijft als gemaakt van magma, met dijen die smeden en tepels als klokken, terwijl zijzelf in een vuile tobbe ligt en zich voorstelt hoe ze hem zou willen verzorgen in een smetteloos sanatorium.
Wat dit gedicht voor mij zo onrustwekkend maakt, is hoe de woede en de jaloezie geleidelijk van richting veranderen, want de roep naar de naam van de geliefde, die midden in het gedicht staat, blijkt algauw evengoed gericht te kunnen zijn aan het adres van die andere vrouw, en wat begint als een klaagzang over verraad eindigt in een soort omsmelting waarbij de spreekster zelf de gedaante van die ander aanneemt en haar tong dooft in gloeiend zand.
je verdwijnt voor uren en ik weet dat je met een meisje van magma vrijt
een rond koperen meisje met smedende dijen, tepels als klokken
en in de tussentijd denk je niet aan mij
jij goudjakhals met dovemansoren dollemansdorst
je volgt haar spoor van gekonfijte honger
in een vuile tobbe denk ik aan je kuiten, je glinsterende hondenborst
ons zachte vrijen
koester en voed mijn stille zieke lichaam in een smetteloos sanatorium
van gramschap en pax
laat me moeder zijn
hoe ik nooit muze werd, nooit hardvochtige kunstenares
achter een poppenwagen onderweg naar het ziekenhuis
waar zijn mijn genitaliën, wat hangt er in mij aan oudroze vlies
wat maakt al mijn oranje warm
ik roep je naam
meisje van levende aarde met borsten op je zoute gezicht en ik
een doorschijnende vrouw met oevertroebele vingers
die zich zelfs in bed schaamt om haar mond, de dunne minzaamheid van mijn mond
ik klamp je aan, niet jou maar haar
ik word een vrouw in een verwassen mannenhemd met meisjesborsten
in een broek van aswit linnen
twee oplopende hindes, zusters zijn we
ze vertelt mij over jou en ik zinder
in het oker van haar holtes kan ik alles aan haar bevingeren
ik smelt haar om (ik moet wel)
in mijn minzame mond proef ik haar metalen organen
ik trek mijn hemd uit
blus mijn natte tong in het vlammende zand.
(gedicht zonder titel, pagina 26)
Wanneer ik deze verzen herlees, denk ik onvermijdelijk aan Lucebert, niet om Namavar in zijn schaduw te plaatsen, maar omdat ik in samenstellingen als dovemansoren dollemansdorst en in een wending als ik smelt haar om dezelfde drang herken om de taal zelf te hersmeden, woorden tegen elkaar aan te zetten tot ze vonken slaan, en zoals bij Lucebert verandert hier een lichaam voortdurend van vorm, vlees dat metaal wordt en metaal dat weer vlees wordt, zonder dat de spreekster ooit de greep op die metamorfose lijkt te verliezen.
Een heel ander register klinkt in het tweeluik 'het vu ziekenhuis' rond het sterfbed van de vader, twee gedichten die elkaar op spiegelende bladzijden aankijken. Op de ene pagina staat een korte, klinische opsomming, het wassen van de handen, het natte onderlaken, een steenkoud hoofd op een kussen, en een weigering om dit een rouwadvertentie of een handleiding voor afscheid te noemen, dit is gewoon haar vader. De eerste strofe prikkelde me het meest:
dit is het bed van mijn vader
dit is geen rouwadvertentie
dit is geen handleiding voor afscheid
dit is mijn vader
(pagina 42)
Met deze vier regels beweegt Namavar zich naar mijn aanvoelen het dichtst in de buurt van Kopland, niet om het onderwerp, een sterfbed komt bij wel meer dichters voor, maar om de manier waarop het gezegd wordt, want net als bij Kopland krijgt hier het gewone woord zijn volle gewicht terug, dit is mijn vader staat er, zonder bijvoeglijk naamwoord, zonder beeld, en precies die weigering om het moment te versieren maakt de regel voor mij even onverdraaglijk als onvergetelijk. Waar de dichter elders de neiging heeft om te strooien met adjectieven en beelden, houdt ze het hier heel sec en puur, waardoor de strofe nog meer afsteekt tegenover de rest van de bundel.
