23 september 2026
Koen Broucke. De kunstenaar die detective wilde zijn
Nadat ik de catalogus had gelezen, bracht mijn nieuwsgierigheid naar Koen Brouckes echte werk mij alsnog naar de tentoonstelling ‘De kunstenaar die detective wilde zijn’ in de Sint-Pietersabdij te Gent.
Ik volg de man al geruime tijd. Ik herken in hem een figuratief schilder die zich in zijn werk telkens weer gedraagt als een speurder naar sporen uit het verleden. Zijn jarenlange fascinatie voor Picasso, en vooral voor diens Guernica, staat centraal in deze tentoonstelling, waarin hij met dat schilderij een eigenzinnige dialoog aangaat.
Auteur van dit beklijvende boek is Annick Lesage, VRT-journaliste en podcastmaakster bij Klara. Ze volgde Broucke een jaar lang op de voet tijdens zijn onderzoek naar het paneel De rechtvaardige rechters, dat in de nacht van 10 op 11 april 1934 uit de Sint-Baafskathedraal werd gestolen.
Broucke, historicus van opleiding, droomt al lang van een dialoog met het Gentse erfgoed. Die zoektocht begint dan ook met een bezoek aan het Museum voor Schone Kunsten, waar hij met een vergrootglas de etsen van Jules De Bruycker bekijkt. Daarbij meent hij een figuur te ontdekken die er met een paneel vandoor gaat.
De auteur plaatst Broucke in een lange rij van kunstenaars-amateurdetectives. Ze noemt René Magritte, opgevoerd als speurder in de VRT-reeks This is not a murder mystery, en de Antwerpse tekenares Hilda Leynen, die decennialang haar diensten aanbood aan hoofdcommissaris Karel Mortier. Ook Arsène Goedertier zelf hoort in dat rijtje thuis: de vermoedelijke dief was naast koster en wisselagent ook amateurdetective en lezer van Arsène Lupin. In het huis dat Leynen en haar broer nalieten, ontdekte Broucke tot zijn verrassing een persoonlijke band met zijn eigen verleden.
Het boek is opgebouwd als een dialoog, waarin Broucke en Lesage om beurten het woord nemen. Die opzet doet denken aan Holmes en Watson, of aan Poirot en Hastings. Ook Lesage zelf voelt zich meegevoerd in wat de achterflap treffend omschrijft als Brouckes “fascinerende labyrint van Knossos”.
Het boek is gestructureerd in vier fasen: de eerste kennismaking met het dossier, de omzwervingen langs archieven en kringwinkels, de reconstructie van Leynens speurwerk, en het atelierwerk aan Mijn Guernica. Diezelfde opbouw keert terug in de tentoonstelling, van de donkergroene portretgalerij tot de studiolo waar alle bronnen samenkomen.
Broucke en Lesage noemen hun werkmethode art based research: intuïtiever dan het klassieke historische onderzoek, maar niet minder rigoureus. Het begrip sluit aan bij Brouckes doctoraat in de kunsten. In een dialoog met Lesage voor het tijdschrift Koorts vertelt hij zelf hoe hij in dat doctoraat de methode van commissaris Maigret analyseerde: de speurder uit Simenons romans lost zaken op door te voelen eerder dan door deductie. Samen met zijn promotor Jo Tollebeek muntte hij in dat doctoraat ook de term draagsporen van de geschiedenis: lichamelijke ervaringen afgedrukt in historische objecten.
Een volledig hoofdstuk gaat over dat titanenwerk, een Guernica-doek van bijna vier bij zeven meter. Toen ik het zelf in de grote refter van de Sint-Baafsabdij zag hangen, bezorgde het me zowaar een gevoel van verrukking, maar ook een zekere onbehaaglijkheid. Verdomd, ik raak er nog steeds niet op uitgekeken.
Er zijn dagen waarop het onaanzienlijke plots zichtbaar wordt, misschien uit schaamte, omdat ingehouden woede de wereld doorgaans in een naar licht plaatst. Het doek is een vermoeiende herinnering aan nogal wat bescheten dingen van vroeger, en tegelijk een welgekome, verfrissende glimp van zoveel sublieme lelijkheid die achter de grijstinten zichtbaar wordt.
Picasso schilderde zijn eigenste Guernica in 1937, kort na het bombardement van het Baskische stadje door de Duitse en Italiaanse luchtmacht. Op de vraag om zijn symboliek te verklaren, antwoordde hij droogweg dat het niet aan de schilder is om de symbolen te duiden.
Wat me bij Brouckes interpretatie nog het meest overdonderde, was niet het doek op zich, maar het besef dat het me deed denken aan twee andere kunstenaars: Paolo Ventura en Joan Fontcuberta.
Ventura bouwt miniatuurdecors van oorlog uit historisch correcte details en fotografeert ze tot een verzonnen wereld die teruggaat op herinneringen van zijn grootmoeder. Fontcuberta vervaardigt daarentegen historische documenten van ontdekkingen die nooit hebben plaatsgevonden, met de overtuigingskracht van een echt archief.
Beiden creëren zo elk hun eigen palimpsest: een alternatieve, grotendeels verzonnen geschiedenis geschreven over wel degelijk verifieerbare feiten. Dat fascineert me al jaren mateloos.
