Gerbert Faure
Benny Madalijns
Non-fictie
  • 18 keer bekeken
  • minuten leestijd
  • Reacties

Waardering

15 augustus 2026 Wagners Ring - Een filosofische reis
Toen ik onlangs Gerbert Faures ‘Wagners Ring. Een filosofische reis ‘in handen kreeg, legde ik meteen de link naar mijn eerste werkelijk overweldigende ontmoeting met Wagner, in juni 2004, toen Jan Fabre in de Brusselse Munt ‘Tannhäuser’ regisseerde en mij met zijn strikt geometrische enscenering compleet van mijn sokken blies. Bijzonder aangrijpend vond ik toen zijn beslissing om de pelgrims als clowns te kleden, een beeld waarin alle spot en frustratie van de gemeenschap zich op hen kon uitleven, waarbij ik de hypocrisie van de boetedoening genadeloos blootgelegd zag.
Faure, filosoof en neerlandicus die in 2014 aan de KU Leuven promoveerde op het vraagstuk van de vrije wil, publiceerde dit boek ter gelegenheid van de honderdvijftigste verjaardag van de eerste integrale uitvoering van Der Ring des Nibelungen in het Bayreuther Festspielhaus, in de zomer van 1876. Aan die cyclus schreef Wagner overigens bijna dertig jaar: de tekst stond er al in 1852, de muziek pas in 1874.
Twintig jaar na die Brusselse Tannhäuser zat ik begin 2024 opnieuw in De Munt, nu voor Die Walküre in de regie van Castellucci en onder leiding van Altinoglu, een ongelijke voorstelling die vooral dankzij Gábor Bretz als Wotan overeind bleef. Zijn afscheid van Brünnhilde in de slotscène, waarin hij haar tot mens degradeert en tegelijk met de grootste liefde omringt, staat me nog altijd helder voor de geest.
Faure waarschuwt de lezer meteen dat dit geen klassieke inleiding tot de Ring is. Wie op zoek is naar een overzicht van de literaire bronnen waaruit Wagner putte, van de muzikale traditie waarbinnen hij werkte of van de plaats die het werk in zijn levensloop inneemt, vindt dat hier niet. Hij kiest resoluut voor een filosofische insteek. Daarmee wil hij, in zijn eigen woorden, tonen dat de Ring meer is dan een fantastisch kunstwerk: een filosofische goudmijn.
Die filosofische lezing vertrekt vanuit Wagners onvrede met de operatraditie van zijn tijd. Muziek en drama vielen daarin uiteen in aria's en recitatieven, en de virtuositeit van de zangers kwam los te staan van de betekenis van het drama.
Gluck en later Mozart hadden dat onderscheid al voorzichtig laten vervagen, maar het was Wagner die radicaal koos voor een doorgecomponeerd geheel waarin muziek en verhaal onlosmakelijk verstrengeld raken, zodat men zijn werken liever muziekdrama's noemt dan opera's.
Om die eenheid te bereiken moest Wagner een probleem oplossen dat inherent is aan muziek als kunstvorm, namelijk dat klanken op zich geen concrete gebeurtenissen kunnen weergeven. Faure illustreert dat met Smetana, die het stromen van de Moldau in muziek probeerde te vangen: wie niet weet dat het om die rivier gaat, hoort evengoed iets heel anders. Daarom ontwikkelde Wagner het systeem van de leidmotieven, korte muzikale figuren die terugkeren bij een bepaald personage, voorwerp of idee, zodat het orkest zelfstandig kan vertellen wat de personages niet uitspreken.
Dat die motieven zowel naar een concreet voorwerp als naar een abstract idee kunnen verwijzen is voor Faure geen zwakte, maar precies de reden waarom een filosofische lezing iets toevoegt aan wat een gewone toeschouwer al hoort.
Die filosofische inspiratie verschoof gaandeweg: Wagner liet zich bij de aanvang van het project vooral leiden door het materialisme van Feuerbach, maar tijdens het componeren maakte hij kennis met Schopenhauer. Diens pessimistische wilsfilosofie ging vanaf dat moment een steeds grotere rol spelen, het duidelijkst voelbaar in Wotans berusting naarmate de cyclus vordert.
Voor Die Walküre volgt Faure een indeling die opvallend nauw aansluit bij mijn eigen herinnering aan de voorstelling. Hij vertrekt bij de vreemdeling in nood, een verwijzing naar Siegmund die bij Hunding aanklopt en als ontheemde figuur wordt neergezet. Precies zo liet Castellucci hem tegenover een kil decor spelen.
Van daaruit komt hij bij de spanning tussen de natuurlijke en de morele orde, waarbij Fricka de liefde tussen Siegmund en Sieglinde afwijst omdat die zowel incestueus is als een bestaand huwelijk breekt.
Die confrontatie tussen Wotan en Fricka herinner ik mij als een van de venijnigste momenten van de avond. Precies daar moet Wotan, die in Das Rheingold nog alles naar zijn hand probeert te zetten, voor het eerst toegeven dat zijn wil niet almachtig is. Faure vat dat onder het loslaten van de controle.
