Sam Drukker & Eli Drukker
Benny Madalijns
Non-fictie
  • 7 keer bekeken
  • minuten leestijd
  • Reacties

Waardering

5 november 2026 Een methode tot kijken en schilderen - De kraag van Holbein
Het gebeurt niet vaak dat een oude oud-leraar beeldende kunsten een nieuw handboek openslaat en er meteen blij van wordt. Met ‘Een methode tot kijken en schilderen’ van de Nederlandse schilder Sam Drukker overkwam het mij wel. Hij schreef het boek samen met de jonge Amsterdamse kunsthistoricus Eli Drukker en bundelt erin wat hij jarenlang met zijn studenten in het kunstonderwijs heeft uitgeprobeerd en stap voor stap bijgeschaafd.
Sam Drukker vertrekt van een herinnering aan zijn tweede jaar op de kunstacademie. Zijn docent aquarelleren kwam op een dag de klas binnen met een bruin kartonnen doosje. In het doosje lag een dood musje, en de studenten moesten het schilderen (p. 6). De jonge Drukker gruwde, maar tijdens die les besefte hij dat hij zijn gevoelens over het beestje alleen in de taal van het beeld kon uitdrukken.
Bij dat musje dacht ik terug aan mijn eigen lessen. Zelf gooide ik aan het begin van een les over waarneming meestal een paar luciferdoosjes lukraak op tafel en zei: ‘Begin maar.’ Zo’n doosje is een kleine balk met scherpe randen, en wie er een paar kriskras over en onder elkaar ziet liggen, krijgt meteen te maken met vorm, verhouding, vluchtlijnen en perspectief. Omdat elk zijvlak anders belicht is, leer je er bovendien licht en donker mee onderscheiden.
Als docent ontwikkelde Drukker later een model van vijftien beeldende fenomenen, gaande van compositie en toon tot materie en handschrift (p. 11). Onder toon verstaat hij de lichtwaarde van een vlak, los van de kleur, en hij maakt dat aanschouwelijk met een grijsschaal van tien blokjes die van wit naar zwart oploopt (pp. 20, 136). Hij laat ons die fenomenen een voor een bekijken, los van wat een schilderij voorstelt of wil zeggen. Zelf vergelijkt hij zijn methode met een doosje van vijftien brilletjes, waarvan je er telkens één opzet om naar één fenomeen tegelijk te kijken (p. 10).
Volgens hem staat taal ons kijken in de weg (p. 10). Door jarenlange scholing zijn we zo talig gevormd dat we op alles wat we zien meteen een etiket plakken. Wie goed wil leren kijken, moet eerst die reflex uitschakelen. Betekenis wil hij daarmee niet wegcijferen. Met de vaasjes van de Italiaanse stillevenschilder Giorgio Morandi laat hij zien dat de betekenis van een werk net ligt in de manier waarop de schilder met de fenomenen omgaat (p. 14).
Dat ritme en beweging echt iets anders zijn, toont Drukker door Piet Mondriaan naast de Russische avant-gardist Kazimir Malevitsj te zetten (p. 12). Beide schilders hielden het bij enkele zuivere kleuren en eenvoudige vormen. Toch ervaren we hun schilderijen totaal anders, want Mondriaan hield zich aan de horizontale en de verticale, terwijl Malevitsj met diagonalen veel meer beweging in het vlak bracht.
Elk van de zes hoofdstukken bouwt Drukker op rond een concreet beeld, gaande van een foto van de Amsterdamse impressionist George Hendrik Breitner, Dienstbode bij de Westermarkt in Amsterdam, tot het atelier van de Haarlemse schilder Kees Verwey. Hij sluit ze telkens af met een oefening en de resultaten ervan, en achteraan vinden we een begrippenlijst van de vijftien fenomenen (p. 136). Zo wordt het boek ook een werkboek voor wie zelf schildert of lesgeeft.
Aan het eind van de inleiding komt hij met een paradox: de beste figuratieve schilders zijn ook meesters in abstractie (p. 16). Als voorbeeld noemt hij onder meer de Spaanse realist Antonio López García, bij wie de kwaliteit uiteindelijk in de abstractie zit. Op een van de eerste bladzijden drukte Drukker zijn adagio af: “In de kunst gelden maar twee regels: ALLES KAN en ALLES MAG.” In het laatste hoofdstuk, ‘Vrijheid en intuïtie’, vraagt hij ons welke fenomenen voor ons het zwaarst doorwegen.
Bij het lezen dacht ik voortdurend aan de boeken van de Zwitserse Bauhausdocent Johannes Itten, in het Nederlands verschenen als Kunst en kleur en Beeldende kunst in beeld. Als leraar beeldende kunsten heb ik ze jarenlang in de klas gebruikt. Ook Drukker bestudeerde het werk van Itten toen hij eind jaren zeventig op de academie zat (p. 8), en Ittens kleurencirkel staat in het boek afgedrukt (p. 9). Bij die kleurencirkel moest ik ook denken aan ROGBIEF, het ezelsbruggetje voor de kleuren van de regenboog. Raad zelf maar eens welke kleuren erachter zitten. Omdat het als rosbief klinkt, moet ik er nog altijd om lachen als ik een regenboog bewonder.
Wat mij blij maakt, is dat Drukker die traditie van het kijkonderwijs met eigen voorbeelden en oefeningen opnieuw bruikbaar maakt, voor de schilder in het atelier en evengoed voor de museumbezoeker die voor een Rembrandt staat. Een must read voor iedereen die beter wil leren kijken naar kunst, en eigenlijk naar zowat alles.

Benny Madalijns
Sam Drukker & Eli Drukker
Benny Madalijns
Non-fictie
Madalijns is doctor in de Letteren en Wijsbegeerte (VUB) en auteur van een beperkt en bewust selectief gepubliceerd oeuvre op het snijvlak van filosofie, literatuur en kunst. Daarnaast ontwikkelt hij een beeldende praktijk als schilder en collagist, in voortdurende wisselwerking met zijn schrijfwerk. Hij publiceert essays en reflecties op zijn blog Wemelende Kantlijnen. (Foto: Jean Cosyn - VUB)
_Benny Madalijns -
Meer van Benny Madalijns

_Van zelfde auteur

_Nieuwste recensies

Bekijk alle nieuwe recensies