Naar mijn aanvoelen is Broucke, of hij die twee kunstenaars nu persoonlijk kent of niet, methodologisch zeer zeker verwant aan hun werkwijze. Geen van de drie liegt, en toch is niets van wat ze tonen ooit zo gebeurd. Brouckes eigen woorden onderschrijven die verwantschap moeiteloos: “Fiction is perhaps a stronger entrance to reality than reality itself,” zei hij ooit in een interview met ArtDependence Magazine.
Ook Dokter Hahnemann en Achille Kerkhaven, twee volledig verzonnen figuren die Broucke eerder al bedacht en als alter ego aannam, tonen dezelfde methode: historisch materiaal samengesteld tot een nieuwe biografie. Ze bewijzen dat de kunstenaar-detective uit deze tentoonstelling geen alleenstaand geval is, en dat het onderzoek telkens het alibi vormt waarmee hij nieuwe werken maakt. Mijn Guernica is daar de jongste vrucht van: opnieuw een palimpsest, waarin het Lam Gods, de tuin van de Sint-Baafsabdij en een vluchtende Goedertier over elkaar heen zijn geschilderd tot een beeld dat nooit heeft bestaan en dat toch overtuigt.
Wie de skyline van de Gentse torens op het doek herkent, ziet er verrassend genoeg ook de rotsen van Luik of Dinant in opduiken. Het zijn dezelfde rotsen die al voorkwamen op het paneel van De rechtvaardige rechters. Lesage oppert dat Broucke zo zijn eigen huis binnensmokkelde, de Villa des Roses in Waulsort bij Dinant, net zoals de oude meester ooit zijn eigen gezicht verstopte in het retabel, op de Korte Dagsteeg.
In het miniatuurportret van Arsène Goedertier verwerkte Broucke zelfs een paneel uit diezelfde Villa des Roses, wat Lesage droogjes samenvat: “Goedertier kreeg nooit een standbeeld, maar wel duivenpoep” (p. 117).
Tijdens het schilderen van zijn Guernica lag het doek op de middeleeuwse vloer van de Sint-Baafsabdij, waar de verf ’s nachts ongedekt moest drogen. Elke ochtend trof Lesage Broucke er in kamerjas aan, zwierig poetsend met een plumeau als een reuzenvleermuis, tot hij later een foto van Picasso met identiek gerei vond en moest lachen.
Mijn Guernica komt op ons af als één groot raadsel. Het is een mystiek tafereel dat geduld vraagt van de kijker omdat het hem of haar af en toe een flits van inzicht gunt. Het web van associaties onder de verflagen is ook niet in één-twee-drie ontstaan. De kunstenaar heeft tijdens zijn wekenlange verblijf in de kille refter van de Sint-Baafsabdij zelfs de abdijziekte opgedaan. Het is een hoest die zo merkwaardig is, dat de monniken van eeuwen geleden Koen lijken te hebben aangestoken. Er mocht toen niet gesproken worden tijdens het eten, de benedictijnen bedienden elkaar met gebarentaal, maar er werd geheid gehoest.
(Hoofdstuk 4, p. 118)
Deze werkwijze doet denken aan wat Hayden White in Metahistory uit 1973 beargumenteerde: geschiedschrijving is nooit een neutrale weergave van feiten, maar een narratieve constructie via verhaalpatronen uit de literatuur. Linda Hutcheon noemde het resultaat later historiographic metafiction, in A Poetics of Postmodernism uit 1988: werken die zich op historische feiten beroepen en tegelijk tonen dat ze verzonnen zijn.
Volgens de begeleidende perstekst is het Brouckes vriend, de Nederlandse auteur en filmmaker Peter Delpeut, die na een bezoek aan de tentoonstelling de verbindende term aanreikte: de figuren die in Mijn Guernica anderen dragen en hen zelfs in de meest ellendige omstandigheden niet loslaten, zijn de rechtvaardigen. De band tussen het schilderij en het gestolen paneel is daardoor niet alleen iconografisch, maar ook moreel.
De organisatoren presenteren Mijn Guernica zelf nadrukkelijk als een anti-oorlogsschilderij, met verwijzingen naar de actuele verwoesting in Gaza. Die lezing geldt voor dat ene doek, niet voor de tentoonstelling of het boek in hun geheel. Waar De kunstenaar die detective wilde zijn in de kern om draait, is de speurtocht naar een verloren paneel, en de vraag of de nieuwsgierigheid van een kunstenaar-detective kan vinden wat generaties van professionele speurders, van Mortier tot Leynen, niet vonden.
Wat blijft hangen na het boek en na het bezoek, is mijns inziens niet wie het paneel stal. Het is de koppigheid waarmee Broucke, negentig jaar na Goedertiers verdwijning, nog gelooft dat een gepassioneerde schilder het verdwenen paneel soms dichter kan naderen dan een volleerde speurder.
Wie geïntrigeerd blijft door het mysterie van het gestolen Lam Gods-paneel, door Brouckes associatieve manier van kunst maken, of gewoon door de vraag hoever fictie de werkelijkheid kan naderen of zelfs overtreffen, vindt in dit boek een lectuur die dat mysterie niet oplost, maar wel op een verrassende manier laat resoneren.
Benny Madalijns