Op de spiegelende pagina staat een gedicht in een heel andere taal, waarin de ochtend opkomt, een fontein trilt in de ogen van arabesken, en een kind, naakt in de schaduw van de bomen, uit zijn spel klimt, terwijl in hem een aronskelk groeit, kokoswit, met het gif al in de bloem, de kop gehoorzaam en trots gericht naar de zon…
de ochtend rijst, de fontein trilt in de ogen van de arabesken
een kind klimt uit zijn spel
bloot in de schaduw van bomen
in hem groeit een aronskelk, kokoswit
het gif zit in de bloem
kop gehoorzaam trots richting zon
(pagina 42, de twee eerste strofes)
De twee gedichten zeggen voor mij niet hetzelfde, maar vullen elkaar aan door wat ze elk verzwijgen, want waar de linker-pagina de dood vastlegt als een feit in het hier en nu, het bed, het laken, het hoofd, plaatst de rechterpagina diezelfde dood al in de kindertijd, in een lichaam dat nog speelt en nog naakt in de schaduw staat, maar waarin de gifbloem al groeit en haar kop al naar de zon keert. Dat het sterven dus niet pas begint bij het ziekbed, maar van het begin af aan meegroeit, is voor mij een van de meest aangrijpende vondsten van deze bundel, en precies dat naast elkaar zetten van die twee talen, zonder ze ooit helemaal samen te laten vallen, blijft voor mij het hart van Verblijf.
Tot slot is er het gedicht waarin de spreekster knielt voor bloemen en velgen, met een kind in haar schoot, terwijl hoog boven haar brandganzen wegtrekken richting Spitsbergen, Groenland en Nova Zembla, en in haar navel een glanzend groene bromvlieg achterblijft, tot het beeld omslaat in een vrouw die kokhalzend op het asfalt ligt.
De combinatie van die wegtrekkende vogels, die op het voorjaar en op nieuw leven wijzen, met dat insect dat van rottend vlees leeft, en met die laatste regel die de natuur abrupt naar de stad verplaatst, vat voor mij samen wat doorheen de hele bundel aan de gang is, namelijk dat vruchtbaarheid en verval bij Namavar nooit los van elkaar bestaan, maar elkaar voortdurend in de weg lopen en aanvullen.
ik kniel voor de bloemen, de velgen
als ik opkijk
zie ik een kind in mijn schoot
hoog boven mij trekken de brandganzen voorbij
spitsbergen, groenland, nova zembla
nu buig ik voor je fluwelen wimpers
bloesem van het ogenblik
erfelijk is je dood en in mijn navel
ligt een bromvlieg
glanzend groen knisperend
mottige vlinders klapperen hun vleugels
kriebelen zachtjes aan mijn huig
een vrouw ligt kokhalzend op de asfaltweg.
(pagina 67)
Wat deze vier fragmenten met elkaar gemeen hebben, is dat ze stuk voor stuk een verblijf in beeld brengen dat nooit helemaal lukt, het lichaam dat zowel vertrouwd als vreemd is, de liefde die zowel trouw als ontrouw in zich draagt, de rouw die het sterven al in de kindertijd laat meegroeien, en de natuur die zowel geboorte als dood aankondigt.
Ik heb deze bundel gelezen als een lange oefening in het bewonen van die kloof zelf, niet als iets wat overbrugd moet worden, maar als de plek waar Namavar haar lezer wil laten verblijven, en dat is, naar mijn aanvoelen, precies waar de titel naar verwijst, een verblijf dat per definitie ver is, en een ver dat zich, tegen beter weten in, toch laat bewonen.
Wat me daarbij het meest is opgevallen, is hoe ver de registers van elkaar liggen waarin Namavar zich met evenveel gemak beweegt, van de gesmede, bijna Lucebertiaanse overdaad van het magma-gedicht tot de vier kale regels over het bed van haar vader, die eerder aan Kopland doen denken, en voor een debuutbundel is die breedte zeldzaam, want meestal moet een dichter nog jaren zoeken voor hij de grenzen van zijn eigen stem kent.
Namavar lijkt die grenzen in Verblijf al te verkennen zonder zich erbinnen op te sluiten, en dat geeft mij het vertrouwen dat dit pas het begin is van wat voor moois ze nog allemaal te zeggen en te schrijven heeft.
Benny Madalijns