3 september 2026
Hoop - Een bloemlezing
Hoop is een van de weinige menselijke ervaringen die zich niet aan één geloof, één cultuur of één tijdvak laat binden. Ze duikt op in een gebed, in een politiek manifest, in een liefdesgedicht of in de stilte na een diagnose. Precies daarom is ze een dankbaar onderwerp voor een bloemlezing.
De samenstellers schrijven dat zelf ook in hun inleiding. Hoop is nooit eenduidig, ze is een fluistering, een roep, een verwachting, een daad. Ze willen die veelvormigheid tonen zonder haar in één definitie te vangen.
Ook over de herkomst van het project schrijven ze meteen. Het boek is ontstaan uit een jarenlange dialoog tussen twee broers met een uitgesproken verschillende achtergrond, de ene eerder christelijk-theologisch, de andere eerder filosofisch-humanistisch geschoold. Ze beschrijven avonden vol stapels boeken, discussie en reflectie, en bijvoorbeeld de vraag of een tekst van een paus nog iets kan betekenen voor wie niet gelooft.
Die dubbele signatuur wordt uitdrukkelijk als het organiserende principe van het boek voorgesteld, niet als een toevallig gegeven. Wie de inhoudstafel naast die belofte legt, ziet echter meteen dat de twee stemmen niet even zwaar hebben doorgewogen.
Naast twee pausen, Benedictus XVI met Spe Salvi en Franciscus met een eigen tekst, staan er een dominicaan als Timothy Radcliffe, kernfiguren van de christelijke theologie als Augustinus, Bonhoeffer en Kierkegaard, de katholieke dichter Charles Péguy, en enkele hedendaagse theologen. Dat is op zich een rijke en goed gedocumenteerde traditie, en niemand zal ontkennen dat auteurs uit die hoek veel over hoop te zeggen hebben. Maar het is wel degelijk die traditie die de bundel overwegend kleurt, en niet de filosofisch-humanistische tegenpool die de samenstellers in hun inleiding als evenwaardig voorstellen.
Dat patroon zet zich zelfs door tot in het enige Bijbelfragment dat de bloemlezing opneemt, Visioen, naar Jesaja 11,1-10, in de vertaling van de Nieuwe Bijbelvertaling:
Maar uit de stronk van Isaï schiet een telg op, een scheut van zijn wortels komt tot bloei.
De geest van de HEER zal op hem rusten: een geest van wijsheid en inzicht, een geest van kracht en verstandig beleid, een geest van kennis en ontzag voor de HEER.
De geest van de HEER zal op hem rusten: een geest van wijsheid en inzicht, een geest van kracht en verstandig beleid, een geest van kennis en ontzag voor de HEER.
Het gaat om een uitgesproken messiaanse tekst, die in de christelijke traditie van oudsher als voorafspiegeling van Christus wordt gelezen. Dat precies dit fragment de bloemlezing haalde, en niet bijvoorbeeld een psalm of een wijsheidstekst zonder die lading, is op zichzelf een kort maar veelzeggend bewijsstuk voor de onevenwichtige balans die ik hier vaststel.
Dat evenwicht is trouwens ook af te lezen aan de achtergrond van een van de twee samenstellers. Samuel Goyvaerts doceert liturgiestudie en sacramentstheologie aan de Tilburg School of Catholic Theology, waar hij ook vice-decaan onderwijs is, een uitgesproken rooms-katholieke faculteit.
Ook de uitgeverij zelf onderstreept dat beeld. Otheo Books specialiseert zich uitdrukkelijk in boeken over religie, zingeving en levensbeschouwing, met een apart fonds voor liturgie en catechese.
Een kritische lezer merkt dat patroon snel op, en het verklaart mijns inziens duidelijk waarom de inhoudstafel zo in het voordeel van de christelijke traditie doorslaat. Een bloemlezing die wordt voorgesteld als het resultaat van een gesprek tussen twee tradities, draagt in de praktijk vooral de stempel van de ene, en dat is verder geen verwijt: elke samensteller werkt nu eenmaal vanuit zijn eigen leeservaring en netwerk. Het is gewoon goed om als lezer te weten uit welke hoek een boek komt, niet meer, maar ook zeker niet minder dan dat.
Een merkwaardig voorbeeld van hoe ver zo'n bloemlezing zou kunnen reiken, is een gedicht van Gerard Reve uit 1965, getiteld Paradijs. Reve behoort door zijn bekering tot het katholicisme onmiskenbaar tot de religieuze traditie, maar zijn verbeelding van het hiernamaals heeft weinig van de plechtstatigheid die men bij dat register zou verwachten:
Ik was een heel erg grote beer die toch heel lief was.
God was een Ezel en hield van mij.
En iedereen was gelukkig…
God was een Ezel en hield van mij.
En iedereen was gelukkig…
Die speelse, bijna kinderlijke absurditeit ontdoet de hoop, in Reves verbeelding, van elke dogmatische lading zonder haar theologische oorsprong te verloochenen. Daarin ligt de waarde van dit voorstel. Het confessionele register in de bloemlezing hoeft niet uitsluitend uit vroomheid te bestaan, maar kan ook ruimte laten voor een lichtvoetige, haast heterodoxe hoop. Dat kan de ‘hoop’volle toenadering tussen confessionele en vrijzinnig-humanistische stemmen alleen maar verdiepen.
Die vaststelling wordt nog scherper wanneer men kijkt naar wie er nog ontbreekt. Wie op zoek gaat naar de grote niet-confessionele tradities van het hopen, komt in deze bloemlezing bitter weinig tegen.
Ernst Blochs Das Prinzip Hoffnung, het standaardwerk van de twintigste eeuw over hoop als filosofische categorie zonder god, ontbreekt. Camus, die in Le Mythe de Sisyphe en La Peste precies onderzoekt hoe men kan standhouden zonder metafysische zin, is er niet bij, en evenmin Sartre, die in L'existentialisme est un humanisme de mens, precies om zijn vrijheid, verantwoordelijk stelt voor de toekomst die hij zich toe-eigent.
Simone de Beauvoir, Hannah Arendt met haar begrip van natality als bron van nieuw begin, Václav Havel met zijn beroemde onderscheid tussen hoop en optimisme, of recentere seculiere pleidooien zoals Rebecca Solnits Hope in the Dark en Terry Eagletons Hope Without Optimism, niets van dat alles komt aan bod. Nochtans bracht net die traditie enkele van de scherpste, in de twintigste eeuw geschreven formuleringen over hoop voort.
Camus vatte die gedachte ooit samen in L'été, in de slotpassage van “Retour à Tipasa”: “Au milieu de l'hiver, j'apprenais enfin qu'il y avait en moi un été invincible.” Midden in de winter leerde ik eindelijk dat er in mij een onoverwinnelijke zomer school, mijn vertaling. Dat is hoop zonder god, zonder verlossing, zonder transcendentie, en misschien net daarom een van de sterkste formuleringen die er over het onderwerp bestaan.
Dat neemt niet weg dat Hoop een lezenswaardige en zorgvuldig samengestelde bundel is, met een aantal sterke, weinig voor de hand liggende keuzes, van Khoisan-folklore tot Hwang Jini, die de horizon terecht verbreden. Voor wie op zoek is naar troostende of aansporende teksten uit de christelijke traditie, biedt het boek een rijke en goed gekozen doorsnede.
Voor wie hoopte op een even sterke seculiere tegenstem, blijft er iets te wensen over. En dat is jammer, want net die spanning had van deze bloemlezing een echt grensverleggend boek kunnen maken.
Benny Madalijns