Bij Brünnhilde, die tegen Wotans bevel in probeert Siegmund te redden, herkent Faure de kracht van het medelijden.
Faure besteedt ook aandacht aan de vrouwen in Wotans wereld: zowel Fricka als Brünnhilde stellen, elk op eigen wijze, de wetten van die wereld in vraag. De gedachte dat verlossing van buitenaf moet komen wijst vooruit naar Siegfried, die de tot mens verworden Brünnhilde later wakker zal kussen.
Deze indeling weerspiegelt de ontwikkeling die ik bij Bretz' Wotan zag, van een god die alles wil beheersen naar een figuur die inziet dat hij zelf de oorzaak is van het onheil, zonder het nog te kunnen keren.
Das Rheingold behandelt Faure met een vergelijkbare opbouw: het mysterie van het ontstaan van de wereld, vernedering en agressie. Via liefde en verliefdheid komt hij zo uit bij de levenskeuzes die Alberich en Wotan elk op hun manier maken.
Bijzonder is hoe hij de ring van Alberich naast de ring van Gyges legt, de klassieke gedachte-oefening waarbij een ring onzichtbaarheid verleent. Zo stelt hij de vraag of een mens zonder gevaar voor ontdekking nog wel deugdzaam zou blijven. Hij sluit af bij de dood van de macht en de macht van de dood, een thematiek die de hele cyclus doortrekt.
Aan Siegfried wijdt Faure tien hoofdstukken. Daarin komen de vraag of de natuur ondubbelzinnig goed is, de zoektocht naar identiteit en de innerlijke onrust van de schurk, waarmee hij Mime bedoelt, aan bod.
Opvallend is zijn lezing van het smeden van het zwaard Nothung als reflectie op wat het betekent om iets nieuws voort te brengen. Daarop volgt de ontkenning van de wil, die de sporen draagt van Wagners kennismaking met Schopenhauer. Hij eindigt bij de kwetsbaarheid van de liefde en de angst voor seksualiteit, thema's die gestalte krijgen in het ontwaken van Brünnhilde door Siegfried.
Götterdämmerung, het langste en meest beladen deel van de cyclus, krijgt elf hoofdstukken, van het geweld tegen de natuur tot schakeringen van het kwaad. Ook het misbruik van de wet komt aan bod, waarmee hij doelt op het bedrog waardoor Siegfried Brünnhilde verraadt. Zijn onderscheid tussen negatieve en positieve verlossing lijkt mij vruchtbaar. Het laat toe de slotscène, waarin Brünnhilde zich in de brandstapel werpt en de Rijn zijn oevers laat overstromen, niet enkel als vernietiging te lezen maar ook als zuivering.
Faure stelt dat Wagners oorspronkelijke bedoeling met de Ring revolutionair en anarchistisch was, gericht tegen de machtshonger van de negentiende-eeuwse klassenmaatschappij, maar dat het werk die intentie filosofisch overstijgt. Hij benadrukt ook dat de Ring doordrongen is van feministische thematiek, een lezing die mij na Fricka's verzet en Brünnhildes weigering om zich naar haar vaders wil te schikken niet uit de lucht gegrepen lijkt.
Wat deze aanpak onderscheidt van de gangbare Wagner-literatuur, die doorgaans ofwel muziekhistorisch ofwel biografisch te werk gaat, is dat Faure de filosofische gelaagdheid niet als bijkomend commentaar behandelt maar als sleutel tot het hele bouwwerk. Die keuze brengt wel een risico met zich mee: door elk deel strak volgens eenzelfde thematische opeenvolging te ontleden, dreigt de eigenheid van Wagners muzikale taal soms ondergeschikt te raken aan het begrippenkader. Faure ontsnapt daar mijns inziens grotendeels aan doordat hij de leidmotieven als scharnierpunt blijft gebruiken, zodat de filosofie uit de partituur zelf lijkt te groeien in plaats van eraan opgelegd te worden.
Wie zoals ikzelf slechts enkele avonden uit deze cyclus live heeft meegemaakt, vindt in dit boek een kader om die losse ervaringen te verbinden met het grotere geheel waarvan ze deel uitmaken. Faures lezing van Die Walküre sloot moeiteloos aan bij wat er die avond bij Castellucci en Bretz op scène te zien was, en dat maakt deze filosofische reis tot meer dan een abstracte denkoefening.

Benny Madalijns
Gerbert Faure
Benny Madalijns
Non-fictie
Benny Madalijns is van opleiding Leraar Beeldende Kunsten en Doctor in de Letteren en Wijsbegeerte (PhD, VUB). Hij is schrijver van amper te publiceren verhalen over denken & doen en schilder-collagist van zo maar wat bedenkingen van geest & gemoed. (Foto: Jean Cosyn - VUB)
_Benny Madalijns -
Meer van Benny Madalijns

_Van zelfde auteur

_Nieuwste recensies

Bekijk alle nieuwe recensies